Paragone in het Album van Bartholomeus Ruloffs

Bij een onbekend gedicht van Evert Schonck uit 1794

donderdag 26 september 2019 – Vorige week was ik op het Stedelijk Gymnasium van Nijmegen te gast om er voor de laatste 25 exemplaren van Schoncks Nijmeegse mutsen een goede bestemming te vinden. De editie vormde in 2006 het elegante, boek geworden afscheidscadeau van André Hanou aan de stad waar hij een aantal jaren als hoogleraar Oudere Letterkunde Nederlands had gediend.

Het boek bereikte niet de boekerij van iedere gestudeerde of geïnteresseerde Nijmegenaar en ik meen dat André zijn teleurstelling daarover destijds niet onder stoelen of banken stak.

Toch is Nijmeegse mutsen in de stad wel bekend, want toen ik in de hal van het Stedelijk Gymnasium stond, vroeg de rector me wat me op zijn school bracht. Toen ik de naam Schonck liet vallen, viel hij onmiddellijk in met: ‘Oh, van de Nijmeegse mutsen?’ Hij had het nog niet, maar oogde verguld met het geschenk. 

In de vijfde klas, waarin ik vertelde over Schonck, 1792, Nijmegen, het spotepos en satirische lectuur en waar we gezamenlijk twee fragmenten lazen, maakten heel wat leerlingen een geïnteresseerde indruk. Na afloop van de les applaudisseerden ze en met een lege tas trok ik huiswaarts, via de Schonckstraat (niet doodlopend, zoals André beweerde: tussen de Tollensstraat en de Thijmstraat).

Bij de voorbereiding van de les had ik de editie nog eens herlezen en was als het ware in gesprek geraakt met de editeur. Zoals het hoort wisselde ik instemmende knikjes af met tegenspraak, dat laatste op de manier zoals André dat zijn studenten leerde. Die tegenspraak ging verder dan de positie van de Schonckstraat. In een latere blog of bij een latere gelegenheid zal ik die verzamelde tegenspraak transformeren van gepruttel in geordend bezwaar.

In de inleiding wemelt het van de provocaties. Van het type waar de editeur zo in excelleerde. Zelden in zo weinig bladzijden zoveel beledigingen aan Nijmeegs adres gelezen. Ook de arme Schonck moet het ontgelden. Toen onze jongste zoon jaren geleden op een verdwaald moment de inleiding had gelezen, vroeg hij me: waarom zou ik verder moeten lezen, als Nijmegen volgens André zo’n achtergebleven gat is en Schonck een drol? Ik wist toen niet meteen een bevredigend antwoord, maar nu wel: we moeten de editeur met gelijke munt terug betalen! Goed, dat komt nog. In een Facebook-bericht zei Hans Verstraate onlangs dat hij het met Andrés interpretatie van de Mutsen niet eens was. Heel goed! Hij zou dat gewaardeerd hebben!

Vorige week ook herinnerde ik me eens een tekst van Schonck te hebben gelezen die in de door André samengestelde bibliografie van Schoncks werk niet vermeld was. Was ik het vergeten hem door te geven of verraste de publicatie van de biografie me? Daarna kennelijk ook geen aanleiding gezien om daarvan luidruchtig bericht te doen. 

Hoe dan ook, in een van de laatste jaren van de vorige eeuw deed ik (ten behoeve van het Biografisch Woordenboek Gelderland) onderzoek naar het leven en werk van de Nijmeegse notaris-dichter Lambertus Stoppendaal (1746-1815). Geen grootse schrijver, maar wel eentje die ook in nationale dichtgenootschappen present was en heel wat stukken bijdroeg aan de Vaderlandsche Letteroefeningen. Van Stoppendaal vond ik in het Album Amicorum van de musicus-componist Bartholomeus Ruloffs, bewaard in de Leidse UB, een gedicht, maar ook verzen van Schonck en Enklaar.

Schonck was rector van het Gymnasium, Enklaar was er praeceptor. Op 29 mei 1794 schreven beiden een gedicht in het Album, Enklaar op p. 50r, Schonck op 53r. Dat van Schonck luidt:

Rulofs! kon ik uwe snaaren 
Met mijn Zangen evennaeren
‘k Zong (o Welk een ruime stof!)
Uwen ongemeeten lof.
Maar, o Puik van Febus zoonen!
Wie, wie zingt met laage toonen,
Schaars bestraald met Febus gunst,
De uitgebreidheid uwer kunst!
Ik, ik durf my nauw vermeeten
U mijn kunstgenoot te heeten,
Daar ik zwak en kunstloos ben,
En voor de eer aan my geschonken
Van mede in deez’ rol te pronken
Nedrig u mijn’ dank erken.

Nymegen den E.J.B. Schonck.
29 Mey 1794

Zo op het oog een onbeduidend en plichtmatig niemendalletje dat geen opvallende plaats in het album (‘deez’ rol’ als van vriendenrol) opeist. Wat nog wel aardig is, is dat herhaalde gestotter (‘ik, ik’, ‘wie, wie’), maar verder veel terechte bescheidenheid. Bij al die (valse) bescheidenheid is van betekenis dat het hier gaat om een wedstrijd van de kunsten, zogeheten ‘paragone’: welke van de kunsten komt de hoogste rang toe? Hier buigt de poëzie voor de muziek.

Misschien stond Schoncks prinsgezinde hoofd op dat moment niet helemaal naar het maken van verzen. In Nijmegen, vestingstad, heerste een wat mismoedige stemming, misschien wel het beste verwoord in Stoppendaals bijdrage aan het Album. De Franse Revolutie had het gemunt op de Nederlanden, de Fransen zouden de vesting niet sparen en de buitenlandse legers van de stadhouder hadden hun posities in Nijmegen al ingenomen. Ze waren ingekwartierd en brutaliseerden de inwoners. – Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.