Carnaval in Abdera

Weyerman herinnert zich vastenavondsvermaak in Breda in 1707

woensdag 17 juni 2020 – Op maandag 4 maart 1726 verscheen de 20e aflevering van Den Echo des Weerelds, de eerste jaargang. Over die aflevering, gewijd aan een carnavalsavond in Breda in 1707, wil ik het hier hebben. De beschrijving van een ‘Abderietsche Vasten-avont’ verdient nadere bekendheid en bestudering.

Den Echo is het zoveelste tijdschrift van ‘Jakob Campo Weyerman’, zoals hij zich op de titelpagina van de gebonden jaargang presenteerde. In het tijdschrift zelf, in nummer 6  van 26 november 1725 bijvoorbeeld, liet hij zich ‘Kampo, Kampo’ noemen, later andermaal, maar nooit Weyerman. Of dat verschil – Weyerman de auteur, Campo of Kampo het personage – door veel lezers bij en na het lezen ook gemaakt werd? Vermoedelijk niet, maar het is desondanks opvallend dat Weyerman een poging onderneemt om zich in zijn tijdschrift als personage (doorzichtig) te maskeren als iemand die net iets anders is.

Overigens is het misschien wel goed om de suggestie, onlangs door Bas Jongenelen in een filmpje over de Rotterdamsche Hermes gedaan, als zouden de weekbladen van Weyerman niet erg succesvol zijn geweest, krachtig te weerspreken. Veel van zijn tijdschriften maakten de jaargang vol, soms zelfs twee jaargangen, en dat was een kenmerk van succes. Het einde van een jaargang was een logische caesuur: dan kon de jaargang gebundeld worden, met een titelblad, een voorrede, en nu als boek een tweede leven krijgen in de boekhandel.

‘Roe des Tuchtheers’
In het bijzonder in Den Echo des Weerelds (1725-1727) en voorganger Den Ontleeder der Gebreeken (1723-1725) is Weyerman op zijn best. Zoals het nijvere detectivebureau Bruggeman & Fuchs heeft laten zien, putte Weyerman voor de vele afleveringen gretig uit Britse en Franse bronnen. Wat hij elders vindt en vertaalt, eigent hij zich stilistisch toe en dat krijgt zo een plaats in de satirische beschrijving (in afleveringen) van de eigen tijd. Meer dan eens put Weyerman ook uit zijn eigen leven. Daarvan lijkt sprake in de 20e aflevering van Den Echo.

In de negentiende aflevering, een week ervoor dus, beloofde hij ‘toekomende maandag een Redenvoering over het Kussen’, maar die belofte loste hij pas veertien dagen later in. De herinnering aan het carnaval drong dus voor.

Weyerman laat merken dat hij zich bewust is van de verbondenheid van carnaval met het vasten. Niet alleen door de aanduiding ‘Vasten-avont’, maar ook door een typering van ‘Assche Woensdag’ als ‘het Lyk van den overleeden Vasten-avont’. In zijn inleiding tot de ‘Beschryving’ van een dolle avond in 1707 zegt hij waarover hij niet gaat schrijven – en wat hij desondanks memoreert. Dus niet over de ‘Wafels, Spritsen, en Pannekoeken’, waaraan het vierend volk zich vol vreet, om zich zo te wapenen ‘tegens de toekomende Vasten-Maatigheyt’. Weyerman beweert zich in zijn beschrijving van de carnavalsavond te ontwapenen en de ‘Roe des Tuchtheers’ neer te leggen om zijn lezers ‘te amuseeren en te diverteeren’ met sprookjes. Met deze opmerking ontwapent Weyerman vooral zijn lezers, die denken even minder op hun hoede te hoeven zijn, maar wie de vos kent, zal op diens streken blijven rekenen.

Rondgang door Abdera
Centrum van het carnavalsvermaak is de Grote Markt van Breda en dan in het bijzonder het ‘deerlyk Gebouw’, waarvan het bovenste deel ingenomen werd door de gildebroeders van ‘de kamer van Vreugdendaal’ en het onderste deel ruimte bood aan ‘een Brandewyns Kroeg’. De kamer van Vreugdendaal was een rederijkerkamer, maar van de daar verzamelde dichters (‘Kabouters’) heeft hij geen hoge pet op. Het smullen ging hen beter af dan het vasten. Vreugdendaal hield open huis ‘op den eerste, tweede, en derde Dag van den Vasten-avont des Jaars Zeventien hondert en zeven’. 

Die dagen was Weyerman nog net geen dertig jaar, maar geteisterd door ‘een gemaatigde Maartsche warmte’ in zijn bloed mikte hij die dagen slechts op de verovering van ‘een Maitres’. Bij de rondgang door Abdera, zoals hij Breda noemde, was het noodzaak om verkleed te verschijnen: hij trok een ‘Spaansche Broek en Wambes’ aan, ‘twee Pond en een half Paruyk’ en een ‘Suykerbroods Hoed op ’t wufte Hoofd’. In het eerste huis dat hij bezocht, dat van ‘madame Stik**’, was het druk van de gemaskerde mannen en vrouwen. Benauwdheid maakte dat hij snel vertrok. 

Bij het passeren van de deur van de ‘Heer Krullip’ herkende eigenaar Krullip, toen die iemand uitliet, de passerende held aan zijn ‘lange Schenkels’ en nodigde hem uit om met hem mee te komen naar ‘zyn groots Saal’. Daar was meer ruimte en de meisjes stonden in rijen, ordelijk opgesteld, tegenover de heren. Een dansmeester sloeg de maat en een orkestje van ‘drie rampspoedige Violisten’. Daarbij stal onze verteller de show met pirouettes in de lucht, maar bij nader toezien was de schoonheid van de aanwezige dames door hevig zweten geweken. Verder maar weer.

Onze held zocht een beter heenkomen, ‘aan het Huys van Junos gepenningde Trekvogel, de Schoone Paauwin’, niet direct een adres dat zich nu gemakkelijk laat lokaliseren. Ook daar een dansmeester die de ‘bleeke Juffertjes’ dirigeerde.

‘O Campo! benje daar?’
Even een korte pauze: het vastenavondsvermaak vond in Breda vooral plaats in huizen waar er ruimte was om te dansen. De aanwezigen waren gemaskerd en verkleed, al lieten die maskerade en uitdossing niet raden naar wie zich verschool. Halverwege zijn tocht herkende een van de aanwezigen onze held: ‘O Campo! benje daar?’ Meesters van de ceremonie waren de dansmeesters en zij lieten de dames en heren tegenover elkaar plaats nemen. De dansen waren galant, maar boden kansen aan haantjes om zich met wilde sprongen te onderscheiden.

In de ‘Schoone Paauwin’ bevielen de meisjes hem niet, ‘die bleeke Pannekoeken’ waren hem te witjes. Om die reden trok onze held Campo verder. Lezers vroegen zich af of die ‘Maitres’ nog lang op zich liet wachten.

Een nieuw adres. Na het huis van ‘madame Stik**’, huize Krulip en de ‘Paauwin’ kwam ‘den Toelast’. In de ‘Toelast’ waren er vooral officieren. Een orkestje met ‘Keteltrommen, Waldhoorns, Hautbois, en Trompetten’ verzorgde de muziek. Een dronken cornet herkende Campo en daagde hem uit: ‘ik dans tegensje’. Dansen als wedstrijd! Van de wedstrijd kwam het niet omdat ‘den langgebeende Hoogleeraar van de Pas de Soissons’ uitnodigde om met hem een menuet te dansen. Dronken omstanders ginnegapten over dit ‘egaal Gespan’. Waren er geen meisjes? Blijkbaar was het dansen van heren met elkaar aanvaard en ook niet.

Campo onderbrak zijn dansen met het noteren van een ‘Lofdicht op de Danskunde’, de danser dichtte.

Met de Dintersche Dame in de Kamer van Vreugdendaal
Van de ‘Toelast’ verkaste Campo naar ‘de Kamer van Vreugdendaal, waar hij naast een ‘Dintersche Dame’ aan tafel kwam te zitten. Die tafel was vol van ‘Pannekoeken, zwemmende in een Oceaan van Boter’. Na de laatste pannekoek en vele kelken Clairet begon die schone Dinterse geweldig te ‘trekkebekken. Over de ‘wederzydsche Beegertens’ wil Campo het verder niet hebben, ‘want daar zyn zekere Zaaken verschoonelyk in de Daad, die onverdeedigbaar zyn in het Verhaal’. Die zit!

Campo bracht de nacht met deze Dinterse door, ze bleek ‘iets min als Maagd’, maar het nachtbanket smaakte Campo desondanks opperbest:

‘’k Wensch daar van Ieder ’t Zyne, op deezen Vasten-avont’.

Vastenavond in Breda, dat was je volvreten aan pannekoeken, wafels en spritsen, veel drinken en veel dansen. De carnavalisten maskeerden en verkleedden zich, maar ook weer niet zo goed dat je niet herkend werd. Er waren centra van vastenavondsviering, in grotere huizen en bij de rederijkers, ieder adres had een eigen sfeer, maar de beste bekroning van het vastenavondsvermaak was en bleef seks. 

Of dat nog zo is? 

In de beschrijving die Weyerman van de vastenavondsvermaken geeft, is de verbinding met het katholicisme minimaal. In de inleiding is even sprake van ‘Assche Woensdag’ en er is het idee dat vasten volgt op de onmatigheid, maar geen spoor van meneer pastoor. Van de gedachte dat er bij het carnaval een tijdelijke omkering van zaken (‘mundus inversus’) plaats vindt, is Den Echo niets te vinden: eten, drinken, dansen ‘onder leiding’ en vooral achter de meiden aan. – Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.