‘Life is a carnaval, believe it or not’

Mr. E.J.B. Schonck over carnaval in Nijmegen in 1806 – 1

donderdag 9 april 2020 – Was de Nijmeegse rector Evert Schonck in 1806 een ‘influencer’ of een roepende in de woestijn of beide? Sinds enige jaren houden zich enkele centimeters Schonck schuil in mijn boekenkast, de pamfletjes en boekjes, de editie die André Hanou in 2006 bezorgde van De Bonheurs uit de mode en de monografie van J.A. Kolkhuis Tanke uit 1963.

Deze centimeters zwegen, omdat er veel tégen Schonck pleitte. Ga maar na: hij was een prinsenvriend en zelfs pleit- en tekstbezorger André Hanou schreef nu en dan lelijk over Schonck. Hij veronderstelde in zijn editie dat Schonck misschien ‘toch zelf een beetje teveel: Nijmeegs’ was. Verder beweerde Hanou dat de Schonckstraat in Nijmegen een doodlopende straat was. Symbolisch! 

De Schonckstraat loopt waarachtig niet dood. En Schonck werd in de loop van de tijd ‘Nijmegenaar van begeerte’, maar bleef Latinist en dichter met een nationaal publiek. Hoezo ‘teveel Nijmeegs’? ‘Influencer’: soms, ‘roepende in de woestijn’, zeker niet.

Een van de pamfletjes van Schonck die op lectuur wachtte, was Het masker der waereld, naar het hedendaagsch toneel geschetst, ‘Uitgesproken op den dag der Carnavals Vermaakelijkheden, binnen Nijmegen’. Uitgave te Nijmegen, bij J.C. Vieweg in 1806. Het telt 32 bladzijden en bestaat uit 73 zesregelige strofen.

Heel kenmerkend voor het werk van Schonck is zijn voorliefde voor ellenlange noten. In zijn bekendste werk, De vermakelyke slaa-tuintjes uit 1775, vormen de noten in zekere zin de kern van het werk: een onbetekenend versje wordt bedolven onder geleerde noten en zo spot Schonck niet alleen met de gebrekkige smaak van Latinisten maar ook met hun ziekelijke voorliefde voor noten en varianten. Ik geloof dat de noten bij Het masker der waereld die spottende functie missen, maar misschien was het maken van noten een tweede natuur van Schonck geworden en veranderde spot ongemerkt in ernst.

Jan de Vet oordeelde in zijn Schonck-lemma in het Biografisch woordenboek Gelderland (deel 5) negatief over deze tekst, ‘pure moralisatie’ heette het vonnis. Kolkhuis Tanke vond de tekst ‘niet onaardig’ en citeerde zo’n dertig strofen. Van dat gulhartig citeren en die vlotte oordelen wordt niemand heel veel wijzer.

De tekst opent met een in het Latijn gesteld raadsel, ‘Larvae Aenigma’’, een twaalfregelig vers, dat zonder bronvermelding is afgedrukt, maar waarvan de dader Richard Porson (1759-1808) schijnt te zijn. Via google vond ik de tekst van het raadsel, met de naam van professor Porson, in tijdschriften van ruim na 1806 afgedrukt, blijkbaar was Schonck al eerder bekend met het gedicht. De precieze toepassing van dit raadsel – een motto en leesaanwijzing – vraagt nadere studie.

De titel van Schoncks gedicht belooft heuse satire: ontmaskering van de moderne wereld. Het masker is niet alleen het wapen van de satiricus – de schrijver hult zich in het masker van spotternij -, maar ook mikpunt van spot. De maskerade van de satiricus – even niet de rector van de Latijnse School in Nijmegen, maar retor bij gelegenheid van carnaval – kan vreemd genoeg juist helpen bij de ontmaskering, met het aantonen van bedrog en de ware aard die aan het zicht onttrokken is. De gemaskerde ontmaskert! Zorro!

De ondertitel ‘naar het hedendaagsch Toneel geschetst’ lijkt te verwijzen naar modern toneel, maar in de zevende en achtste strofen wordt de ware betekenis duidelijk. In de zevende gaat het over ‘Athenes Schouwtoneelen’, echt toneel dus waar de acteurs zich bedekten ‘met mom en greins’, terwijl het in de achtste over ‘het groot toneel’ gaat, waar mannen en vrouwen verschijnen, ‘met een mom voorzien’, dat is het moderne dagelijkse leven.

Schonck beweert dat iedereen in het moderne leven toneel speelt, gemaskerd gaat, en zijn 73 strofen bieden een tableau van moderne oneigenlijkheden. Aanleiding van zijn satire is het Nijmeegs carnaval, waarbij men maskers ‘neemt te baat’ en ‘zich, als zotten, gaat verkleeden, en verbergen ’t echt gelaat’. Geen carnavalsprins, geen omgekeerde wereld, nee alleen maskerade en verkleding. Volgens is dat carnavaleske gedrag ‘heden’ overbodig, omdat de mens ‘alle daagen’ gebruik maakt van ‘valschen schijn’. Carnaval is dus zinloos als uitzondering, het is regel. ‘Life is a carnival, believe it or not’, het nummer van The Band wil me nu al enkele dagen niet uit het hoofd.

Wat in het gedicht opvalt, is dat de relatie tussen carnaval en katholicisme niet gelegd wordt. Bij een vertegenwoordiger van de protestantse elite, de rector van de Latijnse School was dat, had men op enig anti-papistisch dédain mogen rekenen. Ook ontbreekt hier de gebruikelijke neerbuigendheid van intellectuelen voor volks vermaak.

Een volgende keer meer over de andere strofen, over de noten, over Rembrandt, over kaalhoofdigheid, over het benarde vaderland en over het merkwaardig slot. Heel wat meer, hoop ik, dan ‘pure moralisatie’! – Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.