Voetnoot 161

Graaf Emanuel Schats ontmaskerd

donderdag 21 mei 2020 – Voetnoot 160, waarin Jan Bruggeman een geweldige vondst presenteerde, heb ik even moeten laten bezinken, maar een dag later kreeg ik een ingeving.[1] Jan liet zien dat Weyerman een vertoog had overgenomen uit het werk van Emanuele Tesauro (zijn naam werd ook wel gelatiniseerd tot Thesaurus), en ‘tesoro’ is Italiaans voor ‘schat’. 

Ik herinnerde me dat Weyerman een Latijns gedicht van ‘den Graaf Emanuel Schats’ vertaald had. In de voetsporen van onder anderen André Hanou en Elly Groenenboom had ik vergeefs gezocht naar deze auteur en zijn werk.[2] Zou het om een werk van Emanuele Tesauro gaan en had Weyerman die naam gewoon verdietst?

Het gedicht van Weyerman kon ik eenvoudig terugvinden. Het gaat om ‘LOTH’s HUYSVROUW, verandert in een Zoutpilaar’, dat te vinden is op p. 106-109 van de Godgeleerde, Zeedekundige en Historiesche Bedenkingen over den Text der Spreuken Salomons, een van de twee traktaatjes tegen sodomie uit 1730.[3] Weyerman had het gedicht achterin dit werk toegevoegd ‘Dewyl’er nog eenige bladzyden overschieten’.

Het vermoeden dat ik op zoek moest naar een in het Latijn geschreven gedicht van Emanuele Tesauro, maakte het zoeken ditmaal relatief eenvoudig. Ik vond het gedicht ‘Lothi uxor  Metamorphosis’ van zijn hand. Het staat niet in het door Jan gevonden werk, maar ik trof het in drie andere werken van Tesauro aan.

Om te beginnen is daar de Patriarchae sive Christi Salvatoris Genealogia, waarin de vrouw van Lot op p. 51-52 wordt genoemd.[4] Het gedicht blijkt deel uit te maken van een cyclus van gedichten op een reeks bijbelse personen die zich op de genealogische lijn van Adam naar Christus bevinden.

Die reeks gedichten is ook te vinden in de Elogia patriarcharum & Christi Jesu Dei hominis (Mainz, 1665).[5] Op de titelpagina hiervan wordt de Jezuïet Aloysius Juglaris als co-auteur genoemd.

De cyclus is later ook nog opgenomen in D. Emanuelis Thesauri comitis, et maiorum insignium equitis INSCRIPTIONES;[6] De vijfde druk van de Inscriptiones (Turijn 1670) is het bekijken waard vanwege het portret van Tesauro, dat direct na de titelpagina volgt.

Weyerman heeft ‘Lothi uxor Metamorphosis’ niet één, maar twee keer vertaald. Bijna tien jaar voor de besproken vertaling nam hij een vergelijkbare tekst op in de Rotterdamsche Hermes.[7]  De opbouw van beide versies is identiek. Sommige regels komen zelfs letterlijk overeen, zoals de verbaasde uitroep ‘Een Vrou, en sprakeloos! Een Vrou, en stil te zwygen!’.[8] In beide versies volgt daarop een verwijzing naar Gorgons hoofd en naar de Ciconese bron. Tot en met de oproep aan de reiziger, in de laatste regel, om dit zout, zo hij kan, te mijden, verschillen beide versies niet wezenlijk van elkaar.

Zowel op de titelpagina van de Patriarchae als op die van de Inscriptiones wordt Tesauro ‘comes’ en ‘eques’ genoemd. Bij de Elogia is dat niet het geval, maar staan die titels verderop in het boek genoemd. Emanuele Tesauro (1592-1675) lijkt inderdaad recht te hebben gehad op de grafelijke titel. Hij stamde uit een vooraanstaand Turijns geslacht met adellijke aanspraken. 

Zijn filosofische en literaire werken stonden in hoog aanzien. Hij werd geschoold als Jezuïet. Ook nadat hij die orde in 1634 had verlaten, bleef hij priester. Formeel kan hij dus niet worden toegevoegd aan het rijtje van Jezuïeten uit wier werk Weyerman met instemming citeerde, maar een overtuigd katholiek zal hij zeker geweest zijn.[9]

Een vondst als deze stemt tot tevredenheid, maar roept doorgaans ook weer nieuwe vragen op.

Zou Weyerman de katholieke geur van de tekst hebben willen versluieren door de auteursnaam te vertalen? Weyerman vermeldde zelden welke auteur hij parafraseerde. En als hij iets te verbergen had, dan had hij zijn verantwoording gewoon weg kunnen laten. Het lijkt er dus eerder op dat hij de naam zomaar uit het Latijn terugvertaald heeft. Of misschien wilde hij een knipoog geven aan de paar lezers die een ruime kennis hadden van Neolatijnse gedichten.

En ook: hoe kwam het dat Weyerman in 1720 en 1730 bekend blijkt te zijn met een religieus gedicht in het Latijn van een auteur waarvan hij rond 1725 een filosofisch werk voor zijn periodieken gebruikt? De vrouw van Lot lijkt tussen Weyermans overige lectuur voor zover we die nu kennen, een buitenbeentje te zijn. Jan Bruggeman en ik hebben er even over gesproken. We denken dat het niet heel aannemelijk is dat het gedicht aan Weyerman is voorgelegd tijdens de theologiestudie die hij in Utrecht zou hebben ondernomen. Dan denken we er toch eerder de hand in te zien van de bijzonder erudiete dominee Santvoort, die Weyerman kennis van klassieke en antieke talen heeft bijgebracht.[10]  Zou de dominee zulke teksten als oefenstof aan zijn studenten voorgelegd hebben? – Jac Fuchs


[1] Mijn oprechte dank aan Jan Bruggeman, die inhoud en vorm van deze voetnoot met mij heeft doorgesproken, en bovendien voorstelde om mijn voetnoot eerder te laten plaatsen dan de onthullingen over Tesauro-ontleningen die hij nog in portefeuille heeft.

[2] André Hanou, ‘De boeken tegen de naamloze zonde’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 1 (1978), p. 23-26, aldaar p. 26; Elly Groenenboom-Draai, De Rotterdamse Woelreus  De Rotterdamsche Hermes (1720-’21) van Jacob Campo Weyerman: Cultuurhistorische verkenningen in een achttiende-eeuwse periodiek (Amsterdam/Atlanta 1994), p. 541; Jac Fuchs, ‘Weyermans Godgeleerde, zeedekundige en historiesche bedenkingen (1730)’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 36 (2013), p. 160-168, aldaar p. 165.

[3] In feite gaat het om p. 114-117, omdat er in dit werk tussen de pagina’s 64 en 65 een katern is toegevoegd met de paginering *57-*64.

[4] De link wijst naar een Milanese druk uit 1652, maar de door de drukker ondertekende opdracht is 1644 gedateerd. WorldCat geeft geen oudere druk dan deze.

[5] Dit lijkt een eerste druk te zijn. Van dit werk heb ik geen spoor van een eerdere Italiaanse uitgave gevonden.

[6] Deze link is naar een derde druk: Rome 1667. Er is in Google Books nog een tweede druk (Turijn 1666) te vinden, maar daarbij lukt het niet direct naar de juiste pagina te springen. De eerste druk werd ook in 1666 in Turijn gedrukt.

[7] De Rotterdamsche Hermes nr. 18 (21 november 1720), p. 87.

[8] Bij Tesauro: ‘Nisi prodigium videretur / Foeminam esse, & tacere’.

[9] Van meerdere werken van Tesauro wordt gezegd dat ze pas jaren na hun ontstaan in druk zijn verschenen.

[10] Jan Bruggeman, ‘Dominee Petrus Santvoort  Leermeester van Jacob Campo Weyerman’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 27 (2004), p. 71-77.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.