Voetnoot 176

Over arbeiders die hun plaats niet kennen

dinsdag 20 oktober 2020 – Wanneer ik iets van Weyerman lees, dan is het doorgaans een van zijn weekbladen. Bij uitzondering is het een biografie in de Konstschilders. Van poëzie en toneelstukken in het algemeen, en zeker die van Weyerman, kan ik niet echt genieten.

Nu zijn er bij meerdere toneelstukken van Weyerman ‘Sleutels’ uitgebracht, die de belofte van allerhande Bredase roddels inhouden. Daarom heb ik toch maar weer eens de band met Weyermans toneelstukken ter hand genomen. Maar ik moet zeggen: het viel niet mee. De Persiaansche Zydewever opent met een scène waarin een schoonvader en een schoonzoon elkaar vertellen dat vrouwen mannen met mooie beloften tot een huwelijk verleiden, maar ze daarna genadeloos knechten. Om dat duidelijk te maken vertelt Weyerman in lange zinnen een historische anekdote:

Den geleerde Stanihurst schrijft, dat er eenmaal eenige wilde Ryksraaden uyt Yrlant,
Een Bezoek afleyden by den Koning van Engelant, Hendrik den tweede,

Die op die tijd zijn Kersfeest hielt binnen Londen in Peys en in Vreede.
Die Yrsche Edelluyden staroogden geen kleyntje op het Zilver Servies, en op de Stacietabberden der Hartogen, gegalonneert,
Met dierbare Gesteentens. Zy waaren verrukt door de lekkere Poddingen; en als betovert op de Hertedeyen, gelardeert
Met Kalsvet; op de Runderlenden, en op de aan ’t Spit gerooste Hespen. […]

Vele uitgerekte zinnen later krijgen de Ieren natuurlijk hun bekomst. Als onderdanen van Henry II worden ze niet langer voor zulke feestmalen uitgenodigd, maar moeten ze wel de belastingen ophoesten om ze te bekostigen. Ik had er zó mijn bekomst van, dat de lust om uit te zoeken waar Weyerman dit verhaal vandaan gehaald heeft, mij vooralsnog is vergaan.

Eerder had ik in de ‘Opdragt des tegenwoordigen Dichters aan de Toekomende Dichters’, die aan dit toneelstuk vooraf gaat en die met 14 kantjes al evenzeer buiten proportie is, een pakkender passage aangetroffen. Weyerman levert daar een staaltje maatschappijkritiek. Iedereen, zegt hij, wil tegenwoordig met ‘mijn Heer’ aangesproken worden: 

Het was een tijd lang een Ergernis zulks te moeten hooren en zien, Heeren, maar de waare Heeren vonden er naderhant een Hulpmiddel tegens uyt, dat iets slimmer was als de Ziekte. Ziende dat het Kanaille dien onderscheydenden Tytel van mijn Heer had opgeraapt, en aan zich zelven had toegeeygent, zo noemden de Heeren malkanderen Klaas, Kees, Heyn, en zo voorts, onderwyl dat den Breemer Bierhuys Klaas, den Luyksche Kees, en den Serbster Heyn, elkanderen myheerden zonder ophouden. […]
Den Schoenlapper zal een dommen Hannekesmaaijer hartsteeken dood gooien met een wichtige Leest, indien die hem niet tytelt Reparateur, of Herstelder der Ossenleere Zoolen. Een Stalknecht die noch slimmer na de Paerdemest ruykt als een Schotel uytgebroeide Haagsche Komkommers, usurpeert den Tytel van Substituyt Stalmeester, en een Opzichter over het Hondenbrood maatigt zich de Qualiteyt aan van Sekretaris van de Jagt. […]

Ik geef toe: het is een afwijking, maar mij doet zo’n maatschappijvisie direct aan Thomas Brown denken. Hoewel Weyerman hier met dit fraaie proza een heel vrije vertaling van zijn voorbeeld heeft afgeleverd, is het origineel er nog steeds in te herkennen.

Bij zijn wandelingen door Londen liet Brown zich vergezellen door een ‘Indian’ – ik houd het op een Indiër, en niet een Indiaan.[1] In de inleiding op het verslag van zijn wandelingen zegt Brown dat het een fictieve figuur is, die hij in het werk introduceert om beter te kunnen benadrukken hoe absurd sommige zaken zijn als je ze maar afstandelijk bekijkt. Samen bezoeken ze onder meer de ‘A Herald’s Office’.

I am scandaliz’d, says my Indian, at your custom in London, in making every sawcy jack a Gentleman. And why are you not as much offended, reply’d I to my Indian, to hear almost every gentleman call one another Jack, Tom, and Harry? They first dropt the distinction proper to men of quality, and scoundrels took it up and bestow’d it upon themselves; and hence it is that a Gentleman is sunk into plain Jack, and Jack is raised into a gentleman. […]
The cobbler is affronted, if you don’t call him Mr. Translator, the groom names himself Gentleman of the horse, and the fellow that carries guts to the bears, writes himself one of his Majesty’s officers. […]

Ook de zinnen voor en na deze citaten maken duidelijk dat Weyerman naar Brown gekeken heeft.[2] Maar duidelijk is ook dat Weyerman het idee volledig naar zijn hand gezet heeft: de schoenlapper krijgt een langere en beeldender passage en de darmen voor de beren worden hondenbrood bij de jacht. De Indiër is in rook opgegaan. Bovenal draait Weyerman de gedachte om: bij Brown gaan eerst de heren elkaar tutoyeren en gaat het volk daarna mijnheren; bij Weyerman is dat precies andersom.

Als mijn ouders Weyerman gelezen hadden, dan hadden ze mij ongetwijfeld Klaas genoemd. Ik kan het hun niet meer vragen, maar denk inmiddels te weten waarom ze me Jac genoemd hebben … – Jac Fuchs


[1] Thomas Brown, Amusements serious and comical, calculated for the Meridian of London (Londen, 1700). De ‘Herald’s Office’ is onderdeel van Amusement VIII. De link verwijst naar de herdruk in deel 3 van Works of Mr. Thomas Brown, serious and comical, in prose and verse (Londen, 1720), p. 79.

[2] Het geeft verder nog te denken dat Weyerman verderop in zijn ‘Opdragt’ verwijst naar Horatius en ingaat op de tegenstelling tussen aanhangers van ‘de Oudheyt’, en ‘die geenen […] die de Oudheyt laaken’. In het eerste Amusement, ‘the Preface’, tapt Brown uit hetzelfde vaatje, maar zonder Perrault, Bentley, Wotton, Boileau en Swift te noemen.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.