Voetnoot 200

Het gevecht tussen Fortuin, Zotheid, Verstand en Deugd in de herhaling

dinsdag 23 februari 2021 – In de tijdschriften van Weyerman wordt regelmatig geadverteerd voor werken van hem die binnenkort zullen uitkomen of die net zijn verschenen. Een enkele keer publiceert Weyerman al een tekstfragment om zijn lezers warm te maken voor de nieuwe publicatie. Zo kunnen we in Den Echo des Weerelds enkele verhalen lezen, die daarna deel zijn gaan uitmaken van De voornaamste beweegredenen en omstandigheden die aanleyding hebben gegeeven aan Moses Marcus tot het verlaaten van den Joodschen, en tot het aanneemen van den Kristelyke godsdienst.[1] Ook een paar schildersbiografieën treffen we al aan in zijn tijdschriften, voordat ze werden opgenomen in een van de delen van de Konstschilders.[2]

Een enkele keer gebeurt het dat Weyerman een tekst of korte humoristische anekdote opnieuw vertelt. Dat heb je als onderzoeker niet altijd in de gaten, omdat je je vaak beperkt tot één werk of één tijdschrift. Nu Jac Fuchs en ik intensief bezig zijn met het oeuvre van Weyerman en daarbij alle werken bekijken, is het ons al enkele keren opgevallen dat Weyerman zich herhaalt. Dat doet hij niet letterlijk. Hij verandert soms iets aan de tekst, de personages of de vorm van de vertelling. Uit de inventarisatie die Jac Fuchs heeft gemaakt, geef ik een handvol voorbeelden.

In De Doorzigtige Heremyt (1729) brengt Weyerman in twee afleveringen een toneeltekst getiteld ‘De rechtbank der koekoeken’.[3] Die tekst is een vertaling van een toneeltekst van Thomas Brown (zie Voetnoot 79). In de Maandelyksche ’t Zamenspraaken (1726) ontdekte Jac Fuchs onlangs de tekst in een vrije bewerking, maar hier worden de aanklachten van de bedrogen mannen gebracht in de vorm van verzoekschriften (zie Voetnoot 186).[4] 

Jac Fuchs trof in de Maandelyksche ’t Zamenspraaken eveneens de zogenaamde vloeksonnetten van Petrarca aan, die Weyerman ook opnam in zijn derde deel van De historie des pausdoms (1728) (zie Voetnoot 194 en Voetnoot 152).[5]

In Voetnoot 95 vertelde ik al dat de eenakter Het eedgespan der apotheekerseindigt met een schertsrecept. Ditzelfde recept vinden we terug in Den Kluyzenaar in een Vrolyk Humeur. Hier schrijft Weyerman het voor aan iemand die een schijnheilige wil worden.[6]

Veel kleiner is een grapje in Den Echo des Weerelds over een wond die schoolmeester Rossignol oploopt. Die wond moet snel behandeld worden, anders zal die vanzelf genezen en loopt de barbier zijn honorarium dus mis. Dezelfde grap vertelt Weyerman twee jaar later nogmaals in zijn beschrijving van Johannes de la Croix, zijn huisbaas in Abcoude.[7]

In deze 200ste (!) Voetnoot kijk ik naar een ingezonden brief in Den Laplandsche Tovertrommel.[8] Johannes Gallina[9] vraagt aan Weyerman of het waar is of niet, ‘dat ’s menschen leeven wort beheerscht door de lukgodin, en niet door de wysheyt’.[10]

Weyerman antwoordt, ‘dat de zotheyt den rang heeft boven het verstant’. Hij zal ook uitleggen hoe dat komt. Vervolgens vertelt hij dat tijdens de Olympische Spelen fortuin en zotheid vochten tegen het verstand en de deugd. Je zou verwachten dat verstand en deugd dit gevecht gemakkelijk zouden winnen, maar dat gebeurde niet. Fortuin sloeg blind om haar heen en zotheid, die van nature roekeloos is, bracht de tegenstanders wond op wond toe. Verstand en deugd moesten zich terugtrekken en werden uitgejouwd. Fortuin en zotheid werden ‘verheven by het dom gemeen; en van die tyd heeft de werelt de vergulde ezels en de onderneemende narren voor de waardigste Adam’s kinders geschat, en het is by die waardeering verbleeven’.[11]

Dit verhaal had Weyerman al eerder verteld in Den Vrolyke Tuchtheer (1730).[12] Hier vochten de vier zinnebeeldige figuren op de kermis van Scheveningen. Ik schreef er al over in Voetnoot 136.

De anekdote ontleende Weyerman aan The anatomy of melancholy van Robert Burton.[13] In Den Vrolyke Tuchtheer bracht Weyerman de tekst als een ‘Waarschynlyk Sprookje’, in Den Laplandsche Tovertrommel is het zijn antwoord op een ingezonden brief. – Jan Bruggeman


[1] In Den Echo des Weerelds, dl. 1, afl. 12 (7 januari 1726), p. 91-96, verschenen vier Joodse vertellingen. Deze staan in Moses Marcus (Amsterdam z.j. [1726]), op p. 22-27, 29-30.

[2] In Den Echo des Weerelds lezen we bijvoorbeeld in dl. 2, afl. 49 (22 september 1727) en 50 (29 september 1727), p. 385-400 een anekdote over de tapijtschilder ‘Bon Homme’. In de Konstschilders is het verhaal opgenomen onder diens echte naam: Willem de Fochier. Zie De levens-beschryvingen der Nederlandsche konst-schilders en konst-schilderessen, dl. 3 (’s-Gravenhage 1729), p. 409-446.

[3] De Doorzigtige Heremyt, afl. 14 (27 december 1728) en 15 (3 januari 1729), p. 105-120.

[4] Maandelyksche ’t Zamenspraaken (Amsterdam 1726), p. 201-208.

[5] Maandelyksche ’t Zamenspraaken (Amsterdam 1726), p. 579-583. De historie des pausdoms, dl. 3 (Amsterdam 1728), 2e verdeling, p. 42-44. De vloeksonnetten zijn al eerder opgemerkt door Marja Geesink in haar artikel ‘Verscheyde Byzonderheden, tot nog toe by geen schryvers aangeraakt. Weyerman en Isaac Bullart’, in: MedJCW 20 (1997), p. 115-122.

[6] Den Echo des Weerelds, dl. 2, [afl. 11] (30 december 1726), p. 88 en Den Kluyzenaar in een Vrolyk Humeur, afl. 3 ([1733]) p. 23-24.

[7] Den Echo des Weerelds, dl. 1, afl. 49 (23 september 1726), p. 391. De Doorzigtige Heremyt, afl. 3 (11 oktober 1728), p. 22.

[8] Den Laplandschen Tovertrommel, afl. 8 (20 augustus 1731), p. 70-72 [= p. 62-64].

[9] Gallina betekent in het Spaans niet alleen kip, maar ook groentje, melkmuil, lafaard of pantoffelheld.

[10] In een voetnoot geeft Weyerman het Latijnse citaat van Tullius (Cicero): ‘Vitam regit fortuna, non sapientia’ (Het geluk bepaalt het leven, niet de wijsheid). Het citaat komt uit Tusculanarum disputationum, Liber V, 9 van Cicero. Jac Fuchs schreef hier al over in zijn artikel ‘Weyermans Laplandschen tovertrommel (1731): een chantageblaadje?’, in: MedJCW 38 (2015), p. 10-25.

[11] Den Laplandschen Tovertrommel, p. 71.

[12] Den Vrolyke Tuchtheer, 30 januari 1730, p. 244.

[13] Democritus Junior [= Robert Burton], The anatomy of melancholy (Oxford 1638), p. 19. Het Latijnse citaat staat op p. 22.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.