Voetnoot 166

Schatzoekersverhalen in Den Echo des Weerelds

dinsdag 21 juli 2020 – Op verschillende nieuwssites van 8 juni 2020 is te lezen dat de schat die Forrest Fenn tien jaar geleden verstopte in de Rocky Mountains, is gevonden. De schat bestond uit een kist met goud, robijnen, smaragden en diamanten ter waarde van één miljoen dollar.

De kunst- en antiekverzamelaar Fenn hoopte dat mensen op zoek zouden gaan naar de schat en dat zij op die manier de natuur zouden ontdekken. Maar liefst 350.000 mensen gingen daadwerkelijk op zoek en enkele kwamen zelfs om tijdens hun zoektocht. Aanleiding voor mij om stil te staan bij de verhalen over schatzoekers in Den Echo des Weerelds.[1] 

Ook voor Weyerman is de aanleiding een krantenbericht. Hij begint aflevering 32 met een kort stukje over de gierigaards. Vervolgens stapt hij over op een ander onderwerp.

Maar ik zal als nu de Gierigaards niet in ’t Gros ontmaskeren, ontleeden, nog bepaalen, maar alleenlyk myn Leezers vervrolyken met eenige Historietjes van Schattenzoekers, een Geslacht dat ik toe [= tot] nog toe niet heb behandelt, en waar toe den onvermoeide Sprookjes-Klerk, den groote Minutius Felix Grolliographus my handleyding heeft gegeeven, in zyn heerlyk Nieuwspapier van de twee en twintigste der voorgaande Sprokkel-maendt.[2]

Weyerman bedoelt hiermee de Leydse Courant van Felix de Klopper van 22 februari 1726. Hij neemt een gedeelte van het krantenartikel over, maar ik wilde het hele bericht opnemen in mijn voetnoot. Enige jaren geleden is de Leydse Courantgedigitaliseerd, waarvoor volgens mij het exemplaar van het Gemeentearchief Leiden is gebruikt.[3] Laat nu net de krant van 22 februari 1726 in dit bestand ontbreken. Ik ben daarop met mondkapje voor naar de Koninklijke Bibliotheek gegaan, waar wel een complete jaargang is en ik heb het bericht kunnen overnemen.

Leydse Courant, 22 februari 1726
Men heeft tyding van Dijon, dat 2 Capucynen en een Seculier Priester gezamentlyk naar zeker Veld omtrent die Stad gegaan zynde, met Schoppen, Spaden &c., om na een daar verborgen Schat te graven, zonder dat men wist of zy iets ontdekt hadden of niet, waren de volgende nagt 20 gewapende Kaerels de groote Deur van ’t Kapucynen Klooster komen forceeren, en doorgedrongen zynde tot in het Koor, daar die Paters hunne Metten lazen, hadde zy de twee gem. Paters, die de voorige dag na de Schat hadden wezen graven, met zich gevoerd naar verschrikkelyke onderaardse Hoolen, en hen zeer mishandeld; 14 van die Guyten waren gevat. De Heeren van gem. Dijon hebben daar over aan den Procureur Generaal geschreven, en hem gevraagt op wat wyze hy goedvind men tegens hen zal procedeeren.[4]

Weyerman vertelt hierna twee schatzoekersverhalen. De eerste speelt zich af in Chaus, een landstreek die deel uitmaakt van het koninkrijk Fez, in het huidige Marokko. Daar is een berg, genaamd de ‘hondert Putten’, in het Italiaans genoemd Centopozzi. Op die berg is een diepe put of grot, waarvan men vermoedde dat er een schat verborgen was. Tien mannen besloten die te gaan zoeken. Drie van hen daalden af. Ze kwamen bij een viersprong, waar de groep zich opsplitste. Een van de drie ging alleen verder. De andere twee liepen samen door, maar werden kort daarop aangevallen door een zwerm vleermuizen, waarbij het licht in een van de lantaarns werd gedoofd. De mannen kwamen bij een volgende put, waar geraamtes van mensen lagen. Kostbaarheden vonden ze daar echter niet. Ze vervolgden hun weg, maar toen ook de laatste lantaarn door de wind werd uitgeblazen, kwam er een einde aan hun zoektocht en vielen ze uitgeput neer. 

De mannen boven de grond werden ongerust. Vijf daalden nu ook neer en vonden de twee mannen. Ze namen deze snel mee naar boven, maar bekommerden zich niet om de derde. Die man was een ander pad ingeslagen en hoorde opeens het geblaf van vier jonge honden. Terwijl hij de jonge dieren bekeek, kwam de moeder, die erg veel leek op een wolvin.[5] Zij zoogde haar jongen en verliet daarop weer het nest. Hoewel de man heel bang was, volgde hij haar en bereikte zo weer de open lucht.

Het tweede verhaal loopt minder goed af. Daar verdrinkt zelfs een van de drie schatzoekers wanneer hij zich laat zakken in het diepe water bij het Mastbos, ten zuiden van Breda. Hier hoopten de mannen een zilveren, ongedoopte klok te vinden, die door een boldergeest in het water geworpen was.

Voor het eerste verhaal heeft Weyerman gebruik gemaakt van het werk van Leo Africanus (ca. 1494-ca. 1554), een Moors diplomaat en ontdekkingsreiziger (zie illustratie hierboven).[6] Hij werd geboren te Granada, maar het gezin verhuisde kort daarop naar Fez. Leo Africanus studeerde aan de universiteit en vergezelde als jongeman zijn oom op een diplomatieke reis. Na een andere diplomatieke missie in Constantinopel bezocht hij Caïro. Hij reisde door naar het zuiden en via Aswan bereikte hij Arabië. Op zijn weg terug werd hij tijdens de zeereis van Caïro naar Tunis gevangengenomen door een Spaanse zeerover, die hem overdroeg aan paus Leo X in Rome, die hem zelf doopte in de Sint-Pieter. Leo Africanus is vernoemd naar de kerkvorst, want oorspronkelijk heet hij Ḥasan al-Wazzān. Hij leerde Latijn en Italiaans. Na de plundering van Rome in 1527 vertrok hij weer naar Noord-Afrika en bekeerde zich opnieuw tot de islam.

In 1550 verscheen in het Italiaans zijn beschrijving van Afrika, Della descrittione dell’Africa et delle cose notabili che ivi sono, die daarna in verschillende talen is uitgegeven. De eerste Nederlandse vertaling verscheen in 1665 met de titel Pertinente beschryvinge van Africa, met alle de landen, koningrijken, steden, volken, gewoonten, gedierten, vogelen, boom- en aard-vruchten, die daar zijn.[7] In deze uitgave staat het verhaal op pagina 134-135. – Jan Bruggeman 


[1] Den Echo des Weerelds, deel 1, afl. 32 (27 mei 1726), p. 250-256.

[2] a.w., p. 250.

[3] Tegenwoordig: Erfgoed Leiden en Omstreken.

[4] Leydse Courant, 22 februari 1726. Exemplaar KBH, signatuur KW 1638 A.

[5] Weyerman schrijft dat het dier ‘Abach’ genoemd wordt, maar de brontekst en alle andere vertalingen die ik zag, hebben ‘Dabah’.

[6] Weyerman noemt hem op pagina 251: ‘Den Geschigt- en Landbeschryver Leo’.

[7] In Antwerpen verschenen vanaf 1556 Latijnse en Franse vertalingen. De Engelse vertaling dateert van 1600. In 1632 verscheen er bij Elsevier in Leiden een Latijnse uitgave. Het werk gold decennialang als het standaardwerk over Afrika.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.