Voetnoot 124

Een verhandeling over De Grootsheyd

dinsdag 10 september 2019 – De Ontleeding van den Ontleeder der Gebreeken vind ik een lastig te lezen blad. Het heeft de stijl van Weyerman, en draaft daar zelfs wat in door.

Sommige bladzijden lopen over van de verwijzingen. Op p. 21, bijvoorbeeld, staan achtereenvolgens de namen van de Redenryker van Lamrym, keizer Augustus, Proteus, Mezentius, Archimedes, Doctor Helvetius, Tacitus, Collasius, Apelles, (de schilder) Roepel, Zeuxis, en, in een voetnoot, Doctor Zweitzer. Erg vermoeiend, allemaal …

De auteur van De Ontleeding maakt zich niet bekend, hij presenteert zich alleen als ‘de Tegen-Ontleeder’. Hij doet met Den Ontleeder der Gebreeken van Weyerman precies wat Weyerman ooit met de Amsterdamsche Argus van Hermanus van den Burg deed: hij geeft zijn mening over een populair blad, probeert ermee in discussie te gaan en poogt te laten zien dat zijn eigen blad méér verdient gelezen te worden dan dat andere.

Maar er zijn ook verschillen. Weyerman brandde Van den Burg af en probeerde hem uit de markt te drukken. De Tegen-Ontleeder pakt Weyerman en zijn Ontleeder met fluwelen handschoenen aan. Het blad komt voor mijn gevoel niet goed van de grond. Maar of dat de reden is waarom er maar vier nummers van verschenen zijn?

In Voetnoot 119 vertelde ik over een Cowley-ontlening die ik in De Ontleeding aantrof. Dat de Tegen-Ontleeder net als Weyerman voor inspiratie naar Cowley greep, is een aanwijzing dat Weyerman zelf de auteur was. Maar eigenlijk was zo’n argument al niet meer nodig: er werd al algemeen aangenomen dat Weyerman zelf de Tegen-Ontleeder was. De stijl van schrijven wijst namelijk duidelijk in die richting en ook staat de ‘Tegen-Ontleeder &c.’ in de lijst van werken van Weyerman in deel 4 van de Konst-schilders.[1] Het heeft er alle schijn van dat Weyerman dubbel munt heeft willen slaan uit zijn succes.

Met Voetnoot 119 was nog niet alles gezegd. In het vierde nummer van De Ontleeding schrijft de Tegen-Ontleeder over ‘De Grootsheyd’:  

Een zeker Dichter […] zegt; dat hy de Gooden bedankt, die hem kouw na kleeders hadden gegeeven, (dat is) die hem met geen meerder Heerszucht hadden geballast, dan het vaartuyg van zyn fortuyn bergen kon.
Ik beken gaarn dat ik de middelmaat bemin in alles. Ik bemin een kleyn dagelykx of jaarlykx Inkomen, een kleyne vermaakelyke Buyte plaats, een kleyn Gezelschap, een kleyn Gastmaal, en zo de Liefde my immermeer komt bestormen, als dan verlang ik meer, na een aardige, dan na een piramidaale schoonheyt.

Dat is onmiskenbaar een bewerking van het begin van het zesde essay ‘Of Greatness’ van Abraham Cowley. De twee Latijnse voetnoten die erbij zijn opgenomen, bevestigen dat nog eens. Na het vredige begin gaan Cowley en Weyerman verder met het bekritiseren van mensen die zich (soms letterlijk) groter voordeden dan ze waren. Weyerman hield zijn soepele vrije bewerking van het essay drie pagina’s vol, maar na de vertaling van enkele versregels over de decadentie van het keizerlijke Rome schakelde hij op p. 29 over op krantennieuws.    

Zo hebben we weer een vingerafdruk van Weyerman op de kopij van De Ontleeding van den Ontleeder der Gebreeken aangetroffen en wordt de lijst van Weyermans Cowley-ontleningen weer een nummertje langer. – Jac Fuchs


[1] Jacob Campo Weyerman, De Levens-beschryvingen der Nederlandsche Konst-schilders en Konst-schilderessen […] vierde deel (Dordrecht 1769), p. 467-468.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.