Voetnoot 148

Over een man die met fabels strooit

donderdag 16 januari 2020 – In Den Ontleeder der Gebreeken zet Weyerman de lezer een gruwelijke fabel voor, onder de kop ‘De Dood en het Kalf:[i] 

Een ongelukkig Kalf dat tot stervens toe gewond was door de Tromp van een vergrimd Delvenaar, riep de Dood aan in ’t bitterste van zyn smert. De Dood, die zo prompt is om een Lyder de laatste knip te geeven, als een Advocaat gereet zit om een Consultatiepenning in te schokken, vloog aanstonds na den agoniseerenden Blaeter, vermaande hem tot ’t Geduld, en sprak aldus.
Uw Lyden verschiet niet met uw Leeven, ô dwaaze Kalfskop! Want na uw Dood zal een Y-vraat uw Hoofd, een Delvenaar uw Harst, een Bredanaar uw Schenkels, een Brusselaar uw Ingewanden, en een Antwerpsche Spanjaart uw Pooten opsmullen. Is ’t spel nu uit? geenszins, want dan zal Meester Beenek** uw Vel over een Trommel spannen, en de Burger-Tamboers zullen daar op zo lang robbe dobbe dop rammelen, als ‘er een stuk of lap heel aan is.

Weyerman speelt hier beslist op de man, maar op wie heeft hij het gemunt? Voor ik daar meer over zeg, wil ik naar het grotere geheel kijken. Deze aflevering van Den Ontleeder is namelijk in zijn geheel aan fabels gewijd. Centraal staat een man ‘wiens Begrip en Kennis zo wel ’t Verstand van Esopus, als desselfs Mismaaktheid, evenaarde’. Weyerman beschrijft hoe deze man op elk gespreksonderwerp met een fabel reageert. In totaal vertelt hij er vijf:

  • De Fabel van een Jongman die op ’t tipje stond om te trouwen,
  • De Fabel van een Spinnekop en het Flerecyn,
  • De Fabel van de Maan en haar Moeder,
  • Een Uyl en de Zon, en
  • De Dood en het Kalf.

Bij Weyerman en fabels denken we direct aan Jean de la Fontaine. De trots straalt van de pagina’s als Weyerman erin is geslaagd om een vertelling van De la Fontaine berijmd te vertalen. Een voorbeeld hiervan is de Nachtegaal, dat overigens geen fabel is, maar uit de Contes & nouvelles en vers van De la Fontaine komt.

Vaker echter liet Weyerman het bij een vertaling in proza en meestal noemde hij De la Fontaine dan niet als bron. Een voorbeeld daarvan is de fabel van de bok en de vos.[ii] 

Van de vijf fabels is alleen die van een Spinnekop en het Flerecyn ook bij De La Fontaine te vinden, als ‘La Goutte et l’Araignée’.[iii] Bij het fabel-orakel in Den Ontleeder heeft Weyerman volgens mij een andere bron gebruikt: ik ben ervan overtuigd dat Weyerman ditmaal Fables of Aesop, and other eminent mythologists: with morals and reflexions van Roger L’Estrange op zijn schrijftafel had liggen.[iv]

De la Fontaine en L’Estrange hebben beiden veel materiaal aan Aesopus ontleend, maar ook ander materiaal gebruikt. Zo vinden we bij L’Estrange de rubrieken ‘Aesop’s Fables’, ‘Barlandus’s Fables’, ‘Anianus’s Fables’, ‘Abstemius’s Fables’, ‘Poggius’s Fables’ en ‘Fables of several Authors’. In de laatste categorie nam hij meerdere fabels op die De la Fontaine had bedacht.

De hierboven genoemde fabel van de bok en de vos gaat op Aesopus terug en komt ook bij L’Estrange voor, als nummer 83, ‘A Fox and a Goat’. Het proza van L’Estrange is veel korter door de bocht dan de poëzie van De La Fontaine. Als we de beginregels naast elkaar zetten, is duidelijk dat Weyerman bij de fabel van de bok en de vos De La Fontaine bewerkte. Vergelijk:

  • Een Bok en een Vos hadden een Maatschappy opgeregt, […] en zy liepen altoos samen.
  • Capitaine Renard allait de Compagnie / Avec son ami Bouc […].
  • A Fox and a Goat went down by consent into a Well to drink […].

Bij L’Estrange staan de vos en de bok direct bij de put; bij La Fontaine bereiken ze ‘un puits’ aan het einde van de vierde versregel en bij Weyerman is de ‘Waterput’ zes regels gaans.[v]

In deze aflevering van Den Ontleeder wijst alles erop dat Weyerman juist de uitgave van L’Estrange gebruikte. De eerste vier fabels zijn in de bundel van L’Estrange te vinden.[vi] Bij Weyerman én L’Estrange ontbreekt bij de fabel van een Spinnekop en het Flerecyn de inleiding van De la Fontaine, die uitlegt hoe het kwam dat de spin en de jicht samen op pad gingen. In de ‘Zeedelessen’ die Weyerman bij deze fabels geeft, is het een en ander uit de ‘Morals’ en ‘Reflexions’ te vinden die L’Estrange bij de zijne gaf, al geeft Weyerman daar wel een geheel eigen draai aan.

Een verdere aanwijzing voor Weyermans gebruik van het fabelboek van L’Estrange is te vinden in de inleiding van dit nummer 41 van Den Ontleeder. Weyerman bespreekt daar kort het nut van fabels. L’Estrange gaat daar in zijn voorwoord veel uitgebreider op in. Bij hem kon Weyerman een zin vinden als:

Men that are Shot-free against all the Attaques of Honour, Conscience, Shame, Good Faith, Humanity, or Common Justice, have yet some Weak-side or other, like Achilles’s Heel, that was never dipt; and this Contrivance of Application, by Hints and Glances, is the Only way under the Heavens to Hit it.

Eén bladzijde verder komen we bij L’Estrange ook het rijtje ‘The Old Lion in Disgrace’, ‘The Fox in the Well’ en ‘The Frogs Petitioning for a King’ tegen.[vii]

Terug naar de vijfde fabel. Voor die fabel heb ik geen bron kunnen vinden. De fabelverteller haalt met deze sneer uit naar een Delftenaar die enigszins op een kalf lijkt. Deze heeft wat nare opmerkingen gemaakt over de Historie des pausdoms en wordt met deze fabel op zijn nummer gezet. Ik vermoed dat Weyerman deze uithaal naar een tijdgenoot zelf bedacht heeft, maar ik kan niet uitsluiten dat hij een bestaande fabel onherkenbaar bewerkt heeft.

Wie is Meester Beenek**? En welke Delftenaar neemt Weyerman hier op de korrel? Weyerman gebruikt de woorden ‘Delvenaar’ en ‘(Gouden) Kalf’ vaker in één adem.[viii] Mogelijk heeft hij een Delftse medicus op het oog, maar verder ben ik niet gekomen.  Als iemand het weet dan hoor ik dat graag! – Jac Fuchs


[i] Den Ontleeder der Gebreeken I, nummer 41 (17 juli 1724), p. 328.

[ii] Den Amsterdamschen Hermes I, nummer 44 (28 juli 1722). Weyerman vertaalde ‘Le Renard et le Bouc’, fabel 5 uit het derde boek van De la Fontaine.

[iii] Deze fabel staat eveneens in het derde boek en heeft daar nummer 8.

[iv] Roger L’Estrange, Fables of Aesop, and other eminent mythologists: with morals and reflexions (Londen 1692). Het was een bijzonder populair werk, waarvan in de achttiende eeuw meerdere herdrukken verschenen zijn. Van L’Estrange kenden we al Seneca’s Morals by way of abstract (Londen 1678), dat eveneens veelvuldig herdrukt werd; zie Jac Fuchs, ‘Engelse bronnen voor enkele Weyerman-geschriften Eenige letterlievende betrachtingen (1742), Redenvoering over het geheugen en Vreugdegejuygh (1744)’ in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 36 (2013), p. 44-49, aldaar p. 47.

[v] Ook het woord ‘Kompeer’, waarmee de bok de vos aanspreekt, vinden we wel bij De la Fontaine (‘compère’), maar niet bij L’Estrange.

[vi] Nummers 426 (‘A Young Fellow about to Marry’), 383 (‘A Spider and the gout’), 425 (‘The Moon begs a New Gown’) en 434 (‘The Ow land the Sun’). Ze vallen bij L’Estrange allevier in de categorie ‘Fables of several Authors’.

[vii] Toegegeven: L’Estrange noemt niet ‘De Paauw die zig beklaagt by Juno’.

[viii] Zie bijvoorbeeld De Rotterdamsche Hermes van 15 oktober 1720Den Amsterdamschen Hermes van 22 september 1722 (‘Delphos’), en Den Amsterdamschen Hermes van 4 mei 1723.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.