Voetnoot 244

Het gevederde parlement: een vogelshow of een parade van mensen?

woensdag 12 januari 2022 – Op 12 november 1725 opende Weyerman Den Echo des Weerelds met een spectaculair verhaal: hij was ’s nachts wakker geworden door het lawaai van zijn groene papegaai.[1] Het beest was uit zijn kooi ontsnapt en was op weg naar een jaarlijkse vergadering van in gevangenschap gehouden exotische vogels.

Weyerman mag met hem mee naar die vergadering. Daar bespreken enkele vogels de eigenaardigheden van hun baasjes. Een blauwe Oost-Indische raaf blijkt bij een filosofisch ingestelde kleermaker te wonen, een loeri geeft een inkijkje in de keuken van een horror-kok, een parkiet vertelt over een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken, en een papegaai heeft een baas die aan jicht lijdt.

Aan het einde van de aflevering stelt Weyerman ons enkele karakters in het vooruitzicht: 

Verwacht het Karakter van een zindelyke Juffer, het Karakter van Mevrouw Kameel, van een Lichtmis, van een Beunhaas in Akties, en van een Haagsche Kamenier, naauwkeuriglyk na het leeven afgeschetst, en opgeschildert met natuurlyke Koleuren.

De volgende aflevering begint met een reactie van Weyerman op de kritiek dat hij sprookjes vertelt en met de mededeling dat het ‘Karakter van een Zindelyke Vrouw’ een plaats heeft gekregen in De historie des pausdoms. Daarna vertelt Weyerman ons ‘De Fabel van de Leeuw en de Schaapen’. Vervolgens komt hij met ‘Het VERVOLG van ’t Gevedert PARLEMENT’, waarin meer vogels over hun baasjes vertellen. De baasjes blijken de beloofde karakters te zijn: Mevrouw Kameel, de zoon van de Heer Goudmyn (een opgeblazen nietsnut), een Beunhaas in Akties en de kamenier van mevrouw Falbala.

Na die verhalen is het de beurt aan Weyermans groene papegaai. Deze deelt mee dat Weyerman zijn baas is en dat die alle verhalen optekent. Dat leidt tot grote paniek: de vergadering stuift uiteen en Weyerman wordt wakker: het blijkt allemaal maar een droom geweest te zijn.

Beide afleveringen van Den Echo hebben ooit al een voetnoot gehaald. De kok die gerechten met een speciale bite bereidt, is al besproken in Voetnoot 107. De ‘Waarschouwing’ over het traktaat van Kees de Palingkok aan het slot van de tweede aflevering is een van de nep-advertenties die in Voetnoot 142 aan de orde kwamen.

Toen ik die Voetnoten schreef, zag ik de droom van Weyerman als een dierenverhaal: de vogels zijn de vertellers en hebben van Weyerman enige karakterisering meegekregen. Maar ik kijk daar nu anders tegenaan. Weyerman kondigt aan het einde van de aflevering van 12 november namelijk niet het vervolg van het gevederde parlement aan, maar stelt de plaatsing van een reeks karakters in het vooruitzicht. Hoe hij op het idee is gekomen om de karakters door vogels te laten presenteren, weet ik niet, maar het was hem te doen om de karakters. Zijn inspiratiebron daarvoor heb ik wél teruggevonden. Het is The London Terrae-filius, het tijdschrift van Ned Ward waaruit Weyerman ook het idee voor het traktaat van Kees de Paling-kok haalde.

Alle karakters zijn door Weyerman aangepast, maar hebben duidelijke overeenkomsten met hun Engelse verwanten gehouden. Om te beginnen is er Mevrouw Kameel,[2]

[…] die zeer verlieft is op haar mismaaktheden, of schoon zy al het Air heeft van de eerste Chaos in zyn Verwarring, staande haar Armen en Beenen zo verdraait en schrylings als een Hannekemaayers Tabakstopper gebytelt uyt de kromme Tak van een Haagappel-boom.

Hiervoor heeft Weyerman de volgende passage uit Ned Wards London Terrae-filius gebruikt:

Pray make room for Madam Camel; Here comes one of the most indigested Lumps of Womanish Imperfection that ever was proud of her own Deformities: She’s such a walking Emblem of Anarchy, or Confusion, that I can never cast an Eye upon her distorted Ladiship, without thinking upon the Chaos; for her Legs and Arms stand as crooked and as straggling as a Plowman’s Tobacco-stopper, cut out of a Crab-tree Hedge,[3]

Dan is er bij Weyerman het zoontje van de Heer Goudmyn,[4]

dat meestentyds met roode Koussen, met een veer op de Beverkastoor, en met een lange Degen op Zy loopt, schoon hy geen meer Recht heeft tot den Tytel van een Officier, als tot die van een Filosoof. Die Knaap is een onverbeterlyke quant, wiens Mond zo overvloediglyk met Eeden, G**dslasteringen, en Vervloekingen is gevoert, als het Delfsch Magazyn vervult is met Snaphaanen, Degens en Bajonetten.

Bij Ned Ward luidt deze passage:

Here comes a Blustering Man of Mettle for you, in Red Stockins and an Edg’d Hat, tho’ he has no more Title to the Character of a Soldier, than he has to that of a Philosopher; this is one of those Incorrigible Profligates, whose Mouth is as plentifully lin’d with Oaths, Blasphemies, and Execrations, as the Tower Arsenal is with Guns, Swords, and Bagonets.[5]

Deze jonge heer Goudmyn is dus dezelfde persoon als de vijfde reiziger die in 1727 de steiger van Meer en Hoef zou bezoeken (zie Voetnoot 241).

De parkiet van de Beunhaas in Akties vertelt in Den Echo des Weerelds over zijn baas:[6]

Ik zalje niet vertellen van wat Religie hy is, dat Geheym is maklyk te leezen in de Spiegel van zyn Karakter; doch hy is aangaande zyn broodwinning een Beunhaas, een grondgierig Sterveling, een Rusp, die voor dag en daauw op staat, zoekende een Zot om op te ontbyten.

Ook deze tekst is terug te voeren op Ned Wards London Terrae-filius:

I need not tell you his Religion, you may guess that by his Character: But as to his Business, he is one of those City Caterpillars call’d a Stock-Jobber, an Avaritious Mortal, that runs Abroad, as the Devil does, like a Roaring Lyon, seeking whom he may Devour:[7]

De karakterparade wordt bij Weyerman afgesloten door de kamenier van mevrouw Falbala:[8]

Die Kamenier bedekte haar geele Tronie met een grooter Quantiteyt Verkens-reuzel als de Keukenmeyd van doen had om een paar Dozyn Pannekoeken te bakken, en bestrooide dan haar Voorhoofd zo dik met gepulverizeert oraanje bloeisel, tot dat ze ‘er uyt zag als een Molenaars Wyf die versch uyt de Molen komt. 

Bij Ned Ward luidt deze passage:

I’ll warrant she has as much Pomatum, or Hogs-Lard upon her Face, to hide the sodden Crevices of her decay’d Countenance, as would fry a Pancake, puff’d over with Orangeree-Powder, till she looks as pale as a Miller’s Wife just come from Grinding;[9]

Rest nog de vraag of de Zindelyke Dame die naar de Historie des pausdoms verhuisd is, ook een Engels familielid had. En natuurlijk had zij dat:[10]

Een al te zindelyke Bedgezellin wort zo wonderlyk befaamt door haar nette Huyshouding en door een onverdraagelyke Huysliefde, dat zy veeltyds om het Eerste verwenscht, en zeer zelden Bedankt wort voor het Tweede. Haar voornaamste Werk is om ’s Morgens vroeg de planke Vloer te ondervraagen door een Damaste Servet […]

Ned Ward had namelijk geschreven:

Madam Bussel, so wonderfully fam’d for her good Huswifry and Charity, that she’s often Curss’d for the one, and seldom Thank’d for the other: As for her Cleanliness, ‘tis so very extraordinary, that she trys the Floor of her Chamber every Morning with a clean Napkin;[11]

Voor mij is het gevederde parlement niet langer een dierenverhaal. Het is een optocht van mensen geworden.

Voor wie geen toegang tot ECCO heeft maar de vijf karakters uit The London Terrae-filius van Ned Ward in hun geheel wil inzien, is de Bijlage Vijf karakters van Ned Ward een aanbeveling. – Jac Fuchs

¶ Illustratie 1: Melchior d’Hondecoeter, Menagerie, waarop onder meer kaketoes, papegaaien, parkieten en een loeri afgebeeld zijn. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.
¶ Illustratie 2: Paul Sandby, Het voorlezen van een proclamatie in Edinburgh in 1745. Collectie British Museum. 


[1] Den Echo des Weerelds, jrg. 1, nr. 4 (12 november 1725), p. 25-32.

[2] Den Echo des Weerelds, jrg. 1, nr. 5 (19 november 1725), p. 35-36.

[3] Ned Ward, The London Terrae-filius, nr. 4 (1707), p. 11-17 (‘ Madam Camel’).

[4] Den Echo des Weerelds, jrg. 1, nr. 5 (19 november 1725), p. 36-37.

[5] Ned Ward, The London Terrae-filius, nr. 4 (1707), p. 28-33 (‘a Blustering Man of Mettle’).

[6] Den Echo des Weerelds, jrg. 1, nr. 5 (19 november 1725), p. 37-38.

[7] Ned Ward, The London Terrae-filius, nr. 5 (1708), p. 18-24 (‘an Honest Conscientious Fellow’).

[8] Den Echo des Weerelds, jrg. 1, nr. 5 (19 november 1725), p. 38-39.

[9] Ned Ward, The London Terrae-filius, nr. 5 (1708), p. 24-30 (‘a Female Figure worth every Body’s gazing at’).

[10] De historie des pausdoms, dl. 2 (Amsterdam 1725), p. ****4r-*****v (‘Aan de nieuwsgierige leezers’).

[11] Ned Ward, The London Terrae-filius, nr. 2 (1707), p. 24-29 (‘that Notable stirring Lady, Madame Bussel’).

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.