Voetnoot 247

Weyerman over zijn ontmoetingen met Syberg

vrijdag 4 februari 2022 – In Voetnoot 246 behandelde ik de opdracht die Weyerman schreef voor het tweede deel van De leevens byzonderheden van Johan Hendrik, baron van Syberg, heer van Ermelinghoven en Bonckersbek, &c. De passages in dit werk over ‘hogere kennis’ gaan nogal langs mij heen, maar over de rest van het boek kan ik wel iets zeggen. 

Die rest bestaat uit de beschrijving van Weyermans ontmoetingen en gesprekken met Syberg. Ook vertelt Weyerman wat hij verder meekreeg van de handel en wandel van de nep-baron. Ik noem dat maar even de ‘harde feiten’. In de weergave van de harde feiten zette Weyerman verschillende hulptroepen in. Een voorlopige overzicht.

Nicholas Ling als bron – In het eerste deel van De leevens byzonderheden kan ik vooralsnog maar één voorbeeld aanwijzen van die hulptroepen: dit deel bevat dan ook slechts weinig verslaggeving ‘naar het leven’. Op p. 48 gaat Weyerman bij Syberg op bezoek. Hun gesprek is voornamelijk vakinhoudelijk. Op p. 85 dient zich nog iemand aan, ‘de derde Heer’. Syberg vertelt dan een ‘sprookje’ over hoe een kennis van hem in Warschau een edelman te kijk zette. Nadat Weyerman hem vraagt of een Rozenkruiser zichzelf onzichtbaar kan maken, is de baron het toch even zat. Op p. 100 stelt hij dan ook voor om te gaan dobbelen. Weyerman ziet daar echter weinig in en: 

Den derde Heer viel my mee [=bij], en zey, dat het spel strydig was aan de waarde van een fatsoenlyk man, dewyl veeltyts een groote winst is verzelt door een linksche praktyk, en dat het verlies wort opgevolgt wort opgevolgt door een knaagent naberouw. Dat noch daarenboven, gelyk als een dood ligchaam gelegen op een veld ofte in een bosch, tot een roof verstrekt aan het verscheurent ongediert, een oprecht man doorgaans tot een wissen buyt verstrekt aan het verderflyk eedgespan van valsche speelers.

Natuurlijk wordt er tóch gedobbeld. De tegenwerpingen waren misschien ook niet zo stellig door de derde man geuit als Weyerman het doet voorkomen. Weyerman wilde hier, denk ik, gewoon zijn lezers op een zedenkundige les trakteren. Voor die les gebruikte hij twee alinea’s uit Wits common-wealth van Nicholas Ling.[1] 

Abel Boyer als bron – In zijn verhaal over Syberg nam Weyerman meer zedenkundige uitweidingen op. Wanneer Syberg een bezoeker tevergeefs met een duel dreigt – de bezoeker laat zich namelijk niet afbluffen – bindt de baron in. Het is op p. 161-162 voor Weyerman aanleiding om allerhande opmerkingen over dapperheid te maken. Hij bewerkte daarvoor enkele alinea’s uit The English Theophrastus van Abel Boyer.[2] 

Verderop in De leevens byzonderheden vertelt Syberg hoe hij ooit iemand in een herberg te hulp geschoten is. Weyerman legt daarbij Syberg een paar alinea’s over dapperheid in de mond die eveneens op The English Theophrastus te herleiden zijn.[3] 

Op de overgang van p. 303 naar 304 staat één alinea zedenkunde over tegenslag die eveneens uit The English Theophrastus overgenomen is en op p. 306 staan nog enkele regels over ‘minyver’ die, jawel, …[4] 

Robert Burton als bron – Wanneer Weyerman schrijft over theologische en morele onderwerpen, zet hij vaak passages uit The anatomy of melancholy van Robert Burton in. In de editie van 1984 van De leevens byzonderheden werd al een verband vermoed tussen de eerste alinea op p. 51 en The anatomy of melancholy.[5] Op p. 178-180 discussiëren Syberg en Weyerman over de vraag of duivels uiteindelijk door God in genade aangenomen zullen worden. Ook daar lijkt argumentatie aan The anatomy of melancholy ontleend te zijn.[6]

Johan de Brune als bron – Weyermans taalvaardigheid en woordenschat zijn onbetwistbaar groot. Toch lijkt hij bij de discussie tussen Syberg en Weyerman ook elders hulp te hebben gezocht. Er kan nog sprake zijn van toeval bij ‘Die knaap, die een schaap op het voorhooft en een vos in ’t hart voerde’ (p. 149), ‘een ydele praatachtigheyt gedoopt de fontanel des gemoeds’ (p. 155), en ‘dat zyn Wel Edht. Gelyk was aan de Molens die stilstaande verliezen, en gaande winnen’ (p. 310). Maar andere passages maken het heel aannemelijk dat Weyerman hier het Banket-werk van goede gedachten van Johan de Brune raadpleegde.[7] Bij De Brune kon Weyerman kiezen uit meer dan 1800 gedachten. Het zal Weyerman aangesproken hebben dat het boek van De Brune een prachtige index bevat.

Bij de bloemrijke (of beter gezegd dierenrijke) beschrijving van de domheid van Syberg, door Weyerman als ‘zeedekunde’ genoemd, is het verband met het Banket-werk al moeilijk te ontkennen. Weyerman schrijft:[8]

Den Betweeter dacht wys, den Baron verbeelde zich braaf te zyn; maar het tegendeel is in beyden gebleken. Dikmaals, ja doorgaans is een beschaamde vermeetenheyt vastgehegt aan een harssenlooze gek, die zyn evennaasten begroet gelyk als een soort van bloedelooze diertjes, vlindertjes, en kevers, dewelke de jongens van de boomen schudden, en met een speld vaststeeken tegens een met terpentyn doorwatert papier. Die byeenkomst tusschen den Betweeter en den Baron bekrachtigt onze stelling, en indien ik mogt, zou ik den Betweeter ontleeden als een uyl die zit te pinkoogen tegens de straalen van de zonne; en den Baron wort by my aangezien als de zeekrab die haare  harssens in den buyk draagt: en by die vergelykenis zal ik thans de zeedekunde laaten berusten.

Dat lijkt sterk op een gedachte van De Brune over ‘Domme Pedanten’:[9]  

De eerste sporte van zotheyd is, te ghelooven, datmen wijs is; en de tweede, zich daer van te roemen. Die dwaze vermetelheyd is dickwils aen de boeck-ghecken ghehecht; die in hare papieren ghewentelt, niet als den hemel en meynnen boven haer te zien; denckende dat alle andere menschen boter-kappellen, of molenaers zyn, die de kinders van de boomen schudden, en met een spelle, door de stiet booren. Zy staen op hic, haec, hoc, en geven sleetjes voor eyer pruymen. Haer gruys is fyn ghezifte bloeme, en zoeter dan zuycker, dat zeven-mael ghekoockt is. Piu dolce, que succhero di sette cotte. O dwaaze hoofden van pedanten! Zotter als een krabbe, die de herssens in den buyck draegt. Piu matti, ch’il granchio, c’ha il cervello, nella tasca.[10]

De aanwezigheid in De leevens byzonderheden van meerdere buitenlandse spreekwoorden in een kader dat hetzelfde is als bij De Brune, lijkt mij het definitieve bewijs dat Weyerman deze weg bewandeld heeft. Het gaat om ‘Savio per lettera, é matto per natura’ (p. 180), ‘Da Dios alas a la hormiga, paraque se pierde mas ayna’ (p. 228), ‘Nunca te salten dineros’ (p. 232), en ‘El metal amarillo es un notable tentation’ en ‘E grave croce, non haver croce’ (p. 233).[11] Ook Weyermans tirade tegen Syberg over zijn vermeende profetische gaven op p. 157 doet denken aan een gedachte van De Brune.[12]  

Op p. 189-190 vertelt Weyerman het sprookje van de pleitzuchtige Hollandse boer die een advocaat in de arm neemt die niet in zijn eerste leugen gestikt is. Het lijkt een echo van een gedachte van De Brune, maar in dit geval zit er veel meer licht tussen de verhalen van beide auteurs.[13]

Owen Felltham als bron – Weyerman probeerde in Den leevens byzonderheden ook het spoor te volgen dat Syberg na zijn aftocht uit de Republiek achterliet. Op p. 331 moet hij toegeven dat Syberg hem ‘uyt het gezigt is geraakt’. Elk katern van Den leevens byzonderheden van Syberg telt 16 pagina’s. Zou Weyerman na zijn constatering de pen neergelegd hebben, dan zouden er van het laatste katern vijf pagina’s blanco gebleven zijn. Weyerman loste dat op door aan zijn verhaal nog ‘Eenige zeedekundige aanmerkingen over Het Wantrouwen en de Ligtgeloovigheyt, tot het besluyt van ’t werk’ (p. 332-336) toe te voegen.  Het is grotendeels een vrij getrouwe vertaling van ‘Resolve [C]XLII Of Distrust and Credulity’ uit de Resolves van Owen Felltham.[14] 

Conclusie – Weyerman had voor het schrijven van De leevens byzonderheden onvoldoende eigen ervaringen opgedaan om daarmee zijn verhaal over de nep-baron te vullen. De tekst is dan ook een mengsel waarin veel elementen samengevoegd zijn. Deze Voetnoot en Voetnoot 246 bevatten de resultaten van een eerste verkenning. Ongetwijfeld zijn er nog ingrediënten aan mijn aandacht ontsnapt. Maar al heb ik geen volledige receptuur gegeven, we hebben Weyerman wel weer even aan het werk kunnen zien. – Jac Fuchs

¶ De afbeelding toont de prent A Philosopher (1796) van James Gillray. Collectie British Museum.


[1] [Nicholas Ling], Wits common-wealth: or, a treasury of divine, moral, historica land political admonitions, similies, and sentences. For the use of schools (Londen 1722), p. 241 (‘On Gaming’). Ik verwijs hier naar een prettig leesbare achttiende-eeuwse herdruk van dit oorspronkelijk zestiende-eeuwse werk.

[2] [Abel Boyer,] The English Theophrastus: or, the manners of the age. Being the modern characters of the court, the town, and the city(Londen 1706, 2e dr.), p. 123-124 (‘Courage and Cowardise’). Weyerman begint met de alinea ‘Let the Numbers’, maar vervangt daarin ‘Numbers’ en ‘Army’ door één man. De alinea ‘The Law and Resolution’ neemt hij niet over.

[3] Den leevens byzonderheden van Syberg, p. 183-184; The English Theophrastus, p. 122-123 (‘Courage and Cowardise’). Weyerman gebruikte de alinea ‘Valour was assign’d’ van p. 122 en ‘Courage, without the softness’ van p. 123.

[4] The English Theophrastus, p. 262 (‘Liberality and Prodigality’) resp. p. 208 (‘Jealousie’).

[5] De leevens byzonderheden van Johan Hendrik, baron van Syberg, heer van Ermelinghoven, Bonckersbek, &c. door Jacob Campo Weyerman, ed. André Hanou, Hanna Stouten e.a., deel 1b (Deventer 1984), p. 108. Hier wordt gewezen op The anatomy of melancholy, Part 3 Section 2 Member 2 Subsection 5. 

[6] Robert Burton, The anatomy of melancholy (Londen 1638), Part 3 Section 4 Member 3 Subsection 6, aldaar p. 716. 

[7] Ik maak hier gebruik van het tweedelige werk van Johan de Brune,’t Bankket-werk [sic] van goede gedachten (Middelburg 1660). Van de gedachten van De Brune bestaan overigens meerdere uitgaven. De geciteerde zinsneden zijn te vinden in de gedachten XXXVII en LX in deel 1, resp. DCXXXII in deel 2. De Brune werd al genoemd bij mijn Piet fopt Jan (1737) van Weyerman. Een door en door Frans werk?’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 41 (2018), p. 15-22, aldaar p. 19 (noot 28), maar de aanwijzingen waren daar nog niet voldoende overtuigend voor een stellige uitspraak.

[8] De leevens byzonderheden van Syberg, p. 223-224.

[9] De Brune, Bankket-werk, deel 2, gedachte DCLXIII.

[10] Een ‘boter-kappel’ is een witje (vlinder), een ‘molenaer’ is een meikever.

[11] De Brune, Bankket-werk, deel 2, gedachte CCCXIII; deel 1, gedachte CCXLVI en CDLXXXVIII resp. deel 2, gedachte CCCXXVIII.

[12] De Brune, Bankket-werk, deel 2, gedachte CCXXI.

[13] De Brune, Bankket-werk, deel 1, gedachte DCCCLXXV.

[14] Owen Felltham, Resolves (Londen 1696), p. 216-218 (‘Resolve [C]XLII Of Distrust and Credulity’).

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.