Voetnoot 127

Weyerman bewerkt Weyerman? (2)

dinsdag 24 september 2019 – De heruitgave van Den Vrolyke Tuchtheer van André Hanou is weliswaar al meer dan 40 jaar geleden verschenen, maar ik kan ‘m nog steeds aanraden. Het enige minpunt ervan is, dat alleen de eerste 20 afleveringen erin staan, en niet alle 52.

Die beperking verklaart waarom ik de eerste nummers van de Tuchtheer al meermalen gelezen heb, maar me niet kan herinneren aflevering 21 al eerder gezien te hebben. In die aflevering vertelt Weyerman hoe hij bij een nachtelijke wandeling door Amsterdam een pakje met brieven vond, die bij nadere beschouwing in het Arabisch geschreven bleken te zijn. Arabisch kent hij niet, maar niettemin weet hij er heel wat van te maken:

Dewyl ik nu doorgaans die taalen en spraaken verduyts die ik niet verstaa, in navolging van veele Kalverstraatsche Notarissen, bestudeerde ik ’s anderendaags die brieven langs den bril van een roekelooze gissing, en ik bemerkte dat den eerste was geadresseert aan een bejaarde Dame die tabak rookte, waar over den Schryver haar geluk wenscht in deze termen.

Behalve deze brief citeert Weyerman er in dit nummer van de Tuchtheer nog vijf. Maar om even bij die eerste brief te blijven: bij de geharde voetnotenlezer horen alarmbellen afgegaan te zijn, want Jan Bruggeman besprak in Voetnoot 74 ‘een Vermaan brief aan een oude Dame die Tabak rookte’. Die brief had Weyerman in Den Echo des Weerelds van 16 juni 1727 geplaatst. Twee jaar later, op 21 november 1729, kwam Weyerman met hetzelfde onderwerp op de proppen.

Zoals te verwachten kent de brief dezelfde opbouw en dezelfde soort grappen als die in de Echo, maar de bewoordingen zijn nieuw, en Weyerman houdt de Arabische toon vol. In aflevering 6 van de Tuchtheer had hij ook al een nieuwe versie van een eerder geplaatste brief opgenomen.[1] 

Het is mogelijk dat Weyerman bewust zijn eigen tekst uit de Echo hernomen heeft, maar ik acht het aannemelijker dat hij hier opnieuw ‘An Exhortatory Letter, to an Old Lady that smoak’d Tobacco’ van Thomas Brown heeft bewerkt. In de voorafgaande Tuchtheer-aflevering had hij namelijk ook al een brief van Brown tot voorbeeld genomen.[2] En ook voor vier van de vijf andere brieven in deze aflevering had hij het verzamelde werk van Thomas Brown opgeslagen. Voor de vijfde brief is Weyerman vermoedelijk uitgegaan van een gegeven van Thomas Brown.

De brief van Kara Hassan aan den Geneesheer Solyman (p. 163) lijkt op ‘to Dr. Garth’. De brief van Ku Kiahia ‘aan de Machtige Roxane’ (p. 264-166) lijkt op ‘A Letter from an Officer in the Army to a Widow, whom he was in love with before he saw her’. Verder lijkt de brief van Kees van Riel aan den Vermoogenden Kuslir Aga (p. 166-167) op ‘Mr. Swan’s answer’. De brief van Eulad Resul ‘aan Kaska’ (p. 167-168) tot slot doet, niet geheel verrassend, denken aan ‘A Letter to a Lady that had got an Inflam[m]ation in her Eyes’.[3]

De enige brief waarbij er enige twijfel zou kunnen zijn over verband met het werk van Brown, is de brief van Bectas Aga ‘aan den Natuurkundigen Karas Chiaoux’ (p. 163-164). Bectas Aga beschrijft een vriendschappelijk samenzijn in een boomgaard waar slakken worden geserveerd. Wanneer iemand ‘den kleyne Karschirin, by den naam van het manneke Gietleugen berucht’ een grote naald aanreikt waarmee hij de slakken uit hun huisjes kan halen, dan valt deze flauw. De gastheer weet te achterhalen dat de vader van Karschirin zijn geld verdiende als marskramer in naalden en spelden, maar dat Karschirin zelf, die zich omhoog gewerkt heeft tot winkelier, niet aan zijn nederige afkomst herinnerd wil worden.

Browns brief ‘To Mons. De la —— his Correspondent in Paris, writ in the Person of a Frenchman, of what he observ’d in London’ is veel langer. De brief beschrijft, met een knipoog, een aantal Londense eigenaardigheden en voorbeelden van Virtuosi. Hij eindigt met een verhaal over ene Dr. Thimblesworth. Op een gegeven moment valt er iemand, in het bijzijn van Thimblesworth, flauw na het zien van een ei. Hij duikt in de familiegeschiedenis van de man en stuit op het verhaal dat zijn grootvader ooit te pronk had gestaan voor het vervalsen van waardepapieren. Brown spreekt het niet uit, maar suggereert dat de flauwgevallen man niet aan de schande van zijn grootvader herinnerd wilde worden – in het schandblok werd je doorgaans met (rotte) eieren en ander afval bekogeld …. 

Alle hier genoemde brieven van Brown zijn al te vinden in het eerste deel van de tweedelige uitgave van zijn complete werken uit 1707, en werden ook in alle volgende drukken opgenomen. De zorgvuldig uitgevoerde Arabische toonzetting is een eigen vinding van Weyerman. – Jac Fuchs 


[1] Zie Voetnoot 78.

[2] Zie Voetnoot 81.

[3] Het antwoord van Mr. Swan presenteert Thomas Brown als een reactie op een verzoek van hem om hem meer wijn te sturen.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.