Voetnoot 159

Een vermakelyk Vertoog over de Kastanjetten

donderdag 30 april 2020 – Tweemaal schrijft Weyerman in zijn tijdschrift Den Ontleeder der Gebreeken over castagnetten: in aflevering 14 en aflevering 43 van het eerste deel.[1]

Weyerman vertelt in de eerste tekst dat de Romeinen de uitvinders zijn geweest van de castagnetten. Samen met cymbalen vormden zij de belangrijkste muziekinstrumenten bij feesten ter ere van Priapus. De kerkvader Clemens Alexandrinus (150-215) wilde de castagnetten verbieden, omdat men bij de muziek sensuele bewegingen maakte, maar de Spaanse dansmeesters waren van mening dat men geen folie d’Espagne kon dansen zonder castagnetten.

Weyerman zou Weyerman niet zijn als hij deze korte uiteenzetting niet zou besluiten met een erotische opmerking, waarin hij een frivole overeenkomst maakt tussen oesters en castagnetten.

Maar laat die Hennep-diadeem ons niet diverteeren van ’t Vertoog der Kastanjetten, die Strabo §Oesterschelpen noemt, en laat ons ’er dit nog byvoegen, als een Toemaatje voor de Juffers; dat ’er een groote overeenkomst is, tusschen Oesters en tusschen Kastanjetten, want als wanneer men door den Sleutel van een stomp Oestermes het zilte Vischje heeft op gestooken en op gesmult, dan vereert men de Schelpen aan de Armen, en als wanneer een galant Man, door de weêrstuit van een paar gemusqueerde Kastanjetten het knipslotje des Huuwelyks heeft geopent by vervroeging, dan schenkt hy de leege doppen aan een Kamerknegt, en hy hangt de Kastanjetten aan de Balk, als een Zegenpraal van die slakachtige Overwinning.[2]
§ ῎Οςρακον.

Voor deze tekst had Weyerman genoeg aan het lemma ‘Castagnettes’ in Le grand dictionaire.[3] Hier staat alles wat we in zijn tekst kunnen lezen. Weyerman vergist zich echter wel. Hij schrijft dat Strabo de castagnetten oesterschelpen noemt, maar dat moet Aristophanes zijn.[4] In de beroemde komedie Kikkers staat:

ποῦ ‘στιν ἡ τοῖς ὀστράκοις αὕτη κροτοῦσα

De Amerikaanse classicus Matthew Dillon vertaalt het aldus:

Where’s the girl who clacks the castanets?[5]

In Le grand dictionaire staat keurig: ‘Aristophane les apelle οςρακον, comme qui diroit des coquilles d’huitre’. (Aristophanes noemt ze ostrakon, oftewel oesterschelpen.) Ik kan niet verklaren waarom Weyerman hier Strabo heeft geschreven.

Een goed half jaar later verschijnt in aflevering 43 de tweede tekst over de castagnetten. Deze is veel uitgebreider. Ook nu maakt Weyerman gebruik van het lemma uit Le grand dictionaire. Het motto van de aflevering, ontleend aan het 26e epigram uit de Carmina Priapea staat ook in het lemma. Weyerman herhaalt en breidt uit. Voor de tweede keer vertelt hij het verhaal over Hercules, die de Stymphalische vogels niet verjoeg met zijn pijlen, maar met het geluid van castagnetten. Nieuw zijn de citaten van Juvenalis en Arnobius, die uit het lemma worden overgenomen.

In de eerste tekst had Weyerman gezegd dat de muziek van castagnetten heel veel meisjes betovert. In de tweede tekst komt hij met twee voorbeelden daarvan. 

In ‘Een Wonderwerk der Kastanjetten’ vertelt Weyerman over Madame Miau, Miau, die zich op het bal van Milord Poes Poes volledig laat meeslepen door het spel van de castagnetten.[6] Zij 

wierd zo bloedlaauw als een Nonnetjes Duif in de Zaaityd, de Liefde-geinsters stooven uit haar verlangende blikken, en haar Galant won door een paar yvoore Kastanjetten, een yvoore Boezem, een yvoore Venus, en een yvoore et Cetera.[7]

In ‘Een tweede Wonderwerk der Kastanjetten’ gaat het over Mejuffrouw Mattamosco, die altijd een oppassend leven leidde, maar op het bal van ‘een geruineerde Baronnesse’ helemaal bekoord raakte door de muziek van de castagnetten.[8] Nog diezelfde avond gaf zij ‘haar onverzeerde Tederheid’ over aan de man die een folie d’Espagne danste, terwijl hij zichzelf begeleidde met castagnetten. 

Ik heb een poging ondernomen om de twee anekdotes terug te vinden, maar ik ben hier niet in geslaagd. Misschien zijn de namen cryptische omschrijvingen voor bestaande personen, maar ik doorzie niet wie Weyerman bedoelt. Mogelijk herinnerde Weyerman zich dat hij een half jaar eerder geschreven had dat de muziek van castagnetten jonge vrouwen betovert. Daarna las of hoorde hij de twee anekdotes, waarna hij voor de tweede keer het onderwerp aansneed in zijn tijdschrift Den Ontleeder der Gebreeken. – Jan Bruggeman


[1] Den Ontleeder der Gebreeken, dl.1, afl. 14 (10 januari 1724), p. 109-110 en afl. 43 (31 juli 1724), p. 338-343.

[2] Den Ontleeder der Gebreeken, dl.1, afl. 14 (10 januari 1724), p. 110.

[3] Supplement aux anciennes editions du grand dictionaire historique de Mre. Louis Moreri (Amsterdam, Den Haag, Utrecht 1716), p. 414. Er is ook een lemma ‘Crotale’, maar de tekst hiervan staat ook bij het lemma ‘Castagnettes’.

[4] Weyerman neemt wel het woord ‘῎Οςρακον’ in zijn voetnoot over. Zowel bij Le grand dictionaire als bij Weyerman ontbreekt de ‘τ’ in het woord. Ὀστράκοις kan zowel potscherven als oesterschelpen betekenen. Met dank aan Jac Fuchs, die mij de weg wees naar de juiste uitgave van Le grand dictionaire en de oplossing van het probleem.

[5] De Griekse tekst en de Engelse vertaling heb ik ontleend aan de website Perseus Digital Library. http://www.perseus.tufts.edu/hopper/

[6] De tekst van ‘Een Wonderwerk der Kastanjetten’ werd ook voorgelezen tijdens de opening van de grondvergadering van 2012. 

[7] Den Ontleeder der Gebreeken, dl.1, afl. 43 (31 juli 1724), p. 341.

[8] Weyerman legt uit dat Mattamosco een kruid is ‘genoemt de Vliegen-Moorder’. Het Spaanse woord matamoscas betekent zowel vliegenmepper als vliegenzwam. Het rode vlies op de hoed van de zwam bevat de stof muscarine, waarvan een vliegendodend middel gemaakt zou kunnen worden.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.