‘Hoe dat een Man zyn wyfje sloeg’

Speel-schuytjewoensdag 2 april 2014 – Begin van de maand: altijd een verrassing wat DBNL aan nieuw gedigitaliseerde werken presenteert. Er zit dit keer weinig achttiende-eeuws tussen en wat er aan achttiende-eeuwse titels bij zit, zijn bijna allemaal liedboekjes. Bijvoorbeeld Het speel-schuytje met vrolyke naay-meysjes zingende en queelende de aldernieuwste gezangen (1751). 

In 1733 verscheen het voor het eerst, ‘Nooyt te vooren Gedrukt’, bij de erfgenamen van de Amsterdammer Gerrit Schellingwou. Op de titelpagina is een schipper afgebeeld in een zeilbootje. De houtsnede uit de hierboven afgebeelde derde druk van 1751 lijkt er helemaal niet op: daar heeft de schipper duidelijk carrière gemaakt en heeft zelfs een schippersknecht aan boord.

De derde druk die DBNL in zijn digitale bestand heeft opgenomen, is uitgegeven door de niet onbemiddelde Haagse stadsdrukker en boekverkoper Cornelis van Zanten. Het kopijrecht van deze bestseller ging van hand tot hand, want de achtste druk verscheen aan het einde van de eeuw bij de Amsterdamse broers S. en W. Koene, die wel meer volksuitgaafjes op hun naam hadden staan (voorbeeld).

In Het speel-schuytje staan diverse ondeugende minneliedjes, soms voorzien van een houtsnede en soms gedrukt in de oud-Hollandse gotische letter. Tekenend voor de humor – of is het de moraal? – van het volk is de tekst van ‘Pleyzier der Mannen, Of Mans hand boven’. Het lied gaat over Jan die zijn vrouw Griet slaat en als voetveeg gebruikt. Alleen als zij hem gehoorzaamt, kan ze op de echtelijke liefde rekenen.

Griet laat zich dit alles welgevallen. Nadat Jan in de echtelijk bedstee zijn minnares Trijn heeft beslapen, beveelt hij zijn vrouw koffie te zetten en voor hem en Trijn een eitje te bakken. Een vernederend tafereel: Griet brengt de bestelling naar het bed waar haar man en Trijn liggen bij te komen. Vervolgens moet Griet de schoenen van het stel schoonmaken, kleren uit de kast halen etcetera. Bizar. Ook dit is de eeuw van de Verlichting. — RvV

NU wil ik zingen een raer geval, Een aerdig Lied,
Hoe dat een Man zyn wyfje sloeg; haer naem was Griet.
Ach Jantje lief! ach Jantje lief! hoe slaet gy my:
Zwyg stil of ik breek u straks de nek, jou loose pry.
Waerom, waerom, ô Jantje lief zou gy dat doen;
Gy weet dat ik te vreden ben: Kom Jan geef my een zoen.
Hier op ging Jan met Tryn na bed, en zey tot Griet:
Wyf maek terstond de Coffy klaer, doet wat ik u hiet.
Griet maekte daer de Coffy klaer voor Jan en Tryn.
En setten Jan die voor zyn bed, en zey daer kind van myn.
Zo zult gy doen uw leven lang dan is het goed:
Gaet leggen Tryn dat ik u eens zoen; toe lustig met ’er spoet.
Jan zoende Tryn zo menig mael, en deed nog meer:
Griet keek bedroeft de Bedstee aen, en kryten seer.
Toen Jan met soenen had gedaen, riep hy zyn wyf:
Kom maekt terstond een Eyerstruyf, tot ons geryf,
Griet liep terstond na ’t Hoendernest, En bakte Jan
een Eyerstruyfje delicaet, Van dooren in de Pan.
Zy bragt het Jan en Tryn voor ’t bed: en Jan toe zey:
Wyf zet voor u de pot op ’t vuur, met Water-Bry.
Ik zal het doen myn Jantje lief, myn lieve man:
dan is het goed, toe haest u wat, de middag die komt an.
Maek Tryn haer muylen netjes schoon, myn schoenen mee,
En kryg myn kleeren uyt de kas, op dat ik myn aenklee.
Zet ’t huysraed netjes op zyn plaets, en maekt het bed:
Ik zal het doen myn Jantje lief, op dat ik u niet belet.
Nu Griet doet zo ik heb gezeid: kom gaen wy Tryn:
’k Wensch u pleyzier myn Jantje lief, ’k verwagt u gauw by myn.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Één reactie op ‘Hoe dat een Man zyn wyfje sloeg’

  1. Marc schreef:

    Zoiets komt vandaag de dag ook nog wel voor…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *