De ‘partisan Hosee’ en de ‘konstkooper Moha’

Twee personages in het werk van Weyerman

donderdag 16 juli 2020 – In de Vrolyke Tuchtheer van 26 december 1729 geeft Weyerman een weinig vleiend portret van ‘den partisan Hosee’ en zijn maat, ‘den konstkooper Moha’. Ik besprak deze schets in Voetnoot 135. Wat is er feit, en wat is er fictie aan deze twee personages?

De teksten van Weyerman geven wel enig houvast over Hosee: hij was kapitein, was in 1707 betrokken bij de ontvoering van Jacques-Louis markies van Beringhen en bracht voor dat feit enige tijd in de Bastille door. Dat moest, leek me, na te trekken zijn. Maar zelf kwam ik er niet verder mee. Ik deed daarom drie maanden geleden een beroep op een kennis van me, de Franse historicus Thierry Depaulis.[1]

Thierry gaf me, terwijl de Franse corona-lockdown op zijn strengst was, vanuit zijn leunstoel in Parijs twee gouden tips: hij stuurde me een link naar een overzicht van de lettres de cachet voor de Bastille en hij adviseerde me een artikel van A. J. Veenendaal over ene Pieter van Guethem te lezen.[2] Destijds waren ook hier de bibliotheken niet toegankelijk, maar het boek met het artikel was eenvoudig op internet te bestellen. Zo kan ik nu een korte schets over Hosee presenteren, aangevuld met enkele opmerkingen over Moha. 

Partizanen De lettres de cachet maken duidelijk dat Hosee nooit in de Bastille gevangen gezeten heeft, maar gelukkig wordt hij wél in de betreffende documenten genoemd. Zijn echte naam blijkt Antonie Housé te zijn. Hij behoorde inderdaad tot een groep van partizanen die de ontvoering van de markies van Beringhen uitvoerde.[3]

Onder partizaan verstond men destijds niet een rebellerende burger, maar een reguliere militair. Partizanen opereerden in eenheden van twintig tot dertig man, en voerden special forces-opdrachten uit achter de vijandelijke linies. Pieter van Guethem, de leider van de operatie in 1707, had de eerste jaren van de Spaanse Successieoorlog in Oostenrijkse dienst als partizaan in Noord-Italië gediend en had het tot kolonel geschopt. In 1706 was hij – in Staatse dienst – in de Zuidelijke Nederlanden gestationeerd, met zijn winterkwartier in Kortrijk.

Daar meldden zich drie mannen, Antonie Housé, Lambert du Mortier en Jan Borstal, bij hem: ze hadden jarenlang (vermoedelijk illegaal) in paarden voor het Franse leger gehandeld en hadden een uitstekende terreinkennis.[4] Van Guethem nam ze aan, Housé werd zo luitenant. Samen ontwikkelden ze het plan voor de ontvoering van een vooraanstaande Fransman (ze hoopten de kroonprins te kunnen ontvoeren, maar niet de koning zelf, zoals Weyerman beweert). Ze kregen er toestemming – en fondsen – van de Raad van State voor. De voorbereiding werd degelijk aangepakt. Voor de hele eenheid werden Franse paspoorten gekocht. Daar komt ongetwijfeld het verhaal vandaan dat de ontvoerders van de markies rebellerende Fransen waren.

Ontvoering van de markies – De uitvoering van het plan verliep minder gesmeerd. De omgeving van Versailles bereikten ze zonder veel problemen, maar in de koets die ze staande hielden, zat de markies van Beringhen. Dat was een veel minder grote vis dan ze gehoopt hadden te vangen. Ze zetten de markies over op een paard, maar wilden de koetsier en palfreniers niet doden. Die lieten ze achter.

De markies, die een slechte gezondheid had (of voorgaf die te hebben), bleek veel minder snel te vervoeren dan gewenst was. De bemanning van zijn koets bereikte Versailles wél snel en sloeg daar alarm. Doordat op de tevoren ingerichte pleisterplaatsen slechts een beperkt aantal paarden beschikbaar was, dunde de groep van Van Guethem en zijn gevangene steeds verder uit. Toen deze uiteindelijk door enkele Franse militairen bij Ham werd ontdekt, waren er te weinig partizanen over om zich nog te kunnen verzetten.

Ze gaven zich dan ook direct over. De meeste andere partizanen, onder wie ook Housé, werden in de erop volgende uren gevonden en aangehouden.

In de Bastille – Meerdere partizanen werden wel degelijk in de Bastille opgesloten. Van hen bleven de lettres de cachet bewaard:[5] de publicatie over deze lettres de cachet noemt Jan Borstal als luitenant Jean Borstall (nummer 1977), kolonel Jacques de Chelberg (1978), en nog zeven anderen (1979 t/m 1985) die voor deze affaire in de Bastille belandden. In de tekst bij De Chelberg is een gedetailleerde beschrijving van het gebeurde te vinden, waarin ook de luitenants Houzé en Du Mortier genoemd worden.

De gevangen officieren werden in Parijs voorkomend behandeld, zelfs bijna als voorname gasten. Uiteindelijk werden zij in Reims ondergebracht, waar zij zich – op erewoord – vrij binnen de stad konden bewegen. Met kolonel Van Guethem ging het daar niet goed: hij was slecht ter been. Dat bij een ingreep van een tandarts zijn kaak beschadigd werd en er gangreen optrad, maakte het alleen maar erger. Hij kreeg zelfs een vrijgeleide om in Aken de baden te bezoeken, maar ook dat hielp niet.

Na zijn terugkeer in februari 1709 werd hij uit zijn gevangenschap ontslagen. De overige officieren kwamen in de zomer van 1709 vrij bij een uitruil van gevangenen. Housé heeft daarna Van Guethem nog eenmaal in Brussel bezocht, maar hij herkende de zwaar zieke invalide nauwelijks. Van Guethem overleed later dat jaar in Kortrijk. De tandtechnische ingreep heeft ongetwijfeld aan zijn snelle overlijden bijgedragen, maar hij hemelde niet, zoals Weyerman onderaan p. 203 van de Tuchtheer schreef, in gevangenschap aan die ingreep.

Over Antonie Housé meldt Veenendaal verder alleen nog dat hij na zijn vrijlating tot kapitein werd bevorderd en dat hij de rest van de oorlog in Staatse dienst actief bleef. Dat Weyerman Housé in de Konstschilders de kapiteinsrang geeft, was dus terecht, maar dat deze in de Bastille gezucht zou hebben, dat lijkt dan weer niet juist.[6]

Kunsthandelaar Moha – Tot zover Hosee. Maar er valt ook nog iets over Moha te melden. In de Konstschilders laat Weyerman Hosee in de Bastille zitten en vrijkomen door toedoen van Bombarda, de oprichter van de Brusselse Opéra. Maar in de Tuchtheer laat hij juist Moha zichzelf beklagen over een gevangenschap in de Bastille en zeggen dat hij er op voorspraak van de directeur van de Opera uit kwam.[7] Moha zou in Parijs in de problemen geraakt zijn omdat hij informeerde naar het wel en wee van de gearresteerde Hosee. Moha was dus geen militair en ook niet betrokken bij de ontvoering.

Dat verhaal lijkt behoorlijk in lijn met een andere vermelding in de publicatie over de lettres de cachet. Onder nummer 1987 vinden we er ene Henri Mauha of Moucha, een handelaar in schilderijen uit Brabant. Een andere bron geeft zijn naam als Henri Mouha.[8] Zijn arrestatie werd in verband gebracht met de affaire Beringhen, maar hij werd pas twee weken na de partizanen gearresteerd. Al na drie weken werd hij weer vrijgelaten.

Mouha was dus inderdaad niet bij de ontvoering van de markies van Beringhen betrokken. Het lijkt heel plausibel dat hij destijds uit bezorgdheid om het welzijn van Housé, die hij kennelijk goed kende, speciaal van Brussel naar Parijs gereisd was, maar daar vanwege die belangstelling in de Bastille was gegooid, zoals Weyerman in de Tuchtheer beweert. Dat Bombarda, de Opera-directeur, bij zijn vrijlating bemiddeld heeft is niet in de lettres de cachet terug te vinden, maar is ook niet uit te sluiten.[9]

Tot slot – Weyerman slaat dus in enkele details de plank mis en zijn schrijfwijze van de namen van Moha en Hosee wijkt af van wat er in de archieven te vinden is. Zijn schets van Moha en Hosee als haveloze lieden die rondreizend hun kostje bij elkaar scharrelden lijkt een karikatuur. Maar wat hij vertelt over hetgeen hun in 1707 overkomen is, bevat een respectabele kern van waarheid. Het zou mij niet verbazen als hij die belevenissen uit hun eigen mond vernomen heeft. – Jac Fuchs


[1] De paden van Thierry Depaulis en mij kruisten elkaar jaren geleden toen we beiden onderzoek deden naar de beginjaren van bridge. Dat onderwerp heeft ervoor gezorgd dat we sindsdien met enige regelmaat contact gehad hebben.

[2] A.J. Veenendaal, ‘Pieter van Guethem, een partizaan uit de Brabantse Successieoorlog’, in: L. Brummel e.a. (red.), Driekwart eeuw historisch leven in Den Haag (’s-Gravenhage 1975), p. 202-216. Deze bundel is nog niet in zijn geheel op internet raadpleegbaar.

[3] Deze Franse bron spelt zijn achternaam als Houzé, maar volgens Veenendaal staat in Nederlandse archivalia de naam als Housé geschreven; ik richt me hier naar hem. Overigens is volgens Thierry Depaulis Houzé (met een -z-) een achternaam die tegenwoordig nog in Noord-Frankrijk voorkomt.

[4] Weyerman zegt dat Hosee zich eerder bezig gehouden had met de smokkel van snuiftabak naar Parijs.

[5] Frantz Funck-Brentano, Les lettres de cachet à Paris, étude suivie d’une liste des prisonniers de la Bastille (1659-1789) (Parijs 1903). De in de Bastille opgesloten partizanen van het regiment van Van Guethem staan op p. 150-153 genoemd, net als enkele andere (vermeende) betrokkenen.

[6] Jacob Campo Weyerman, De levens-beschryvingen der Nederlandsche konst-schilders en konst-schilderessen deel 4b (Dordrecht 1769), p. 18-19. Dat het om dezelfde Hosee gaat, blijkt uit de verwijzing zowel in Den Vrolyke Tuchtheer als in de Konst-schilders naar de ontvoering van de heer van Beringhen.

[7] Jean-Paul Bombarda was, net als Van Guethem, ooit musicus geweest in dienst van de Beierse keurvorst Maximiliaan Emanuel, die sinds 1691 in Brussel resideerde als gouverneur-generaal van de Spaanse Nederlanden. Bombarda was zijn schatbewaarder en kreeg na het Franse bombardement op Brussel van 1695 de leiding over de bouw van de Brusselse Muntschouwburg. Hij werd na de opening in 1700 directeur van de schouwburg en in 1703 werd hij benoemd tot directeur van de Opéra in Parijs.

[8] Minutes et répertoires du notaire Joseph THOUIN, 9 août 1690 – 2 octobre 1711 (étude VII). Répertoire numérique détaillé Minutier central des notaires de Paris (Pierrefitte-sur-Seine, 2015), p. 149. Deze publicatie vermeldt een ‘Henri Mouha, marchand de tableaux, demeurant Quai de la Mégisserie’ [in Parijs] in verband met een op 2 mei 1706 opgemaakte akte. Samen met de beeldhouwer Marescal had hij een aanzienlijke vordering op André Vanheck, die ook in schilderijen handelde.

[9] Bombarda wordt in de lettres de cachet maar één keer genoemd: de gevangene Pierre Hodion (nummer 2250) was bij hem als lakei in dienst geweest. Hij had gerommeld met Bombarda’s nagelaten bezittingen.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.