Ambivalentie bij vader en zoon Adams tegenover Nederland

dinsdag, 14 april 2020 – In de tijd dat hij Congreslid was, vertelde John Adams, later de tweede president van de Verenigde Staten, zijn kinderen gloedvol over de opstand van de Nederlanders tegen Spanje. Hij zag de Nederlandse Republiek als voorbeeld voor de Amerikaanse vrijheidsstrijders. Een even geliefd onderwerp was dat Nederland een toevluchtsoord was geweest voor hun voorvaderen, de Pilgrim Fathers. Dat laatste is memorabel in dit jaar waarin we herdenken dat de Pilgrims juist 400 jaar geleden vanuit Leiden naar Amerika vertrokken, waaraan ook in mijn bijdrage van 26 maart jl. werd herinnerd.

Adams kwam in 1780 naar de Republiek om leningen voor de jonge Verenigde Staten te plaatsen bij de Amsterdamse bankiers. Ook al waren de meeste bankiers patriots en pro-Amerikaans, toch moest hij daar erg veel moeite voor doen. Dat leidde bij Adams tot grote teleurstelling, en daardoor tot ambivalentie tegenover de daarvoor vereerde Nederlanders die hij in brieven aan zijn vaderland van hebzucht en vrekkigheid beschuldigde, een volk ‘altijd bezig met stuivers en duiten’.[1]

Hij zag in dat erkenning van de Verenigde Staten door de Staten-Generaal een voorwaarde was voor het verkrijgen van leningen. Hij zette zich over zijn verbittering heen en schreef een zeer positief getoonzette pleitnota voor de erkenning, Zijn nota van april 1781 begon hij met de stelling dat tussen beide republieken een natuurlijk bondgenootschap gesloten kon worden en vervolgens maakte hij politiek gebruik van de herinnering aan de Pilgrim Fathers. 

De eerste pioniers in de noordelijke staten hebben altijd een dankbare herinnering bewaard, en op het nageslacht overgebracht, een herinnering aan de bescherming en gastvrijheid, en bovenal aan die bewonderenswaardige godsdienstvrijheid, die zij hier vonden, en in Engeland tevergeefs gezocht hadden.[2]

Opnieuw moest hij een grote teleurstelling verwerken, toen de Staten-Generaal zijn verzoek niet in ontvangst wilden nemen. Na de afwijzing van zijn verzoek ging Adams over tot een voor die tijd geweldig waagstuk. Hij liet de uitgever Johan Luzac uit Leiden zijn memorie in brochurevorm in het Frans, Engels en Nederlands drukken. Duizenden exemplaren werden in de eerste dagen van mei 1781 in het hele land verspreid. Zo deed hij als het ware een beroep op het volk. Dat was een zeer ongebruikelijke stap voor een diplomaat, zeker in die tijd. Zelf noemde hij het een vorm van militie-diplomatie. 

Adams putte moed uit het meest geruchtmakende pamflet in de Nederlandse geschiedenis dat in september 1781 verscheen: Aan het Volk van Nederland. Pas veel later werd bekend, dat het pamflet was geschreven door de patriottenleider Joan Derk van der Capellen tot den Pol. Het pamflet besteedde aandacht aan de Amerikaanse vrijheidsoorlog en aan de wenselijkheid om de Verenigde Staten te erkennen. Pikant is een briefje waarmee Van der Capellen Adams persoonlijk op deze passage in het anonieme pamflet attendeerde. Van der Capellen noemde het pamflet een donderslag en sprak zijn vrees uit dat het de auteur van het anonieme geschrift de kop kon kosten als zijn naam bekend zou worden. 

In het hele land kwamen de pennen in beweging en vele op erkenning van de VS gerichte rekwesten werden ingediend; in april 1782 kwam de erkenning door de Staten-Generaal tot stand. Zelfs daarna verliepen de onderhandelingen met de bankiers nog steeds uiterst stroef. Adams voelde zich dan ook als ‘een drenkeling in de oceaan vechtend voor zijn leven te midden van een school haaien’.[3] Toch kon hij in de zomer van 1782 een eerste omvangrijke lening afsluiten bij een consortium van drie Amsterdamse bankiersfirma’s. 

Bij de daaropvolgende onderhandelingen over een verdrag van vriendschap en handel met de Republiek moest Adams opnieuw een teleurstelling incasseren. Denkend aan de Pilgrim Fathers had hij een artikel over volledige godsdienstvrijheid geformuleerd, hij moest daar echter tegen zijn zin een beperking in opnemen omdat ‘de wetten hier niet toestaan dat de rooms-katholieken klokkentorens op hun kerken hebben’.[4]

In de loop van de tijd zou de ambivalentie van Adams sterker worden. Na de nederlaag van de patriotten in 1787 distantieerde hij zich steeds meer van het patriotse kamp, vooral omdat hij hun nederlaag toeschreef aan hun verdeeldheid. Later stond het hem niet aan dat de Bataafse Republiek in zijn ogen te veel in het Franse vaarwater terecht kwam, terwijl hijzelf zich steeds meer van het eertijds bevriende Frankrijk afwendde en zelfs vijandig tegenover dat land kwam te staan.  

John Quincy Adams, later de zesde president van de Verenigde Staten, was in 1780 met zijn vader meegekomen naar Europa en studeerde een half jaar in Leiden. Hem was in zijn vroege jeugd in Amerika de verering voor Nederland met de paplepel ingegoten, maar hij toonde zich na kennismaking met de Nederlanders nog kritischer tegenover ons land dan zijn vader. Als ambassadeur in Den Haag uitte hij in 1796 in een rapport scherpe kritiek op de Bataven die volgens hem hun zelfstandigheid verloren hadden en zich zeer onderdanig gedroegen ten opzichte van Frankrijk. Een diplomatieke rel was het gevolg.

Teruggekeerd in Amerika bleef John Quincy Adams wel grote belangstelling voor Nederland houden. In 1802 hield hij als nieuwgekozen senator van de staat Massachusetts een rede voor een gezelschap van afstammelingen van de Pilgrim Fathers. Voor deze gelegenheid had hij zich ook nog eens ter dege verdiept in het verblijf van de Pilgrims in Leiden. Zo refereerde hij zelfs aan de kerkelijke disputen tussen de Leidse hoogleraren Simon Episcopius en Johannes Polyander, woordvoerders van de remonstranten en contraremonstranten, waarbij de Pilgrims-dominee Robinson duidelijk partij koos en verschillende malen tegen Episcopius in het krijt trad.  

Zijn ambivalentie tussen respect en scherpe kritiek bleef bestaan, ook nadat Nederland uit de Franse invloedssfeer was geraakt. Toen het onafhankelijke Nederland in 1813 na de Franse inlijving van de weeromstuit bescherming van de Britse paraplu zocht, schreef John Quincy, in die tijd Amerikaans ambassadeur in Rusland, zeer kritisch dat het erop leek dat Holland ‘zowel materieel als formeel een aanhangsel van het Britse Rijk wordt’.[5] Ook nu weer vond hij dat de Nederlanders zich na hun glorierijke verleden veel te afhankelijk en onderdanig gedroegen.  

Vader Adams zou ondanks zijn eveneens ambivalentie houding tegenover Nederland toch altijd de beginjaren van zijn verblijf in Amsterdam, Leiden en Den Haag als een van de belangrijkste perioden van zijn leven kenschetsen. Hij was er trots op de basis te hebben gelegd voor de stevige financiële relatie tussen Nederland en de VS en toonde zich verontwaardigd als het belang daarvan door zijn politieke tegenstanders in twijfel werd getrokken. – Jan Postma

¶ Op de twee portretten hierboven zijn John Quincy en John Adams afgebeeld (coll. National Park Gallery). De eerste illustratie is een portret van John Quincy, ‘by an unknown artist after John Singleton Copley’ (1796), de tweede is een portret van John Adams, door Jane Stuart (ca. 1824).


[1] John Adams aan Abigail Adams, dd. 18 december 1780, in: L.H. Butterfield e.a. (eds.), Adams family correspondence, deel 4 (Cambridge Mass. 1973), p. 35.

[2] F.W. van Wijk, De Republiek en Amerika 1776-1782 (Leiden 1921), p. 133.

[3] John Adams aan Robert Livingstone, dd. 16 mei 1782, in: Papers of John Adams, deel 13 (digitale editie).

[4] Van Wijk, p. 172.

[5] W.C. Ford (ed.), Writings of J.Q. Adams, deel 5 (New York 1913), p. 10.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.