Voetnoot 123

Het ellendige leven op Meer en Hoef

dinsdag 27 augustus 2019 – Een van de terugkerende onderwerpen in Den Vrolyke Tuchtheer (1729-1730) is de kruistocht die Weyerman voerde tegen Johannes la Croix en zijn buiten Meer en Hoef in Abcoude, waar Weyerman gewoond had.[1]

De allereerste aflevering van de Tuchtheer (4 juli 1729) begint onschuldig:

De weerelt ontdekt wel zo maklyk de feylen in een spreeker, als de deugden in een zwyger: ook beweer ik dit zo veels te meer, dewyl de ervaarenheyt my leert, dat een ieder beter de fouten voelt en tast in een zot diskoers, dan hy de verdiensten naspeurt in een wys stilzwygen. Altoos legt de schat eens schreeuwers op zyn tong, zegt ergens een vrolyk Poëet;

Dat is een parafrase van het spreekwoord ‘spreken is zilver, zwijgen is goud’. Maar nog voor de bladzijde volgeschreven is, heeft Weyerman zijn eerste schimpscheuten tegen Meer en Hoef al geplaatst. Het vervolg luidt namelijk:

en die groote waarheyt beweert hy in een kaerel die een ongelukkige boerenschuur had geerft, (by voorbeelt een sleepers nest gelyk als Meer en Hoof), wiens deugden hy opbazuynde in deeze termen.
Niets tierde ooit in deeze schuur; (schreeuwde hy uyt) geen eygenaar van dit gesticht stierf ooit op zyn bed; dees wiert opgeknoopt, geen sprong in het Abkouer meer; een derde speelde haas op naar Kuylenburg; en een vierde stikte aan de lepelzucht: Al het geboomt verzengde of door een vlam, of door een verborge straf; de verkens wierden gortig, het gehoornt vee stak de moort aan de longziekte, de schapen stierven aan de waterzucht; […]

Op Meer en Hoef is geen normaal leven mogelijk, alles komt er ellendig aan zijn einde.

Die eerste bladzijde heb ik de afgelopen jaren al een paar keer gelezen, maar pas vorige maand viel me er iets aan op. Het begin is volledig ‘zeedekundig’ en Weyerman verwijst naar een ‘Poeet’ zonder deze bij naam te noemen. Samen was dat genoeg om naar een buitenlands voorbeeld voor deze passage te zoeken. En dat bleek er te zijn: 

There is almost no Man but he sees clearlier and sharper, the vices in a Speaker, then the vertues. And there are many, that with more ease, will find fault with what is spoken foolishly, then that can give allowance to that wherein you are wise silently. The treasure of a foole is alwayes in his tongue (said the witty comick Poet) and it appeares not in any thing more then in that nation;[2]

Dat is niets meer of minder dan de inleiding van Weyerman, maar nu in het Engels van Ben Jonson. Een noot in de marge bij Jonson geeft aan dat de niet bij naam genoemde dichter Plautus is.[3]

Verbazingwekkend is hoe het bij Jonson verder gaat: hij vertelt óók hoe iemand zijn vervallen schuur figuurlijk tot aan de grond toe afbrandt. Het blijkt dat Weyerman de passage van Jonson door er een paar lokale verwijzingen in op te nemen volledig naar zijn hand gezet heeft:

whereof one when hee had got the Inheritance of an unlucky old Grange, would needs sell it, and to draw buyers, proclaim’d the vertues of it. Nothing ever thriv’d on it (saith he.) No owner of it ever dyed in his Bed; some hung, some drown’d themselves; some were banisht, some starv’d; the Trees were all blasted, the Swyne dyed of the Measils, the Cattell of the Murren, the Sheep of the Rot; […]

Vermoedelijk kwam het idee voor het motto van de eerste aflevering van de Tuchtheer ook uit de werken van Jonson.[4] Jonson gebruikte het ongeveer een bladzijde vóór de hier vermelde passage.

Ben Jonson is in de eerste plaats bekend door zijn theaterwerken.[5] Maar hij dichtte ook. André Hanou wees er al in 1982 op dat Weyerman drie bewerkingen van gedichten van Jonson in de Tuchtheer had opgenomen.[6] Daar komt nu dus ook een ontlening aan proza van Jonson bij. Ik vermoed dat dit niet de laatste Jonson-vondst in het werk van Weyerman zal zijn. – Jac Fuchs

¶ Het vervallen huis dat hierboven is afgebeeld, heeft als titel’ The western prospect of Bear’s-Den Hall, in Co. Surrey’. De daarbij behorende beschrijving van het British Museum luidt: ‘Satire on social pretensions: a view of a dilapidated cottage set into a garden behind a wooden fence, with a Greek inscription and mock coat-of-arms at the bottom. c.1720’.


[1] Over Johannes Gousset, schout van Abcoude en Johannes de la Croix en zijn Meer en Hoef is het nodige te vinden in A.J. Hanou, Jacob Campo Weyerman. Den Vrolyke Tuchtheer (1729) (Amsterdam 1978), en in Willem Hendrikx, ‘Weyerman in Abcoude’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 9 (1986), p. 42-48.

[2] Ben Jonson, Timber: or Discoveries made upon Man and Matter (Londen 1641). Dit werk is bijgebonden bij deel 2 van The Works of Benjamin Jonson (Londen 1640). In latere edities van de werken heet het ‘Explorata: or Discoveries made upon Man and Matter’.

[3] Jonson verwijst naar scène 6 uit de tweede akte van de komedie Trinummus van Plautus.

[4] Jonson schrijft het motto aan Plutarchus toe, maar in de Anthologia […] seu Florilegium Graeco-Latinum diversorum epigrammatum (Gotha 1650) staat het op naam van Claudius Minois, de neo-classicus Claude Mignault (c. 1536-1606).

[5] Weyerman vertaalde scènes uit Cataline his conspiracy van Jonson en nam het resultaat op in de afleveringen 3 en 23 van Het Oog in ’t Zeil. Zie: Jan Bruggeman en Jac Fuchs, ‘“Altoos bestulpt met oude boeken, en gedompelt in vermufte papieren”. Onderzoek naar de bronnen en het auteurschap van Het Oog in ’t Zeil, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 33 (2010), p. 89-99.

[6] André Hanou, ‘Drie Jonson-bewerkingen’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 5 (1982), p. 527-528.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.