Voetnoot 243

De demon van Socrates

donderdag 6 januari 2022 – In heel wat tijdschriftafleveringen van Weyerman lezen we over Demon (Daemon), de geest die hem vergezelschapt naar het koffiehuis, brieven of drukwerk bezorgt, of met interessante informatie over stadsgenoten komt. Zo schrijft hij in Den Vrolyken Tuchtheer:

Myn gemeenzaame Geest, zo befaamt by den naam van Demon, als het gebankroteert landkrabbetje dat op een paar cornemuses[1] loopt berucht is wegens zyn sprong in het duyster, kwam my op gisteren nacht uytnooden, om, in navolging van Don Diego Lucifuge, eenige bezielde nachtgespensen te krayoneeren, die, zo hy voorgaf, alzo schilderachtig waaren als de ordonnantien van den beroemden Jan Steen, een schilder die wel zo fix is geweest in het uytvoeren van zyn karakters, als zyn nakomelingen.[2]

Een ander voorbeeld is te vinden in Den Laplandschen Tovertrommel. Daar bevindt de auteur zich opeens op miraculeuze wijze in Parijs, waar hij samen met de ‘Laplandschen Demon’ een pruikenmakerswinkel in de Rue de la Huchette bezoekt.[3]

Hoe komt Weyerman aan zijn Demon? In Weyermans eerste tijdschrift De Rotterdamsche Hermes vertelt Demon zelf dat hij eerst Theophrastus heeft gediend, maar nu de gedachten van Hermes zal besturen.[4] Over de arts-alchemist Theophrastus (1493/1494-1541), beter bekend onder de naam Paracelsus, wordt verteld dat in de knop van zijn zwaard een geest verborgen zat.

Elly Groenenboom schrijft in haar proefschrift dat Weyerman zijn demon mogelijk heeft ontleend aan het daemonion van Socrates. Hij kan hierover hebben gelezen in Burtons The anatomy of melancholy.[5] Het daemonion van Socrates was een innerlijke stem, die in het leven van de filosoof als beschermer en bestuurder optrad.

In Den Amsterdamsche Hermes gaat Weyerman dieper op het onderwerp in:

De familiaare geest van Socrates was een God, volgens Apuleus; een duivel, volgens Lactantius, en volgens Plutarchus was het een rechts of links genies. Maximus van Tyrus kent geen anderen familiaaren geest van Socrates, dan een wroeging van ’t gewisse, door dewelke hy de oploopentheid van zyn temperament matigde.[6]

Weyerman noemt nog meer mensen met een ‘familiare geest’. Caesar Borgia had als demon de staatsman Machiavelli. De hertog van Luxemburg en maarschalk van Frankrijk begon nooit aan een veldslag zonder het advies van zijn familiare geest. ‘Die Geest was zyn ervarentheid, Victorieuse Armê, wisse kondschap, en diergelyke duivelaryen van een Generalissimus’.[7] En de crimineel Jaco had zeer bedreven bendeleden als geesten. Zij waren bekwame gidsen en ‘zagen beter by nagt dan een Engelsch Comies, die door het vuur van uitheemsch goud tot een Bellisarius is gemaakt’.[8] Weyerman eindigt dit korte vertoog met een duidelijk standpunt:

De voornaamste familiaare geest van een verstandig Man, is voorzigtigheid, aandagtigheid, en nadenking noch de Goden van het Heidendom, noch die besloote †Mandragorâs-geesten, noch het genies, noch diergelyke bygeloovigheden, raken noit het opperkleet van een Wysgeer. Hy is zyn eigen Alraun, zyn Daemon, en zyn familiaaren geest.[9]
 Mandragora is een wortel die gefatzoeneert word tot een Pisdiefje.

Riet Hoogma en Mandy Ruthenkolk hebben in hun editie van Den Amsterdamschen Hermes alle genoemde personen van een voetnoot voorzien.[10] Ze hebben ook de klassieke auteurs achterhaald die in hun werk het daemonion van Socrates bespreken. 

Jac Fuchs en ik kijken tegenwoordig met andere ogen naar zo’n passage. Bij zoveel verschillende auteurs en zoveel verschillende boeken vragen wij ons af, of Weyerman die werken wel allemaal zelf heeft gelezen. Of heeft hij soms gebruik gemaakt van het onderzoek van iemand anders?

Ik vond het fragment over het daemonion van Socrates terug in Reflexions upon ancient and modern philosophy,[11] dat blijkens de titelpagina is vertaald uit het Frans door ene A.L. Het filosofische werk is geschreven door René Rapin en was twee jaar eerder verschenen in het Frans.[12]

René Rapin (1621-1687) was een jezuïet en in zijn tijd een beroemd auteur. Zijn verzameld werk verscheen in Amsterdam in de jaren 1709-1710. Naast zijn Réflexions sur la philosophie ancienne et moderne schreef hij ook Réflexions sur l’usage de l’éloquence de ce temps (Parijs 1671) en Réflexions sur la poétique d’Aristote et sur les ouvrages des poètes anciens et modernes (Parijs 1674). Het is maar een klein fragment dat Weyerman uit het werk van Rapin overneemt. Hopelijk ontdekken we snel dat hij deze interessante bron ook voor andere afleveringen heeft gebruikt. – Jan Bruggeman


[1] Een ‘cornemuse’ is een doedelzak. Het ‘gebankroteert landkrabbetje’ loopt waarschijnlijk gebrekkig, met twee krukken. Mogelijk heeft hij zelfs een houten been.

[2] Den Vrolyke Tuchtheer, 16 januari 1730, p. [225].

[3] Den Laplandschen Tovertrommel, afl. 2 (9 juli 1731), p. 10.

[4] De Rotterdamsche Hermes, afl. 24 (2 januari 1721), p. 130.

[5] E. Groenenboom-Draai, De Rotterdamse woelreus (Amsterdam/Atlanta 1994), p. 119 en Robert Burton, The anatomy of melancholy, deel 1 (Oxford 1638), p. 44 (‘Digression of Spirits’).

[6] Den Amsterdamschen Hermes, dl. 1, afl. 8 (18 november 1721), p. 61.

[7] Ibidem.

[8] Ibidem.

[9] Den Amsterdamschen Hermes, dl. 1, afl. 8 (18 november 1721), p. 62.

[10] Jacob Campo Weyerman, Den Amsterdamschen Hermes I (1722), no. 1-8, Voorafgegaan door Het papiere voorhangsel. Ed. Riet Hoogma en Mandy Ruthenkolk (Leiden 1996), p. 202-204.

[11] Reflexions upon ancient and modern philosophy, and on the use that is to be made thereof in religion (Londen 1678), p. 128-129.

[12] [René Rapin], Réflexions sur la philosophie ancienne et moderne, et sur l’usage qu’on en doit faire pour la réligion (Parijs 1676), p. 130.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.