Voetnoot 171

De ring van Hans Carvel

dinsdag 8 september 2020 – Aflevering 50 en 51 van deel 1 van Den Echo des Weerelds horen bij elkaar. In beide teksten gaat het over kritiek op bijgeloof, bezweringsformules, amuletten en het daarbij veelvoorkomende bedrog. Voor het grootste deel zijn de afleveringen gebaseerd op dezelfde bron: het vierde deel van Les bigarrures du seigneur des Accords (1585) van Étienne Tabourot (zie ook Voetnoot 11 en Voetnoot 170).

In aflevering 50 staat een belangrijk standpunt van Weyerman. Dat laat hij uitspreken door iemand van het gezelschap waarin hij zich bevindt. Er staat niet dat het de mening van Weyerman is, maar van de spectatoriale figuur Echo des Weerelds. Ik vind echter dat we deze keer het verlichte standpunt ook mogen toeschrijven aan de auteur zelf.

Den Echo des Weerelds gelooft aan geen Spookeryen, (sprak hy met een geveynsde Zucht) die gelooft niet, dat, een Goedergelukzegger zo veel Waarheyd zien kan in de Palm van een Meisjes hand, als een Starrekyker Wonderen kan voorzien aan den Buytenkant des Hemels. Neen, (vervolgde hy) die gelooft aan geen Broedpenningen, aan geen Pisdiefjes, St. Jans Kruyd, Mos van eenig Doodshoofd, Wapenzalf, Wisseldaalders, Koortsbriefjes, of aan geen Virtuyten van Tovercedeltjes, en diergelyke Wonderen.[1]

Aflevering 51 bestaat uit enkele korte voorbeelden van bijgeloof en bedrog, en het gedicht ‘Den ring van Hans Kervel’.[2]

Weyerman vertelt eerst over ‘den Tegen-Boekhouder Borago’, die een hulpmiddel had tegen tand- en kiespijn. Als er iemand met die kwaal bij hem kwam, schreef hij op de muur het woord ‘Machabeus’. Wanneer de pijn aan de rechterkant zat, stak hij een speld in de tweede A van het woord; en zat de pijn aan de andere kant, dan stak hij de speld in de B. En weg was de pijn.

De Echo des Weerelds was eens op bezoek bij mevrouw Schoon by nacht. Zij had ook een enorme tandpijn en aangezien zij gehoord had van het wonderbaarlijke hulpmiddel, vroeg ze hem of hij haar onmiddellijk wilde genezen. Daarop ging de Echo des Weerelds naar een naastgelegen kamertje, schreef het woord ‘Judas’ op de muur en stak een speld in de laatste letter. De kamenier liep naar haar mevrouw en zei dat de speld was geplaatst, waarop deze antwoordde: ‘Ja, Marjanne, ik kan wel voelen dat ’er Campo de Speld heeft ingeplant, want de Pyn is voor de grootste Helft verdweenen’.[3]

Het tweede voorbeeld gaat over een bezwering. Als tijdens de huwelijksinzegening het woord ‘Sara’ wordt uitgesproken, zal dat ervoor zorgen dat de bruidegom tijdens de huwelijksnacht nergens toe in staat is. De bruidegom kan dit teniet doen door te urineren door de trouwring van de bruid. 

In de Franse tekst staat: ‘que si on degoute dans cest anneau de Hans Caruel, il n’y a charme qui puisse nuire’.[4] Weyerman vertaalt dit met: ‘wanneer den Bruydegom den Ring van Hans Kervel inondeert, dan kan hem geen Toverey schaaden’.[5] Dégoutter betekent eigenlijk ‘druppelen’.

Die ring van Hans Carvel komt Weyerman bekend voor en doet hem besluiten ‘om het Sprookje van Hans Kervel, dat zo aardig in het Fransch door Monsieur de la Fontaine, en zo geestig in het Engelsch door den Heer Tys Prior is overgezet en berymt, een Nederduytsch Pak aan te trekken, en op onze Beurt te doen rinkinken in dichtkundige Klanken’.[6]

Weyerman is al enige tijd bezig met het vertalen van de Contes et nouvelles en vers van Jean de La Fontaine, waarvan ‘De ring van Hans Carvel’ er een is. In 1730 kondigt hij een publicatie aan van ‘De Sprookjes en Vertellingjes van Monsieur de la Fontaine, in het Nederduyts vertaalt en berymt’, maar die uitgave is nooit verschenen.[7]

Het verhaal van ‘Den ring van Hans Kervel’ gaat over een man die nog op zijn zestigste trouwt met de veel jongere Susanna. Zij is een leuke vrouw, maar Hans doet haar tekort en daarbij is hij bang dat zij hem zal bedriegen. Op een nacht droomt Hans dat de duivel hem een ring aan zijn vinger steekt, terwijl hij hem zegt dat zijn vrouw hem niet ontrouw zal kunnen zijn zolang hij de ring zal dragen. Wanneer hij ontwaakt, ziet hij dat hij zijn vinger heeft gestoken in… Ja, raad eens waarin?

Er is over de ring van Hans Carvel al veel geschreven. De oudste gedrukte versie vinden we in Liber facetiarum(1470) van Poggio de Florentijn, maar het verhaal staat ook in het derde boek van Gargantua en Pantagruel (1546) van François Rabelais. Bij één versregel uit Weyermans versie wil ik even stilstaan, omdat het zo’n aardige verfraaiing is.

Hans had zig op een Avondstond
Zo vol gezoopen, ’t was een Wonder,
En ley te ronken als een Donder
By Susa, die misnoegt op dat ontheupt Gespan,
Lieft had geluystert na Ternates Klapperman.[8]

Wat wordt er bedoeld met ‘Lief[s]t had geluystert na Ternates Klapperman’? Weyerman verwijst hier naar het lied ‘De klapperman van Ternate’.[9] Het eerste couplet gaat als volgt:

Hoort, Mannen, hoort, ontwaekt, ontwaekt!
Vyf heeft de klok, de dag genaekt.
Denkt om den pligt van ’t trouwen:
’t Geronk past by geen’ Vrouwen.
Maekt Burgers voor den Staet:
Zulks bidt van u onze Achtb’re Magistraet.[10]

De klepperman wekt niet alleen de mannen, maar roept hen ook op om de huwelijksplicht te vervullen. De jonge vrouw van Hans Carvel heeft daar wel oren naar.

Weyerman verwacht van zijn lezers dat zij vertrouwd zijn met het lied. Wie die kennis had, zal zeker geglimlacht hebben bij de cryptische omschrijving dat Susanna gewoon zin heeft in seks. – Jan Bruggeman

[1] Den Echo des Weerelds, dl. 1, afl. 50 (30 september 1726), p. 394.

[2] Alle voorbeelden in aflevering 51 zijn ontleend aan het werk van Tabourot. Ze zijn te vinden in het hoofdstuk ‘Des faux sorciers, & de leurs impostures’, p. 61v-77r.

[3] Den Echo des Weerelds, dl. 1, afl. 51 (7 oktober 1726), p. 401-402.

[4] Les bigarrures du seigneur des Accords, dl. 4 (Parijs 1585), p. 68v.

[5] Den Echo des Weerelds, dl. 1, afl. 51 (7 oktober 1726), p. 402.

[6] Den Echo des Weerelds, dl. 1, afl. 51 (7 oktober 1726), p. 402-403.

[7] Den Vrolyke Tuchtheer, 5 juni 1730, p. 383-384.

[8] Den Echo des Weerelds, dl. 1, afl. 51 (7 oktober 1726), p. 404.

[9] Peter Altena en André Hanou schreven hier al over in het tijdschrift Faicts & Dicts. Zie Peter Altena, ‘Carvel in “Nederduytsch Pak’’’. in: Faicts & Dicts (2000), nr. 22, p. 8-11; ‘Bijdragen van Peter Altena en Jaap Engelsman in de rubriek ‘Nuttig & Curieus’, in: Faicts & Dicts (2001), nr. 23, p. 12; André Hanou, ‘De klapperman van Ternate: terug naar 1609’, in: Faicts & Dicts (2002), nr. 28, p. 3-5. Een uitgebreid onderzoek naar de auteur van de tekst vinden we in ‘Klappen voor de huwelijksplicht’ op de website De vrolijke kluizenaar Democritus minor

[10] De oudste, Nederlandse versie is te vinden in: Maendelyke Uittreksels, of Boekzael der Geleerde Werelt, dl. 19 (augustus 1724), p 204-207.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.