Over Liesje en Sit

Apotheek en neerlandistiek in Amsterdam

dinsdag 9 maart 2021 – In Apotheek Oey legt René Oey een Amsterdamse familiegeschiedenis vast, zijn familiegeschiedenis. Het komt niet zo vaak voor dat je bij het lezen van een boek in een bepaald hoofdstuk een ruimte betreedt waar je, lang geleden, ook was, maar in Apotheek Oey was dat het geval.

Blikvanger van het boek van Oey is de apotheek van zijn vader op de Prinsengracht, hoek Leliegracht. Vele malen met verwondering de etalage van de apotheek gezien: dat was een expositieruimte. In het boek van Oey wordt de geschiedenis van de artistieke apotheker en zijn geleerde en belezen echtgenote verhaald, maar ook hun beider voorgeschiedenis: die van Sit, die levenslang verlangde naar het China dat hij slechts uit verhalen kende, en van Liesje de Vita en het joodse Amsterdam. 

In het verhaal van Sit is een belangrijke rol weggelegd voor zijn vriendschap met Willem Frederik Hermans. Hermans verschijnt in het boek als een trouwe vriend, ongemakkelijk in de wereld, maar thuis in de vriendschap en gezegend met een geweldige knie waar Hester Oey, de tweelingzus van René, graag op zat.

Het verhaal van Liesje verplaatst de lezer in de wilde jaren van de Amsterdamse neerlandistiek, toen de heerschappij van de meesterlijke en tirannieke Hellinga haar laatste dagen telde en de studentenrevolte de neerlandistiek ontregelde en ‘en passant’ over lijken ging. Liesje Oey raakte vermalen tussen de oude neerlandistiek, die zij bewonderde, en de nieuwe, die zij verafschuwde. In een brief aan W.F. Hermans maakt Liesje Oey bitter de balans op van de vernieuwingen.

Liesje bleef werken aan haar boek over de Amsterdamse schouwburg, samen met haar begaafde studente Marja Geesink. In Apotheek Oey komt de moeizame wording van Academie en Schouwburg. Amsterdams toneelrepertoire 1617-1665 (Amsterdam 1983), auteurs E. Oey-de Vita en M. Geesink, aan de orde. Liesje verloor steeds vaker het geestelijk evenwicht, het huwelijk met Sit liep mis, maar in een zekere gewapende vrede bleven beiden bij elkaar.

In een van haar laatste jaren sleepte André Hanou me mee naar de Prinsengracht. Hoewel Liesje al heel lang niet meer op het Instituut werkte, bleven sommige oud-collega’s haar trouw. In het boek komen Jan Fontijn en Wouter Voskuilen meer dan eens langs. Ofschoon René Oey met enige bitterheid spreekt over de ontrouw van oud-collega’s en vrienden in de jaren van opname, valt op dat die oud-collega’s en vrienden in zijn verhaal desondanks met enige regelmaat opduiken. André, duidelijk zeer gesteld op Liesje – en dat leek wederzijds – vond dat ik mee moest naar Liesje.

Waarom? André wilde een film maken over Weyerman en de alchemist Syberg. Liesje, hij en ik zouden het scenario schrijven. Ik denk dat het in het najaar van 1982 of het voorjaar van 1983 was; ik had dat jaar mijn kamer in Amsterdam nog (hoewel ik in Nijmegen werkte) en in weekends zocht ik naar de nog maar net verloren tijd. Het huis van Sit en Liesje was prachtig, asbakken vol, glazen vulden zich haast vanzelf en we fantaseerden en fantaseerden. We wisten al wie we voor de rol van Weyerman wilden en ook wie kandidaat Syberg was. Er stond nog geen letter op papier.

Drie of vier bijeenkomsten. Er kwam wel enig schot in de onderneming, teksten kwamen ter tafel en al tijdens het eerste gesprek was duidelijk dat zoon Alexander de regie zou voeren. Af en toe schoof hij even aan, sprak aanmoedigende woorden en liet ons weer. Als het echt laat was, kwam Sit even luisteren. Die film, hm, dat is niets geworden.

Latere sessies werden geannuleerd. Ik geloof dat dat was omdat het niet goed ging met Liesje. In het boek kan ik bijna de pagina aanwijzen waar wij hadden gepast als de film er wel was gekomen. 

In 1984, op 3 februari, kocht ik bij Postma in ’t Huis aan de drie Grachten voor ruim 72 gulden vier boeken. Ik was leraar en wilde het me veroorloven: een Tuchtheer van Weyerman (maar die had ik toch al?), een Hooft-editie, een Palamedes-editie en Academie en Schouwburg. Het boek van Liesje en Marja (35 gulden) staat sindsdien in mijn kast; het heeft allerlei stormen van opruimwoede doorstaan en vandaag heb ik het even op mijn bureau gelegd. Met bewondering heb ik dit naslagwerk, over de vertoningen op de podia van de Academie en de Schouwburg, met data en opbrengsten, bekeken en me de bange vraag gesteld of het geduld en de precisie, nodig voor dit onderzoek, nog wel bestaan in de neerlandistiek van nu. – Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.