Voetnoot 249

Vijfmaal de andere kant van de medaille

dinsdag 22 februari 2022 – In de reeks Voetnoten hebben Jan Bruggeman en ik aandacht besteed aan de bronnen die Jacob Campo Weyerman bij het schrijven heeft gebruikt. We hebben het daarin voornamelijk over het gedachtegoed van Weyerman en over waar hij zijn ideeën vandaan haalde. Maar die medaille heeft ook een andere kant, namelijk de vraag hoe Weyerman zijn bronnen heeft ingezet.

Het toeval wil dat ik nog wat karakters van Weyerman niet besproken heb, terwijl ze toch een duidelijk verband hebben met The London Terrae-filius van Ned Ward. In deze Voetnoot onderzoek ik hoe Weyerman de karakters van Ward gebruikte. Bewerkte hij die om er zijn lezers iets leuks mee te kunnen voorzetten? Of zette hij ze in als wapens bij persoonlijke aanvallen?

Omdat de London Terrae-filius niet voor iedereen eenvoudig raadpleegbaar is, heb ik aan deze Voetnoot een pdf toegevoegd met de relevante karakters: iets meer dan vier karakters van Ned Ward

Het Sprookje van een Geneesheer: Kleermaker Drakebloed – Weyerman laat in Den Echo des Weerelds een dokter een sprookje vertellen over twee speculanten die naar Kos gaan om aan een priesteres raadplegen.[1] Zij willen weten hoe ze bepaalde kwalen kunnen genezen. De jongste heeft een zus met de vallende ziekte (dat wil zeggen: ze valt voor bijna elke man) en heeft een keelgezwel. De oudste speculant heeft delicate voeten en heupjicht (ischias). Ze krijgen cryptische adviezen en gaan op aanraden van de waard bij wie ze logeren, naar iemand die een paar kilometer verderop woont. Die man geeft inderdaad pasklare interpretaties van de antwoorden. Voor heupjicht was het advies: ‘Loop een geyt na’. Daarover krijgen de mannen de volgende uitleg:

Uw Heupjigt ontstaat uyt een luye, loome, en onarbeidzaame Leevenswyze, verderflyk voor uw Licghaam en schadelyk voor uw Beurs. Volg of loop de Geyt na, beduyt op goet Nederduytsch, volg het Gedrag na van uw Buurman, Draakebloed dien oude Snyder, die meer Laken gerooft heeft van zyn Kalanten, als ‘er vereyscht wort om een Regiment Ruyters van ’t Hoofd tot aan de voeten in ’t Nieuw te steken, en die een Schuldenaar vervolgt met een Beschutters Adem.

Draakebloed zit onophoudelijk achter zijn schuldenaren aan. Dit najagen vindt hij veel leuker dan het uitbetaald worden zelf. Het karakter is een ingekorte versie van het ‘Character of An Old Rich Limb-trimmer’ van Ned Ward.[2] Weyerman heeft in de tekst maar één wijziging aangebracht: de verweerde vingers van de kleermaker vergelijkt hij met de verstompte vingers van een Franse kok, terwijl Ned Ward het over ‘an Old Fidler’s Fingers’ heeft. Franse koks zijn bij Weyerman een standaard-mikpunt van schimp. Ze komen bij hem vaker voor dan stelende kleermakers en afgeleefde straatmuzikanten.

Draakebloed voldoet aan het standaardbeeld van de kleermaker die lappen stof achterover drukt en zo zijn klanten extra naait. Alleen dat achtervolgen van slecht betalende klanten, dat is een karaktertrek die je minder tegenkomt. Duidelijk persoonlijke kenmerken zie ik hier echter niet. Wat mij betreft had Weyerman hier net zo goed een marcherende soldaat of een deurwaarder kunnen opvoeren. Alleen had hij vermoedelijk het karakter van Ned Ward binnen handbereik en vond hij het een bruikbare, voldoende grappige tekst.

Het Sprookje van een Geneesheer: den jongste Aktionist – Bij het schrijven van het sprookje van de Geneesheer neemt Weyerman nog meer zinnen over uit The London Terrae-filius. Dat voor de waard, ‘dubbelt Kryt, geen Borg, kleyne Maat, en een gemoedelooze Reekening, het Gebrek van Neering zal en moet goedmaaken’, klinkt behoorlijk stereotiep. Het kan dus nog als toeval worden afgedaan dat Ned Ward in The London Terrae-filius het karakter Mr Lickspiggot verwijt dat hij de kostschool van zijn dochters betaalt ‘by Virtue of double Chalk and short Measure’.[3] Maar er is geen twijfel mogelijk over de zinnen waarmee de jongste speculant op zijn plaats gezet wordt. Die komen onmiskenbaar uit ‘the Character of a Losing Wagerer’ van Ward.[4] Een herkenbaar persoon is de jongste speculant mijns inziens niet. Ook hier vermoed ik dat Weyerman ideeën van Ned Ward gebruikt heeft, in de hoop dat zijn eigen vertelling er beter van zou worden.

Het karakter van een Schynheylig – In De Doorzigtige Heremyt schotelt Weyerman de lezers het karakter van een Schynheylig voor.[5] Het is voorzien van een niet te missen titel, bovenaan een pagina. Wie dit karakter naast het ‘Character of a Quaking Aminadab’ van Ned Ward legt, ziet overduidelijke overeenkomsten, maar ook bijzondere verschillen.[6] Zo begint Weyerman met een zin van eigen vinding over een Nylkrokodil en vissen, waarbij de Merkkarper een verband met Breda legt.[7] 

Weyerman heeft dit karakter niet alleen ingekort, maar ook flink naar zijn hand gezet. Zijn kleding is anders, en als hij flink gedronken heeft, bezoekt hij niet een ‘dark Alley, where the Sisters of the wicked pitch their Tents’, ‘[to] uncover the Nakedness of a worse Whore than that of Babylon’, maar stuurt ‘hy het roer van zyne zondige begeertens na Klaras passagiesloep, om aldaar de naaktheyt van een snooder zondaares te ontblooten als die van de hoer van Babel’. Weyermans Schynheylig heeft kennelijk een vaste minnares.

Wie wat terugbladert, ziet dat we midden in het verhaal van de Snappende Goudbeurs zitten, waarin Weyerman vertelt over de streken van Klara, ‘die Dintersche Lais’. Zojuist heeft Weyerman Andreas Karpertong, een van haar minnaars, geïntroduceerd, ‘wiens ongeblanket karakter ik den Heremyt zal schenken’. Weyerman zelf maakte elders duidelijk dat de Dinterse Klara staat voor Petronella Clara van Espendonk. Frans Wetzels vermoedde dat achter Andreas Karpertong de Bredanaar Andreas Knollaert schuil ging.[8] Weyerman neemt met dit karakter dus een bestaand persoon onder vuur. Mijn indruk is dat hij dacht het typetje van Ned Ward er goed voor te kunnen gebruiken, maar dat hij dat typetje aanpaste op onderdelen als kleding en willekeurige hoerenbezoek. Hiermee bracht hij mogelijk nog iets meer in overeenstemming met zijn herinnering aan deze persoon.

Het karakter van Ida Serpentina – In Den echo des Weerelds van 13 mei 1726 vertelt Weyerman dat hij ‘wiert gestoort door een Visite van Drie Dames, waar van hy de onderstaande Karakters na het leeven, zal afschetsen’.[9] Als eerste portretteert hij Ida Serpentina. Zij houdt haar slom gerespecteerde man volledig onder de duim. Er volgt een korte toneelscène tussen haar man en een vriend die zijn lijdzaamheid niet begrijpt. Waarom laat hij haar niet in een beterhuis opsluiten? De echtgenoot legt uit dat gedogen de goedkoopste oplossing is en dat hij daarmee ook nog eens bij zijn omgeving in hoog aanzien komt te staan.

Weyerman bewerkt hier het ‘Character of A Shrew’ van Ned Ward.[10] Hij leukt het flink op: zo ontbreekt bij Ward de vergelijking van de echtgenoot met een gedresseerd kermispaard. Het gesprek komt wel voor bij Ward, maar het is een vinding van Weyerman om de tekst in de directe rede weer te geven. Deze techniek paste hij wel vaker toe. Maar hij heeft niets aan het karakter toegevoegd dat er een eenvoudig herkenbaar individu van maakt.

In De Doorzigtige Heremyt is ook sprake van een Donna Serpentina, als korte typering van een tierende huisvrouw voor wie nooit iets goed genoeg is.[11] Serpentina is verder de Latijnse naam voor de plant adder(s)tong. In Den Laplandschen Tovertrommel neemt Weyerman een kort gedicht op met de titel ‘Morgengroet aan mevrouw Adderstong’.[12] Daar gaat het om een vergelijkbaar typetje dat ‘onophoudelyk wort geslingert door de vlaagen van eene vermoeide scheldlust, by haar misdoopt, heylzaame vermaningen’. Doordat Weyerman te weinig details geeft, blijft Ida Serpentina vooralsnog een typetje waarin ik geen satire op een specifiek persoon kan herkennen.

Het karakter van Madame Goudsbloem – Een van de dames die Ida Serpentina vergezelt, is Madame Goudsbloem. Zij ziet in elke man een potentiële aanbidder, ook al heeft ze de zestig jaren al aangetikt. Met haar karakter, dat nog geen halve pagina beslaat, is iets vreemds. Haar twee belangrijkste kenmerken – zij huilt om een galant als een kind om een pop en zij beeldt zich bij vrijwel iedere man in dat het hondsgesternte hem voor haar in vuur en vlam gezet heeft – zijn afkomstig uit het ‘Character of Miss Ogle’ van Ward.[13] 

Bij Ward heeft Miss Ogle pas sinds kort haar school verlaten: ze is een jonge juffer die zich nog niet weet te gedragen. Bij Weyerman is Madame Goudsbloem ruim drie keer zo oud. Weyerman vond twee mooie zinnen over manziek en snel verliefd zijn bij Ward en zet ze in voor een schets van een oudere vrouw. Hij voegt er nog een zin van gelijke strekking aan toe, die vermoedelijk van eigen makelij is. In het overige werk van Weyerman is niets meer over mevrouw Goudsbloem te vinden. Ik kan ook hier niet achterhalen of Weyerman hier een bestaand persoon in gedachten had.

Het karakter van Donna Maria Barbarossa – Donna Maria Barbarossa is de derde dame die Weyerman op bezoek laat komen, samen met Ida Serpentina en Madame Goudsbloem. Het is een dame die zich opgewerkt lijkt te hebben door haar charmes in te zetten. Ze is nu een weduwe op leeftijd, maar is desondanks nog net zo in mannen geïnteresseerd als Madame Goudsbloem. Ik heb geen verband met een Engels voorbeeld kunnen leggen. Het lijkt mij dat dit karakter geheel op conto van Weyerman geschreven kan worden. 

Ik vermoed dat Weyerman bij haar op de vrouw gespeeld heeft en terugdacht aan iemand uit de Rotterdamse kennissenkring van Adriana de Visser. Ik kan dat echter niet hard maken. Barbarossa suggereert rood haar. Zou deze dame dezelfde kunnen zijn als Maria Rufa? Zij was de vermoedelijk eveneens roodharige vriendin van Adriana de Visser, die Weyerman noemt in De zeldzaame leevens-byzonderheden van Laurens Arminius.[14] Zou er in de regio Rotterdam een molenaarsdochter te vinden zijn die uiteindelijk met een gerespecteerd jurist getrouwd is en hem heeft overleefd? Zou die jurist misschien zelfs een buiten aan de Oudendijk gehad hebben? 

Terwijl ik bij Ida Serpentina en Madame Goudsbloem geen aanknopingspunten voor een persoonlijke satire zag, vermoed ik die bij Donna Maria Barbarossa wel. Helaas zijn de roddels nu, bijna driehonderd jaar later, verstomd. Het is daarom lastig om een slachtoffer van satire te identificeren. Omdat de drie karakters door Weyerman als een vriendinnengroep worden opgevoerd, roept dat toch weer vragen op over Weyermans bedoelingen met de eerste twee karakters. Zou Weyerman, toen hij die opschreef, toch oude bekenden in gedachten gehad hebben? Het blijft lastig. Donna Maria Barbarossa biedt duidelijk de beste aanknopingspunten voor nader onderzoek. Ik hoop dat iemand er ooit in slaagt haar een alledaagser naam te geven.  – Jac Fuchs

¶ Afbeelding: Oude vrouw die munten telt, prent van Hendrik Bary (collectie Rijksmuseum)


[1] Den Echo des Weerelds,  jrg. 1, nr. 7 (3 december 1725), p. 49-55. 

[2] Ned Ward, The London Terrae-filius, nr. 5 (Londen 1708), p. 31-37.

[3] Den Echo des Weerelds, jrg. 1, nr. 7 (3 december 1725), p. 51; Ned Ward, The London Terrae-filius, nr. 2 (Londen 1707), p. 22.

[4] Den Echo des Weerelds, jrg. 1, nr. 7 (3 december 1725), p. 53; Ned Ward, The London Terrae-filius, nr. 4 (Londen 1707), p. 17-22, aldaar p. 17 en 18. De gebruikte zinnen zijn te vinden in de eerder genoemde pdf.

[5] De Doorzigtige Heremyt, nr. 18 (24 januari 1729), p. 139-140.

[6] Ned Ward, The London Terrae-filius, nr. 6 (Londen 1708), p. 3-9.

[7] De Mark (of Merk) is een rivier die langs Breda stroomt.

[8] Frans Wetzels, De vrolijke tuchtheer van de Abderieten. Jacob Campo Weyerman (1677-1747) in Breda (Amsterdam 2006), p. 172.

[9] Den Echo des Weerelds, jrg. 1, nr. 30 (13 mei 1726), p. 238.

[10] Ned Ward, The London Terraefilius, nr. 1 (Londen 1707), p. 14-16. Op de titelpagina van de eerste aflevering ontbreekt nog het koppelteken tussen Terrae en filius.

[11] De Doorzigtige Heremyt, nr. 6 (1 november 1728), p. 47 (onderaan). 

[12] Den Laplandschen Tovertrommel, nr. 8 (20 augustus 1731), p. 70.

[13] Ned Ward, The London Terrae-filius, nr. 2 (Londen 1707), p. 15-17. Ned Ward heeft het over ‘the Dog-star’, de hondsster Sirius. Met ‘het Honds-gestarnte’ wordt doorgaans het hele sterrenbeeld Grote Hond aangeduid, waarvan Sirius deel uitmaakt. Bijzondere invloeden worden echter doorgaans niet aan het hele sterrenbeeld toegeschreven maar specifiek aan Sirius, omdat die ster zo uitzonderlijk helder is. Ik vermoed daarom dat Weyerman hier, net als Ned Ward, alleen Sirius wilde aanduiden.

[14] Elly Groenenboom-Draai, De Rotterdamse woelreus (Amsterdam/Atlanta 1994), p. 62-63. 

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.