Voetnoot 164

Armoede en de Dichtkunde

vrijdag 26 juni 2020 – In de derde aflevering van Den Laplandschen Tovertrommel is het thema: de Dichtkunde.[1] Weyerman pretendeert er te improviseren. (De auteur van) den Amsterdamschen Hermes, zo zegt hij, heeft de lezers al wel veel ‘geestryke vindingen’ voorgezet, maar de koek is nog niet op: de schrijver van de Tovertrommel doet niet voor hem onder, en schudt de verrassende gedachten en leesbare stukjes ook zo uit zijn mouw. Voor die aflevering zijn dat een Vertoog over de Dichtkunde (waarvoor hij leentjebuur speelde bij Owen Felltham) en drie gedichten.

Vijf jaar geleden gaf ik in de Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman mijn visie op de Tovertrommel.[2] Uiteraard gaf ik bij dat artikel ook een overzicht van de teksten die op anderstalige bronnen gebaseerd zijn. Destijds had ik alleen in het tweede gedicht, ‘Op het eerste toeval van de Voetjicht’, een bewerking van een Engels voorbeeld herkend. Het eerste gedicht, ‘Armoede en de Dichtkunde’, leek, mede door een aantal verwijzingen naar dichtende tijdgenoten, een volledig eigen idee van Weyerman.

Het begint met een verwijzing naar de magische uitwerking van de gezangen van Amphion. Zo maken Weyermans landgenoten hun gedichten niet meer, ze bouwen alleen nog luchtkastelen … Weyerman schroomt niet om een aantal van die rijmelaars herkenbaar neer te zetten: 

De Ridder-orde van Apollo’s lauwertelgen,
Is binnen ’t hoog bestek eens vlierings nu gevaamt,
Ja dus vernedert, dat Nout Koekoek, hoog befaamt
Door ’t hulsel van den stier, geen flesje wyn durft zwelgen
Voor dat den wynwaard van ter zy
Hem nu en dan geeft vrygely.
[…]
En Huyb den boer denkt zich ten overvloed beloont,
Wanneer een medeboer dien sul met groente kroont.

Hubert Poot was al jaren dood, maar Arnold Willis had samen met Kornelis van Koeverden nét de Dichtlievende Ledigheit het licht laten zien.

Doordat Weyerman diverse landgenoten ten tonele voert, oogt het gedicht als een geheel eigen vinding. Daarop valt echter wel wat af te dingen: alle beelden erin, van Amphion die aan het begin dieren laat dansen, via de luchtkastelen, de Helicon, de advocaat en de Phar(a)o tot aan de invalide soldaat aan het slot, zijn – net als de titel – overgenomen van ‘Poverty and Poetry’ van William Broome (1689-1745).

Broome is vooral bekend gebleven vanwege zijn medewerking aan de Odyssee-vertaling van Alexander Pope. Zijn Poems on several occasions, waar het gedicht in opgenomen was, verscheen in 1727, maar ‘Poverty and Poetry’ was al eerder gepubliceerd in Poems on several occasions by His Grace the Duke of Buckingham […] and other eminent hands (1717) en in de derde druk van het tweede deel van Miscellaneous poems and translations, by several hands (1720).[3]

Ik vermoed dat Weyerman voor ‘Poverty and Poetry’ Miscellaneous poems and translations (deel 2) uit 1720 in handen heeft gehad. Alleen in díe bundel is ook ‘On the first fit of the gout’ te vinden, dat zijn voorbeeld was voor ‘Op het eerste toeval van de Voetjicht’.[4] Dat gedicht staat er op naam van Elisha Fenton, die al door Jan Bruggeman als de auteur ervan was genoemd.[5]

Een model voor het derde gedicht, ‘Klinkdicht aan mevrouw Oeveraas’, trof ik in deze drie bundels helaas niet aan, en ook daarbuiten heb ik het nog niet gevonden. Maar ik vermoed dat het er moet zijn geweest, en blijf er naar uitkijken. – Jac Fuchs


[1] Den Laplandschen Tovertrommel nummer 3 (16 juli 1731).

[2] Jac Fuchs, ‘Weyermans Laplandschen Tovertrommel (1731): een chantageblaadje?’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 38 (2015), p. 10-25.

[3] Zowel de Poems on several occasions van Broome als deze beide publicaties werden door Bernard Lintot in Londen uitgegeven.

[4] In de Poems on several occasions uit 1717 komt weliswaar het epigram van Maynard voor dat Weyerman tweemaal gebruikte, maar in die bundel wordt de naam van de dichter als Maynard geschreven, en niet als F. Mainard of Meinard de Thoulouse, zoals Weyerman de naam schreef. Zie Voetnoot 147 van Jan Bruggeman.

[5] Ik vond het tussen de werken van Thomas Brown, maar vermoedelijk is het van de hand van Elisha Fenton. Zie daarover de laatste eindnoot in Voetnoot 121 van Jan Bruggeman.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.