Voetnoot 170

Over valse tovenaars en hun bedriegerijen

dinsdag 25 augustus 2020 – In Den Echo des Weerelds (dl. 1, afl. 50, 30 september 1726, p. 398-399) vertelt Weyerman het verhaal van Jakob Pelletier, die op zoek was naar ‘een familiaare Geest’, dat wil zeggen een vertrouwelijke, gemoedelijke geest. Een Italiaanse koopman bleek hierin te handelen. Hij had drie ringen en een zilveren degen, allemaal voorzien van een dergelijke geest. 

Pelletier koos een ring met een kristal, waaronder een duiveltje zat in de gedaante van een kleine schorpioen, die met zijn staart heen en weer zwaaide. De koopman vroeg voor de ring vijftig rijksdaalders; een zeer groot bedrag. De koop werd uitgesteld tot de volgende dag. Dan zou de verkoper ook de stem van de geest laten horen.

Terug in zijn logement vertelde Pelletier alles aan de kastelein. Die zei dat hem in Italië net zo’n ring was verkocht. Het was echter bedrog geweest, want in de kast bleken kleine gaatjes te zitten. De verkoper had in zijn andere hand een magneet gehad, waarmee hij het ijzeren schorpioentje liet bewegen. De volgende dag ging Pelletier terug naar de koopman en hij zag dat de kastelein gelijk had gehad. Hierdoor blies hij de koop af. De koopman ontstak in woede en Pelletier moest maken dat hij wegkwam.

Ik vroeg me af waar Weyerman dit verhaal vandaan had. Met de zoekwoorden ‘Pelletier’, ‘anneau’ en ‘scorpion’ vond ik het terug in Les bigarrures du seigneur des Accords (Parijs 1585), deel 4, p. 64v-65v. Die titel heeft voor veel verwarring gezorgd, want er bestaat wel een eerste deel, maar geen tweede of derde deel.[1]

De auteur, Étienne Tabourot, seigneur des Accords (1549-1590), was jurist, schrijver en dichter. Hij publiceerde onder andere een verzameling sonnetten en verbeterde de Dictionnaire des rimes françoises van Jean Le Fèvre (Parijs 1587).

In het eerste deel van Les bigarrures, dat letterlijk mengelingen of schakeringen betekent, vinden we een bonte verzameling gedichten, zoals chronogrammen, acrostichons, echodichten, epitafen enz. Het vierde deel bevat hoofdzakelijk proza. Dit deel waren we al eerder als bron tegengekomen. Helemaal aan het begin van ons onderzoek naar de bronnen van Weyerman ontdekte Jac Fuchs aan de hand van drie voetnoten in deel 1 van Den Echo des Weerelds, aflevering 51, dat Weyerman Les bigarrures had gebruikt (Voetnoot 11). Alle gevonden teksten zijn afkomstig uit het vierde hoofdstuk, ‘Des faux sorciers, & de leurs impostures’.

Na het verhaal van Jakob Pelletier vertelt Weyerman over een pruikenmaker in Breda, die een hoen met een lancet door de kop stak. Hij genas het dier weer door het uitspreken van drie woorden: ‘Cabur Silok Franfano’. Ook dit verhaal staat in Les bigarrures, direct achter dat van Jacques Pelletier (p. 65v-66r). In het Frans luidt de spreuk: ‘Gaber Siloc fandu’. Ik heb diverse edities bekeken, maar nergens trof ik de variant van Weyerman aan. Overigens heb ik niet onderzocht welke van de twee spreuken nu echt werkt.[2]

Na dit verhaal komt Weyerman met een anekdote over een vrouw die altijd een spreuk gebruikte als zij met haar koets over een brug reed, want ze was bang dat haar koets anders zou omslaan. Om dit te voorkomen zei ze: ‘Adam is geschapen, Adam maakte de Bruggen, in den Naam, &c.’. De spreuk is dus meer een bezweringsformule. In Les bigarrures (p. 68r) luidt de spreuk: ‘Dieu fit Adam, Adam fit les ponts, in nomine patris, &c.’.[3] Weyerman kan het niet laten en plakt er nog een erotische opmerking achteraan.

Een zeker Heer, die haar Gedrag nagong met loode Kamermuylen, en wel wist, Dat zy meer voetvallen achter over dee op haar Rustbed, als Knievallen voor over op haar Gebede Bank, schoot haar eenmaal toe; Ik zou my ook van die Woorden bedienen Mevrouw, wanneer je de Brug der Verzoeking moet passeeren, dan zou zig uw Koetsier zo dikmaals niet behoeven te verlédigen, om uw op te raapen.[4]

Weyerman besluit de aflevering met ‘Het Vervolg toekomende week’. Ook ik zal in een volgende voetnoot terugkomen op dat vervolg.

Het is altijd fijn als een tweede of derde tekstfragment wordt teruggevonden in dezelfde bron. Dat bevestigt nogmaals het gebruik ervan. In dit geval in twee achtereenvolgende afleveringen van Den Echo des Weerelds. – Jan Bruggeman


[1] Het eerste deel verscheen in 1583. Het werk is in de zestiende en zeventiende eeuw verscheidenen keren herdrukt.

[2] Ik raadpleegde de edities uit 1585, 1586, 1595, 1599, 1609, 1614, 1616, 1662.

[3] In een voetnoot schrijft Weyerman: ‘Deus creavit Adam, Adam Pontes construcxit, in nomme Patris, &c.’.

[4] Den Echo des Weerelds, dl. 1, afl. 51 (30 september 1726), p. 400.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.