Voetnoot 173

Over een Engelse vrek. En was Orpheus een vegetariër?

dinsdag 29 september 2020 – Koning Karel de tweede van Engelant, wanneer hem een zeker Hertog in St. Jamesperk den Ridder *** aanwees, zeggende: Sire, die Man bezit een jaarlyks inkomen van 15000 pond, en hy verteert er maar 120, antwoordde zeer aardig: Wel, Milord, dan is zyn inkomen niet meer dan 120 pond.

Dit is een anekdote die Weyerman vertelt in aflevering 21 van de Rotterdamsche Hermes.[1] Weyerman springt in zijn tijdschriften nogal eens van de hak op de tak, en deze aflevering vormt op die regel geen uitzondering.

Eerst vertelt Hermes hoe hij recent een speculant op bezoek kreeg die hem de les las over zijn tijdschrift. Uiteraard diende Hermes deze onbenul van repliek. Dan haalt hij krantennieuws aan over speculaties in Londen en becommentarieert dat met onder meer de bovenstaande anekdote. Daarna gaat hij terug naar de krant voor nieuws over de activiteiten van Engelse struikrovers, en ook daarop laat hij commentaar volgen. En weer een anekdote.

Enkele overpeinzingen en anekdotes verder komt Weyerman ineens te spreken over Orpheus. Wat weten we van het leven en van de aan Orpheus toegeschreven gedichten? Weyerman vertelt het ons. Zo was Orpheus, schrijft hij, volgens Lucianus de eerste Griekse astroloog. Volgens Plutarchus en Plato was Orpheus vegetariër. Na een korte tekst over Apollo als verspreider van plagen, sluit hij de aflevering af met een uitgebreide aanval op Argus, zijn collega Hermanus van den Burg.

Wanneer Weyerman zo van de ene gedachte naar de andere springt, dan suggereert dit dat hij ook in zijn gebruik van bronnen schakelde. Zo haalde Weyerman de twee krantenberichten waarschijnlijk uit Engelse kranten.[2] Het steekt me dat ik de twee Engelse anekdotes die Weyerman op die krantenberichten laat volgen – over het commentaar van koning Karel II en over twee medici die in Newgate een deal sluiten met een ter dood veroordeelde gevangene – niet in Engelse bronnen heb kunnen terugvinden. Enkele andere passages uit deze aflevering van de Rotterdamsche Hermes heeft Weyerman geheid ook niet zelf bedacht, maar waar hij ze vandaan haalde moet ik nog nader bekijken. Ditmaal beperk ik me tot wat hij Orpheus en Apollo vertelt.

Jan Bruggeman en ondergetekende vonden in de Rotterdamsche Hermes ontleningen aan de Diversitez curieuses pour servir de récréation à l’esprit, een reeks van boekjes die talloze weetjes en anekdotes bevatten.[3]

Voor de weetjes over Orpheus lijkt Weyerman het vijfde deel van de Diversitez curieuses gebruikt te hebben.[4] De tekst over Apollo die direct op die over Orpheus volgt, correspondeert met een tekst uit het tiende deel.[5] 

Dat Weyerman bij het schrijven de Diversitez curieuses raadpleegde, staat voor mij inmiddels wel vast: aan de genoemde voorbeelden zijn er inmiddels nog enkele toegevoegd. Een week na  de hier besproken aflevering kunnen we in de Rotterdamsche Hermes een anekdote lezen over kardinaal Du Perron, die hij eveneens uit deel 10 zal hebben gehaald.[6]

Ook in deel 3 van de Diversitez curieuses hebben we inmiddels een door Weyerman gebruikt verhaaltje gevonden: die over de librettist Quinault.[7] Weyerman nam deze anekdote over in de eerste jaargang van de Amsterdamsche Hermes.[8]

Ik denk dat Weyerman de hele reeks Diversitez curieuses-deeltjes op de plank had staan en dat we nog meer ontleningen zullen vinden.
In het algemeen is opmerkelijk hoe Weyerman bij een groot aantal gelegenheden een passend voorval uit de hem ter beschikking staande boeken weet te halen. Ik kan me niet voorstellen dat hij al die teksten woordelijk had onthouden. Ik zou heel graag weten hoe Weyerman telkens weer een bruikbaar verhaal bij zijn betoog wist te vinden: zou hij een onfeilbaar geheugen hebben gehad voor al die passages waar hij ooit die anekdotes, feitjes en weetjes was tegengekomen? – Jac Fuchs


[1] Rotterdamsche Hermes aflevering 21 (12 december 1720), p. 107.

[2] Het bericht over de overval op een Engelse vrederechter heb ik ooit in een Engelse krant teruggevonden, maar ik ben kwijt welke. Beide berichten haalden de Oprechte Haerlemse Courant van 12 november 1720.

[3] Zie Voetnoot 28 en Voetnoot 146. Deze Diversitez curieuses verschenen met tussenpozen in de jaren 1696-1699 met het impressum ‘à Amsterdam, chez André de Hoogenhuysen’. Het gaat om goedkopere herdrukken van gelijknamige uitgaven die eerder in Parijs gedrukt waren en tweewekelijks verschenen. Bij Hoogenhuysen verschenen tenminste tien delen; de originele uitgave telde er in ieder geval twaalf. Als auteur wordt wel Laurent Bordelon genoemd.

[4] Laurent Bordelon, Diversitez curieuses pour servir de récréation à l’esprit, deel 5 (Amsterdam 1696), p. 77-80.

[5] Laurent Bordelon, Diversitez curieuses pour servir de récréation à l’esprit, deel 10 (Amsterdam 1699), p. 100-101.

[6] Rotterdamsche Hermes aflevering 22 (19 december 1720), p. 119; Laurent Bordelon, Diversitez curieuses pour servir de récréation à l’esprit, deel 10 (Amsterdam 1699), p. 325-326. Dit deel 10 zit in een convoluut met een deel 9. Er circuleert ook een los deel 9 uit 1699) waarin dezelfde anekdote óók op p. 325-326 staat, maar vermoedelijk gaat het om een tiende deel dat van een verkeerde titelpagina is voorzien.

[7] Laurent Bordelon, Diversitez curieuses pour servir de récréation à l’esprit, deel 3 (Amsterdam 1696), p. 8-9.

[8] Amsterdamsche Hermes, jaargang 1 nummer 14 (30 december 1721), p. 109-110. Het gedicht van Quinault kwam langs in Voetnoot 26: daar wees ik erop dat het ook in het supplement op de Grand Dictionaire van Moréri te vinden is. Daar ontbreken echter de inleidende zinnen die Weyerman en de Diversitez curieuses gemeen hebben.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.