Voetnoot 197

Bronnen voor het derde deel van De historie des pausdoms 6 – De opdracht

dinsdag 9 februari 2021 – Het voorwerk van deel 3 van De historie des pausdoms (1728) bestaat uit twee delen: een ‘Opdracht’ en een ‘Aan de lezer’.[1]

Iedere lezer zal verbaasd opkijken van de titel ‘Opdragt aan den Baron van Ripper**’, waarin de naam niet voluit is geschreven. Weyerman doet dit wel vaker in zijn satirische tijdschriften. Tijdgenoten van Weyerman konden de naam moeiteloos aanvullen en wisten wie er op de hak genomen werd. Dat is ook hier het geval, want de opdracht is niet serieus bedoeld maar is een satirische tekst. Voor de moderne lezer moet de naam wel aangevuld worden en moet ook worden uitgelegd wie die persoon was. Weyerman draagt zijn derde deel op aan Johan Willem baron van Ripperda (1682-1737).

Baron van Ripperda was een Groningse jonker, die zich met list en bedrog wist op te werken tot lid van de Staten-Generaal en ambassadeur voor de Republiek in Spanje. Daar werd hij ook ambassadeur van het koninkrijk Spanje en later zelfs eerste minister. Van Filips V kreeg hij de titel van hertog. Om dit alles te bereiken moest hij eerst van het rooms-katholicisme overgaan tot het protestantisme en later in Spanje weer terugkeren in de schoot van de moederkerk. Door al zijn manipulaties en malversaties viel hij uiteindelijk in ongenade. Hij werd ontslagen uit al zijn ambten en gevangengezet in het Alcázar te Segovia.

Weyerman was goed op de hoogte van het doen en laten van Ripperda. Dat is niet zo verwonderlijk, want de baron haalde regelmatig de krant.[2]

In de nacht van 30 augustus 1728 wist Ripperda te ontsnappen uit de gevangenis. Hierbij werd hij geholpen door onder andere Josepha Ramos, het dienstmeisje van de slotvoogd van het Alcázar met wie Ripperda een relatie was begonnen. Zij was op het moment van de ontsnapping zwanger van hem.[3]

De ’s Gravenhaegse Courant maakte op 29 september 1728 als eerste melding van de ontsnapping.[4] Weyerman refereert in zijn opdracht aan dit nieuwsfeit en heeft het over ‘Segovia’, ‘het gedrag van uw onlangs ontsnapte Edelheyt’ en ‘het verzaaken van uw echte vrouw’. De opdracht is dus na deze gebeurtenis geschreven. Het derde deel van De historie des pausdoms heeft weliswaar het jaartal 1728 op de titelpagina staan, maar volgens de advertenties in de Amsterdamse Courant van 15 en 17 februari 1729 verscheen het derde deel pas op de laatstgenoemde datum.[5]

Waarom draagt Weyerman zijn derde deel van De historie des pausdoms op aan de Baron van Ripperda? Vermoedelijk omdat hij vond dat het iemand moest zijn met bijzondere eigenschappen, iemand die zich kon meten met de paus. Zo schrijft hij:

Wie doch is gelyk aan den Paus van het beenderryk Romen, als den Baron van Ripper**, dewyl zo den eerste als den laatste altoos heeft gepoogt, geslaaft, gewaakt, gezwoegt, gezweet, ja ziel en licghaam gewaagt, om zyn aardsch geluk te stichten op de totale verwoesting der ligtgeloovigen. Het is waar dat den eerste zyn arme ziel, en den tweede zyn fatsoen heeft ’t zoek gemaakt, dat den Paus zyn stedehouderschap, en den geweeze Hartog van Ripper** zyn karakter heeft misbruykt, en dat zy beyden hun Heer en Meester hebben verlooghent; maar wat dan, dewyl ’er maar twee wegen zyn bekent om zich te vereeuwigen, en dat die twee wegen maar een lettergreep verscheelen, namelyk door de deugd of door de ondeugd, is het geen ongemeen wonder dat een gespan linksche guyten den rechten weg misloopt, en in het middelpunt aller heyllooze schelmstukken komt te vereenigen.[6]

Halverwege de opdracht verschijnt er een ‘gediskarteert [ontslagen/verwijderde – JB] hoveling’, die Weyerman een boekje opendoet over het hof en de hovelingen. De tekst past mooi in een traditie. In 1528 verscheen Het boek van de hoveling van Baldassar Castiglione, waarin de volmaakte hoveling beschreven wordt. Ooit dichtte Huygens over de ‘sotte’ en de ‘wyze hoveling’ in zijn Otia. (1625). Maar Weyermans tekst is geheel ironisch en doet denken aan een satirische karakterschets. Ik vond de tekst terug in The English Theophrastus (1702).[7] Vergelijk:

The English Theophrastus (Londen 1702), p. 111
The Prince gives to the Great ones at Court, an Air of State, Pride, and Mastery, for them to retail to their Inferiors. They are the very Apes of a King, and pay him a great Veneration and Respect, because they expect the same from other People.

De historie des pausdoms (Amsterdam 1728), dl. 3, p. **2r
Noch vertelde dien hoveling, dat de Vorsten dikmaals een air van staat, hovaardy en meesterschap gaaven aan hunne Ministers, om die by de kleyne maat aan de mindere voetzoekers uyt te venten. Die Ministers waaren, na zyn zeggen, ’s Konings aapen, die hem met een godsdienstige eerbiedenis eerden en vierden, niettegenstaande zyn onnoozele hoedaanigheden, alleenlyk dewyl zy die zelve wierook te gemoet zaagen van andere Hovelingen.

Weyerman vraagt aan de hoveling of hij de baron ook heeft gekend. Het antwoord is bevestigend. Vervolgens geeft de hoveling in niet mis te verstane bewoordingen een karakterschets van Ripperda. Ook voor deze tekst vond Weyerman inspiratie in een hoofdstuk uit The English Theophrastus.[8] Helemaal aan het eind van de opdracht heeft Weyerman het over de heerszucht. Deze tekst ontleende Weyerman aan het hoofdstuk ‘Ambition’ uit dezelfde Engelse bron.[9] – Jan Bruggeman

¶ Voor het derde deel van De historie des pausdoms (1728) heeft Weyerman verschillende bronnen gebruikt. Zie hierover Voetnoot 122,  Voetnoot 125Voetnoot 130Voetnoot 151 en Voetnoot 152


[1] Jacob Campo Weyerman, De historie des pausdoms, dl. 3 (Amsterdam 1728). De ‘Opdragt aan den Baron van Ripper**’ staat op p. *2r-2*4v. ‘Aan den partydigen leezer’ staat op p. 2*1r-2*4v.

[2] Een uitgebreid verslag van de arrestatie van de baron staat in de Amsterdamse Courant van 15 juni 1726.

[3] Wie meer wil lezen over Ripperda, verwijs ik graag naar het schitterende boek van Sytze van der Veen: Een Spaanse Groninger in Marokko. De levens van Johan Willem Ripperda (1682-1737) (Amsterdam 2007).

[4] De Leydse Courant van 1 oktober 1728 maakt melding van het bericht van de ontsnapping; idem Amsterdamse Courant van 2 oktober en de Oprechte Haerlemse Courant van 5 oktober 1728.

[5] Advertenties om in te tekenen verschenen er in Den Echo des Weerelds, dl. 2, afl. 28 (28 april 1727), p. 224, in afl. 29 (5 mei 1727), p. 232 en in afl. 31 (19 mei 1727), p. 248. De intekening liep tot 20 mei van dat jaar. De intekenaars hebben dus bijna twee jaar moeten wachten op het derde deel. Een advertentie met een oproep voor de intekenaars en de vermelding dat er nog enkele exemplaren zijn voor liefhebbers die niet hadden ingetekend, verscheen in De Doorzigtige Heremyt, afl. 23 (28 februari 1729), p. 184. Hier is ook te lezen dat er geen exemplaren meer te krijgen zijn na 14 maart.

[6] Jacob Campo Weyerman, De historie des pausdoms, dl. 3 (Amsterdam 1728), p. *2r-*2v.

[7] The English Theophrastus (Londen 1702), p. 111-115 (‘Of the Court, and Courtiers’) en p. 126 (‘Cunning, Tricks, Shifts, Treachery’).

[8] The English Theophrastus (Londen 1702), p. 131 (‘Calumny, Detraction, Slander, Tale-bearers’).

[9] The English Theophrastus (Londen 1702), p. 63-64 (‘Ambition’).

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.