Voetnoot 172

Een Vertoog over de Gelukzaligheyt

donderdag 24 september 2020 – Weyerman vertelt in deel 2, aflevering 39, van Den Ontleeder der Gebreeken over een bezoek dat hij heeft gebracht aan een jonge vrouw die bezig was met ‘het stikken van een Winterbroek van Point de Marseille’.[1]

Bestaan er echt winterbroeken met point de Marseille, of maakt Weyerman een grap? ‘Point de Marseille’ of ‘Zaans stikwerk’ is een kostbare en tijdrovende handwerktechniek (zie afbeelding). Ik kan me niet voorstellen dat dit ook op winterbroeken voor dames werd aangebracht, want die werden gedragen zonder dat iemand die zag. Misschien dat Leontine Kuijvenhoven-Groeneweg ons hier meer over kan vertellen.

De jonge vrouw kreeg ook bezoek van haar galant, een dokter, die haar pols voelde en ‘een kleyn lief Koortsje’ bespeurde. Hij besloot iets voor te schrijven, maar zijn pen viel uit zijn hand en veroorzaakte een vlek op de broek. De jonge juffer gilde het uit en ‘citeerde’ daarbij enkele regels uit het toneelstuk De Hollandsche sinnelykheid van Weyerman.

—- —- Wat onbarmhartig storten!
‘k Zou graag een sesde part myns Maagdoms laaten korten,
Indien dees witte Broek ’s Mans Pen ontdooken was:[2]

Haar klaagzang ging nog verder. Ze zei: ‘Dat een Meisjes Broek onderheevig was aan veele nederdalende Rampspoeden, en dat zy inzonderheyt een Speelpop was aller Ongelukken’. Haar galant moest hierom lachen en beloofde dat hij haar binnen een paar weken ‘een Papier zou vereeren, behelzende een Tegengift tegens alle Rampen, zynde een beschryving van de waare Gelukzaligheyt’.

De jonge vrouw – en ook de lezer van Weyermans tijdschrift – moest veertien dagen wachten, want in aflevering 41 verscheen het beloofde vertoog. In de inleiding verwijst Weyerman nog eens naar het voorval, beschreven ‘in den Ontleedervan den Negende July, bladzyde drie hondert twaalf’. De rest van de aflevering bestaat uit ‘Een Vertoog over de Gelukzaligheyt’. Het is een vrij serieuze tekst die als volgt begint:

Indien de Mensch een zuyvere Geest was, als dan zou hy een gelukzalig Leeven konnen leyden, enkelt door de Beschouwing, en hy zou niet benoodigt behoeven te zyn om iets anders. Maar de Mensch kan geen Gelukzaligheyt bekomen zonder de Bediening der vyf Zinnen, welke Zinnen de Poorten zyn, langs dewelke de kenbaare Voorwerpen intreeden in het Paleys des Geests; en hy kan geen Gelukzaligheyt bezitten, ten zy de Innerlyke Werkingen onderstant doen aan de Licghaamlyke Werkingen.[3]

Verderop in het vertoog gaat het over de vraag waarom wijsgeren als Zeno, Plato en Aristippus ons leren dat een wijsgeer genoeg heeft aan weinig, terwijl zijzelf zeer rijk waren. Weyerman antwoordt ‘dat de Leevens wyze dier Wysgeeren niet rechtstreeks gekant was tegens hun Leer; want de Rykdommen zyn geen Beletsels aan de Wysheyt, maar ’t Gebruyk der Rykdommen’. De wijsgeren bedienden zich van hun rijkdommen, maar waren er niet aan verslaafd. Zij waren gelukzalig met en zonder rijkdommen.

Volgens Epicurus is de belangrijkste eigenschap van gelukzaligheid ‘het leyden van een Wellustig Leeven; want indien de Gelukzaligheyt niet vermaakelyk en wellustig is, wat zal ’er dan vermaakelyk of wellustig zyn op deeze Weerelt?’

Dit is door vele leerlingen van Epicurus verkeerd begrepen. Zij meenden dat hun leermeester het opperste goed plaatste in de wellust, waardoor zij de gelukzaligheid in het vermaak zochten en niet het vermaak in de gelukzaligheid.

Weyerman legt aan verschillende personen de vraag voor: waarin bestaat voor u de grootste gelukzaligheid? Het antwoord is vaak erotisch van aard. Zo wil Jan Poesmal ‘een buygzaame Vloerduyf’, jonker Maaneschyn wil ‘een Piep jong Steeksallaatje’ en Mejuffrouw Galnoot wil ‘een Stalknegt als een Engel’. 

Dit is natuurlijk niet de waarachtige gelukzaligheid. Dat is zij wel als zij duurzaam is. Gelukzaligheid die gefundeerd is op lichamelijke wellusten, goederen en eerbewijzen, kan namelijk van het ene op het andere moment ophouden te bestaan. 

Hier uyt kan men zien, dat de Licghaamlyke en de Goederen van ’t Geluk, de Rykdommen, de Eerbewyzingen, en de Eerampten, zeer veel toebrengen aan de Gelukzaligheyt; doch dat zy geen ingang hebben in het Weezen der Gelukzaligheyt, dewelke bestaat in de Werking der Wysheyt en der Deugden.[4]

Het vertoog over de gelukzaligheid vond ik terug in Introduction aux vertus morales, et héroiques (Brussel 1712), dl. 2, boek 21, hfst. 2 en 3, p. 278-292.[5] Deze bron zijn we al eerder tegengekomen. (Zie Voetnoot 160Voetnoot 162 en Voetnoot 163). Het werk is van de hand van Emanuele Tesauro (1592-1675) en verscheen in 1670 in het Italiaans.[6]

Tegen Jac Fuchs heb ik al eens gezegd dat alle serieuze vertogen bij Weyerman ontleend zijn aan buitenlandse bronnen. Ik durf dat nog niet op te schrijven, want we hebben nog niet alle vertogen teruggevonden, maar we zijn wel al een heel eind. – Jan Bruggeman


[1] Den Ontleeder der Gebreeken, dl 2, afl. 39 (9 juli 1725), p. 312.

[2] De regels zijn enigszins aangepast. In het toneelstuk uit 1713 staat:
—- —- wat onbarmhertig storten,
’k Zou graag een derdendeel myns leevens af zien korten
Indien ’t niet was geschied, wat ongeluk is dat!

[3] Den Ontleeder der Gebreeken, dl 2, afl. 41 (23 juli 1725), p. 322.

[4] Den Ontleeder der Gebreeken, dl 2, afl. 41 (23 juli 1725), p. 328.

[5] Weyerman volgt de tekst op de voet. Hij gebruikt die tot aan pagina 186, eerste alinea. Natuurlijk voegt hij iets toe, zoals de twee gedichten en de personen aan wie hij vraagt wat voor hen de grootste gelukzaligheid is.

[6] In het Italiaans luidt de titel La filosofia morale derivata dall’alto fonte del grande Aristotele Stagirita. Het vertoog vinden we hier op pagina 519-528.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.