Koerbagh, Ter Balkt en fierilonfonfa

Koerbagh Een licht dat schijnt in duistere plaatsendonderdag 8 mei 2014 – Vanaf woensdag 7 mei kan Adriaan Koerbagh weer worden gelezen: Een licht dat schijnt in duistere plaatsen, dat is de titel van de hertaling die Michiel Wielema bij uitgeverij Vantilt publiceerde. Het is wel mooi dat de oude en gesmade Koerbagh in één reeks verschijnt met Max Weber en Hans Georg Gadamer. Kijk, zo hoort het.

De Koerbagh-editie kan op de boekenplank geplaatst worden naast de monografie die Bart Leeuwenburgh over Koerbagh schreef. Het noodlot van een ketter

Wie één van beide of beide boeken koopt of leest, mag onderstaand gedicht dat H.H. ter Balkt aan Koerbagh wijdde, niet ongelezen laten. Het is jammer dat Leeuwenburgh in zijn voortreffelijke Koerbaghboek van deze ‘laaglandse hymne’ geen melding maakt, terwijl Ter Balkt toch in zijn veertien regels het Koerbaghvuurtje brandend hield toen er van een revival nog geen sprake was.

Het gedicht van Ter Balkt herlas ik toen een anderhalve week geleden het eerste exemplaar van diens kloeke bundel ‘Verzamelde gedichten’ onder de aan The Ramones herinnerende titel Hee hoor mij ho simultaan op de brandtorens werd aangeboden. Ter Balkt kreeg ook nog de erepenning van de gemeente Nijmegen, maar de raap die hij van David van Reybrouck kreeg maakte meer indruk op hem.

Maar nu eerst dan het gedicht:

Adriaan Koerbagh

‘Ik wantrouwde orakels, dreef de spot
met woudbroeders en jakobijnen, schreef
dat “engelen” alleen gezanten zijn:
geen vliegende geesten uit de hemel.

Ik bedacht de woorden “swerfgedagten”
voor fantasie, “fierilonfonfa” voor
een Indisch sap. Je vertoornde allen,
en strandde in het Willige Rasphuis.

Dat was in Moorddam. Je felle “Bloemhof”
werd ketters bevondenen libertijns.
“Dertig jaar celstraf en doorboor zijn tong.”

Hij werd krijtwit uit het Rasphuis gevoerd.
Je loopt de velden door als Franciscus.
Lachend; een leeuwerik op je schouder.’

Het gedicht is blijkens de aanhalingstekens aan het begin en slot directe rede. Het lijkt in het begin of Koerbagh zelf aan het woord is, zich presenteert. In het tweede kwatrijn verschuift het perspectief en is Koerbagh de aangesprokene. Dat perspectief verandert andermaal in de eerste regel van het tweede terzine: jij wordt hij. Al is dat dan maar even. In de twee laatste versregels lijkt het verloren jij-perspectief herwonnen, maar dat is schijn: het gaat vermoedelijk om een ander ‘jij’, een jij in de tegenwoordige tijd ook en een jij die ‘als Franciscus’ door de natuur wandelt en met de dieren spreekt. Is Koerbagh na de ‘krijtwitwording’ herrezen in een eeuwig jonge wandelaar, voor wie het verleden is ingeruild voor een voortdurend heden?

Met de nieuwe editie van Koerbagh kan de lezer de velden doorlopen en lachen in het licht, lachen om alles wat in de ‘Bloemhof’ het oog betovert. Fierilonfonfa! — PA

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *