Voetnoot 186

Het gesprek tussen Kidi en Saaki

donderdag 10 december 2020 – ‘Is het mogelyk, O Beschermgoden van het graazig Ryk der Mossen! dat ik myn waarde Schoonzoon Kidi ontnoet in deeze Elizeesche Klaverbeemden?’ Met die zin begint Weyerman een gesprek tussen de overleden Saaki en zijn nog levende schoonzoon Kidi. 

Mij gaat het de geloofwaardigheid te boven, maar weinig op papier was Weyerman te gek. Hij verzorgde in 1726 zes afleveringen van elk meer dan 100 bladzijden (zij het op klein formaat) van een maandblad met dodengesprekken: de Maandelyksche ’t Zamenspraaken (1726). In 1997 werd er een themanummer van de Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman aan gewijd.[1]

Het dodengesprek is een uitzonderlijk genre. Dat en de diepgang en gevarieerdheid van het themanummer maken het begrijpelijk dat er sindsdien vrijwel geen aandacht meer aan deze teksten besteed is. Ik moet bekennen dat ook ik het werk na een vrij vluchtige kennismaking heel lang links heb laten liggen, maar ik ben kortgeleden weer begonnen me een weg te banen naar en door de Elyzeese velden. Onderweg stuitte ik op de samenspraak tussen Kidi en Saaki. De personages die hierachter schuilgaan, zou Weyerman ook in De Persiaansche zydeweever (1727) ter sprake brengen.

Het lezen van De Persiaansche zydeweever – ik schreef hierover in Voetnoot 176, Voetnoot 177 en Voetnoot 178 – had mij weer nieuwsgierig gemaakt naar Adriana de Visser en haar omgeving. Weyerman en Adriana de Visser hebben een tijdje samengewoond nadat zij van haar man Isaac Simons gescheiden was. André Hanou wees er al op dat Weyerman in De Persiaansche zydeweever met de zijdewever Grisanot en zijn schoonzoon Kidi zijn pijlen richtte op Isaac Simons en zijn schoonzoon Jacob Viruly. 

De schoonvader van de Kidi uit de Maandelyksche ’t Zamenspraaken heet geen Grisanot maar Saaki, een anagram van Isaak. Over Kidi en Saaki wordt weinig meer verteld dan dat ze beiden door hun echtgenote bedrogen zijn. Enkele details wijzen erop dat Weyerman hier ook de in 1725 overleden Simons en zijn schoonzoon in gedachten had.

De samenspraak tussen Kidi en Saaki is een kort humoristisch intermezzo te midden van allerlei stichtende en belerende gesprekken van bekende figuren als Engelse koningen, politici en dichters. De ondertitel ‘Een Gespan beruchte Persiaansche Koekoeken’ is een stevige verwijzing naar wie bedoeld zijn en tegelijk een goede samenvatting van het gesprek. Kidi (nog in leven) komt in het hiernamaals even buurten bij zijn overleden schoonvader Saaki. Deze vertelt hem benoemd te zijn tot ‘Solliciteur der ondermaansche Koekoeken’ en leest hem een reeks verzoekschriften voor. 

Kidi geeft geen commentaar, maar vraagt hem ‘Of ik niet bevoegt ben om een Maitres te houden, om my daar door te wreeken aan myn Wyf?’ Saaki legt hem uit dat dat een nog grotere fout zou zijn dan een huwelijk te sluiten. Na het betoog van Saaki en de tegenwerpingen van Kidi, waarbij een reeks wijsheden en anekdotes over maîtresses en ondergeschiktheid de revue passeert, nemen Kidi en Saaki afscheid van elkaar.

Jan Bruggeman wees me erop dat er een duidelijk verband bestaat tussen de verzoekschriften en ‘The Trial of Cuckolds‘ van Thomas Brown.[2] In die toneelscène vertellen meerdere geesten in de hel hoe hun leven en dood samenhingen met de wijze waarop ze bedrogen zijn door hun aardse echtgenotes. De geesten kunnen echter op weinig mededogen rekenen. Zo had de eerste, een Italiaan, de minnaar van zijn vrouw gedood en het lijk in een pastei verwerkt. Die had hij zijn vrouw voorgezet als enig toegestaan voedsel. Geen wonder dat zijn vrouw hem doodgestoken had! Uitspraak: hij was fout, hij had zijn vrouw haar pleziertje moeten gunnen, en hij is terecht in de hel terechtgekomen.

Jan liet in Voetnoot 79 zien dat Weyerman rond oudjaar 1728 een ingekorte, maar getrouwe navolging van deze toneelscène van Brown opnam in twee afleveringen van De Doorzigtige Heremyt. Weyerman had zelfs de toneelvorm gehandhaafd. In de Maandelyksche ’t Zamenspraaken, ruim twee jaar eerder, blijkt Weyerman ook al inspiratie te hebben opgedaan bij ‘The Trial of Cuckolds’. Maar hier is de bewerking veel vrijer. De verhalen zijn omgezet in zes klaagbrieven; er volgt geen veroordeling of oordeel; en, heel belangrijk, de brieven zijn door nog levende bedrogen echtgenoten geschreven. 

Alleen het overspel en de reactie daarop van de bedrogen echtgenoot worden beschreven. Zo is de eerste brief afkomstig van de pasteibakkende Italiaan, maar heeft zijn echtgenote niet naar een stiletto gegrepen: zij is er gewoon vandoor gegaan. Doordat de echtgenoten er (nog) niet het leven bij gelaten hebben, zijn de pleidooien tegen levenslange opname in de hel doelloze klaagzangen geworden.

De brief van de culinair actieve Italiaan grijpt duidelijk terug op het stuk van Brown. In de tweede briefschrijver, een Spaanse Grande, herkennen we nog zonder moeite de derde geest van Brown. Maar daarna lijkt Weyerman met het idee zijn eigen weg ingeslagen te zijn: hij heeft verder zijn eigen thematiek voor de brieven gebruikt.

Kidi reageert, zoals gezegd, niet inhoudelijk op de klaagbrieven. Na zes stuks is het ook wel mooi geweest.[3] Zijn vraag is voor Saaki aanleiding om uitgebreid uit te leggen dat de nadelen van een maîtresse veel groter zijn dan die van een echtgenote. Op de argumenten van Saaki zal ik in een volgende voetnoot terugkomen. Spoiler: we zijn nog niet van Thomas Brown af! – Jac Fuchs


[1] Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 20 (1997) nr. 3 (themanummer: Maandelyksche ‘tZamenspraaken). 

[2] Thomas Brown, Works of Mr. Thomas Brown, deel 4 (Londen 1711), p. 27-49. De hier gebruikte link wijst naar een editie uit 1720.

[3] De bijdrage van Rudolf Dekker aan het eerdergenoemde themanummer gaat in op de vraag hoe humoristisch de samenspraak van Kidi en Saaki is.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.