‘In naam van de humanitas’

Spinoza lezen in De Aanslag van Harry Mulisch

Ethica Spinozawoensdag 23 april 2014 – In De Aanslag, een van de meest gelezen romans van de voorbije eeuw, lezen de personages nu en dan een boek. Anton Steenwijk, de hoofdpersoon, bladert in jaargang 1938 van het blad Natuur en Techniek. Meneer Beumer, Antons buurman, leest zijn buurjongen hoofdstukken voor uit De drie musketiers.

De kroon spant vader Steenwijk: hij leest en ziet van een afstandje wat zich aan leven in de huiskamer voltrekt. Als zijn zoon Peter zich afvraagt waarom hij bepaalde dingen ‘in godsnaam’ moet weten, corrigeert vader hem en adviseert hem te zeggen ‘in naam van de humanitas’. Op dit kansloze advies reageert Peter ‘met rare stem’: ‘Wie lacht niet, die de mens beziet.’ Peters moeder berispt haar zoon met de vraag waar dat op slaat. 

Snel sust Peter de onrust. Met een ‘rare stem’ – ironisch dus – citeerde hij een aloude dooddoener, die om die reden dan ook aan diverse auteurs is toegeschreven: kandidaten zijn Cats, Vondel en Bredero, maar op internet zijn deze suggesties niet verbonden met concrete bewijsplaatsen. Dat ‘Wie lacht niet’ – dit terzijde – komt ook voor in Springers Teheran. De spreuk lijkt door zoon Peter ‘geciteerd’, geput uit de voorraadschuur van didactische platitudes.

Nee, dan de lectuur van vader Steenwijk. Na de dramatische gebeurtenissen op de kade dringen de Duitsers huize Steenwijk binnen en zien wat de vader aan het lezen was: Ethica more geometrico demonstrata. Benedictus de Spinoza. De Duitser van dienst zegt ‘Ach so!’, om te vervolgen met het oordeel: ‘Solche Sachen liest man hier. Judenbücher!’

Vader Steenwijk leest dus Spinoza, in het Latijn ook nog. Zijn pleidooi om voortaan ‘in naam van de humanitas’ te zeggen, lijkt logisch voort te vloeien uit zijn lectuur. Dat de Duitsers vervolgens de ouders Steenwijk en Peter doden en het huis in de brand steken, past in de aanval op de ‘humanitas’.

Er wringt ook wat: vader Steenwijk, de beschaafde en in de klassieken geverseeerde Spinoza-lezer, is zo beschouwelijk en afstandelijk dat hij als enige man in de buurt niet handelend optreedt. De buren redden hun hachje door laffe en schandelijke daadkracht, waar de vader leest, in de marge morrelt en even waardig als lijdzaam de dood tegemoet gaat. En met hem gaat zijn vrouw, zijn zoon Peter, het huis en de toekomst van hun zoon Anton. De morele superioriteit van de man die de Ethica bestudeert, legt uiteindelijk louter windeieren. Hij nadert in verheven tred de parodie. — PA

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *