Voetnoot 145

Het kleyne Werktuyg van de pastoor van kleyn Zundert

woensdag 25 december 2019 – In twee achtereenvolgende afleveringen van Den Ontleeder der Gebreeken vertelt Weyerman over een bezoek dat hij aan het Jezuïetencollege in St. Omer zou hebben gebracht.[i]

Jan Bruggeman besprak in Voetnoot 111 de rariteitenverzameling die Weyerman er zag. Zelf had ik in Voetnoot 112 het een en ander te melden over de overhoring van een leerling in het college. Daarmee blijkt nog niet alles over het bezoek aan het college gezegd te zijn.

Aan het einde van zijn rondleiding probeert Weyermans gids hem weg te houden bij de leveranciers van het college die klagen over wanbetaling. Hij loodst hem de gastenkamer in, waar Weyerman een merkwaardig drietal treft: de Pastoor van kleyn Zundert, de Kapellaan van Hoboken, en een Bristolsche Beever. Waarom zou een quaker het Jezuïetencollege willen bezoeken? Volgens Weyerman wil hij er zijn zoontje laten zien wat hoogverraad is …

Er komt een supergrote fles rode wijn op tafel, maar helaas weet niemand die open te krijgen. Totdat de pastoor een forse kurkentrekker uit zijn zak opdiept: 

Hey hey Vriend, ik vertrouw waarlyk dat ik een kleyn Werktuyg in myn Tas heb, waar mee wy dat Nachtslot konnen ontsluyten! 
Dit gegilt hebbende stak hy de Poot in zyn Zak, en na dat hy ‘er een Getyboek, een Stuyvers Rasp, een Kamhuys van rood Turks Leer, en al zulke weereldsche Noodwendigheeden had uytgebaggert, kwam hy voor ’t ligt met een Windaas, sterk genoeg om ‘er een Boeyer mee op ’t Land te haalen, ’t geen geen gering Geschater veroorzaakte onder ’t Gezelschap.

De quaker en de pastoor kruisen vervolgens verbaal de degens over de wenselijkheid van de combinatie van een gebedenboek en een kurkentrekker in één (jas)zak. Zo stelt de quaker onder meer dat

[…] een Kurketrekker in de Tas eenes Pastoors, zo oneygen is, als een Thomas à Kempis, in de hand van een Vloerduyf [= prostituee] […].

De pastoor probeert de quaker op zijn plaats te zetten met een fabel over een leeuw en een ezel, waarin de ezel natuurlijk de quaker voorstelt maar waarvan de moraal wat in de lucht blijft hangen.

Een quaker zou in het Jezuïetencollege van St. Omer een bijzondere verschijning zijn geweest. Toch is er een goede reden waarom het juist een quaker is die de ‘battle of wits’ met de pastoor aan gaat. Weyerman heeft een passage uit The Londen Spy van Ned Ward nagevolgd, waarin bij iemand thuis, ook in een groter gezelschap, ‘two Country Parsons, and a Notable sharp Town Quaker’ in een vergelijkbare scène acteren.

Ned Ward zet het tafereel na de fabel nog een paar bladzijden voort. Bij Weyerman is er na de fabel zelfs geen ruimte meer voor het gelach van het gezelschap. Weyerman vond het kennelijk belangrijker om aan het einde van de acht pagina’s van deze aflevering van Den Ontleeder  een Advertissement voor het tweede deel van zijn eigen Historie des Pausdoms de ruimte te geven. 

Vermeldenswaardig is nog, dat in The Londen Spy dit tafereel vrijwel direct volgt op het gedicht ‘Of a Master of a Vessel’. Weyerman gebruikte dat één aflevering van Den Ontleeder later voor ‘Het karakter van N. Jeff*** Kapiteyn van een Britsche Passagie-sloep.[ii] – Jac Fuchs


[i] Den Ontleeder der Gebreeken II, nr. 35 (11 juni 1725) en nr. 36 (18 juni 1725).

[ii] Jac Fuchs, ‘Drie maritieme voetnoten bij het werk van Jacob Campo Weyerman’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 35 (2012) p. 51-58, met een aanvulling in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 38 (2015) p. 74.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.