Martha de Harde bij Wolff & Deken en Atte Jongstra

donderdag 26 mei 2022 – De recent verschenen roman Cholerastad van Atte Jongstra verplaatst de lezer naar het Amsterdam van 1850, naar de tijd dat de stad op het punt stond ‘cholerastad’ te worden. In die bijzonder onderhoudende en – bij alle speelsheid – actuele roman gunt Jongstra optredens aan personages die aan de literatuur ontsnapt lijken. 

Af en toe zag ik andere knipogen: een prominente rol is er in de roman voor de Lauriergracht, waar een decennium later Batavus Droogstoppel de scepter wist te zwaaien. Een herhaalde vloek ‘Merdre’ klinkt op bladzijde 84, waarbij iedereen die bekend is met Ubu roi van Alfred Jarry, een tevreden gniffel produceert.

Het zijn echter vooral de personages die voor herkenning zorgen. De roman telt twee hoofdpersonen van middelbare leeftijd: de archivaris Boevers en de boekhandelaar Peek. Beoefenaren van bedreigde beroepen? Op de achterzijde van het boek staat te lezen dat Jongstra zich heeft laten inspireren door Bouvard en Pécuchet, de mannen uit de titel van de roman van Flaubert. Jongstra is niet bescheiden in de keuze van zijn voorbeelden. Al eerder was Multatuli zijn leidsman.

Boevers is een systematische geest: hij probeert greep op de chaotische en gevaarlijke wereld te krijgen door in het Leesmuseum stukken te knippen uit kranten. In de roman is de lezer getuige van Boevers’ maniakale greep naar begrip. Met Peek richt hij de Eerste Amsterdamse Cholera-subcommissie op, maar veel verder dan aandoenlijke pretenties en hopeloze theorievorming komt de subcommissie niet. 

De wereld van Boevers wordt flink opgeschud na zijn kennismaking met Martha de Harde, een steenrijke weduwe die van vleselijke conversatie wel pap lust. Zij overweldigt de arme archivaris met haar kilo’s, overigens tot zijn genoegen. Met haar brutaliteit zet ze de bijl aan de boom van de subcommissie. Goed voor Boevers’ gezondheid is dat alles ook al niet.

Maar het gaat me hier om Martha de Harde. Martha de Harde! Zij is niet alleen een personage van Jongstra, maar zij trad al eerder op in Willem Leevend (1784-1785) van Wolff en Deken. Bovendien is zij degene die zich in 1786 in een kritische brief tot de schrijfsters richt. Het personage is daar aan de roman ontsnapt en als ware zij van vlees en bloed schrijft zij aan haar scheppers.

Over deze kritische brief schreef Jacqueline de Man in Spektator jaargang 1983-1984 (te lezen via DBNL) een artikel dat ik destijds haastig las en een eeuwigheid later met bewondering herlezen heb. Van de Brief van Martha de Harde, aan mejuffrouwen Elisabeth Wolff geb. Bekker en Agatha Deken  is een afschrift bewaard dat uit Vlissingse kring stamt, maar uitsluitsel over de schrijver van de Brief geeft dat niet. In de Brief is er de beschuldiging dat Wolff en Deken bepaalde personages ‘naar het leven’ getekend hadden: zij zouden de ‘geheele familie’ ‘overhoop gehaalt’ hebben. In het artikel van De Man is de Brief herdrukt, maar ook via Delpher is de lectuur van de Brief een koud kunstje.

Jacqueline de Man plaatst de brief vaardig in een traditie van parodie en kritiek en zo geeft zij veel meer dan alleen maar informatie over de Brief van Martha de Harde.

Na het lezen van Cholerastad  – een groot genoegen – en de confrontatie van de roman met de Brief van Martha de Harde vroeg ik me wel af of Jongstra zijn Martha de Harde naar het leven heeft getekend. Als dat zo is, mag misschien van het model van Martha een brief aan Atte Jongstra verwacht worden. Misschien wil Atte Jongstra zo goed zijn, om zelf die brief aan de schrijver voor zijn rekening te nemen. – Peter Altena

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.