Op een oor na gevild

Diderot en zijn Brief over de blinden (1)

Aveuglewoensdag 27 augustus 2014 – Tommy (van The Who) was doof, stom en blind (‘deaf, dumb and blind’). Op bestelling. Zijn moeder en stiefvader droegen hem op te vergeten wat hij gezien en gehoord had: de moord van de stiefvader op zijn vader. Hij nam de opdracht heel erg serieus, zijn doof-, stom- en blindheid was daarmee haast een wilsbesluit.

Het verhaal van Tommy lijkt een romantische ‘working class’-variant op de geschiedenis van Hamlet. Het is ook een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de literaire en filosofische verkenning van blindheid. Ook die van doof- en stomheid.

Eén van de belangrijkste hoofdstukken in die geschiedenis is geschreven door en gewijd aan Denis Diderot. In 1749 publiceerde hij zijn Lettre sur les aveugles, in 1752 zijn Lettre sur les sourds et les muets. In de ondertitels waren beide brieven met elkaar verbonden, respectievelijk ‘à l úsage de ceux qui voient’ en ‘à l’usage de ceux qui entendent et parlent’. Omstreeks, maar vooral erna kwam het blinden- en dovenonderwijs voorzichtig op gang.

Belangrijke informatie over de geschiedenis ‘van mensen met een handicap’ is te vinden op een site waar de resultaten van het project ‘Gehandicapten schrijven geschiedenis’ te vinden zijn. Over de brieven van Diderot is er wat globale informatie. Diderot zou ‘de algemeen verspreide vooroordelen van zijn tijd dat blinden en dove mensen niet op een evenwaardige manier als andere mensen zouden kunnen denken’ hebben weerlegd.

Ongetwijfeld is dat juist, maar ik geloof niet dat het Diderot begonnen was om doven, stommen en blinden te ‘emanciperen’ of om vooroordelen over hen te bestrijden. Emancipatie en vooroordelensloop waren mooi meegenomen. Mij dunkt dat zijn belangstelling voor blinden en doven vooral voortkwam uit nieuwsgierigheid naar de menselijke zintuigen. Indrukken deed de mens op door middel van zijn zintuigen; veel kennis van de wereld was auditief en visueel gekleurd. Zintuigen waren meer dan eens onbetrouwbare gidsen in de wereld, brachten de waarnemers in verwarring en verleidden tot omwegen en vals spoor.

Aan het boek van Bart Leeuwenburgh over Koerbagh ontleen ik het inzicht dat Descartes zich bij het denken vaak gehinderd voelde door de ‘oppervlakkige’ zintuigen die het verdiepte inzicht eerder in de weg zaten dan naderbij brachten. Diderot wilde weten wat een blinde zonder te zien kon weten. Heel veel, zo bleek. Wat betekende dat veel ware kennis ook zonder het gezicht kon worden verworven.

De brief van Diderot is een rommeltje, net een echte brief dus. Diderot richt zich tot een Mevrouw en het begint met een teleurstelling: de niet bij naam genoemde dame is niet welkom bij een operatie die een blindgeborene het zicht moet geven. Dat evenement dat niet doorgaat, biedt Diderot de gelegenheid een andere blindgeborene, die van Puiseaux, te bezoeken en met deze blinde bespreekt Diderot het belang van symmetrie. Vervolgens blijft Diderot de praatstoel bezetten.

De brief is een gesprek van twee uur. Waarbij de heer spreekt en de dame luistert. Op de laatste pagina van de Lettre heeft Diderot het immers over ‘deux heures que j’ai l’honneur de vous entretenir’. Een interessante tekst, niet beschikbaar in Nederlandse vertaling.

Dat is op een paar bladzijden onwaar. Van 2002 tot en met 2006 is de vertaling in acht afleveringen gepubliceerd in Le Petit Cuistre, het blad van de zogenaamde Holbach Foundation. De tekst is vertaald door de Vlaamse Kristina Leterme en voor iedereen toegankelijk. Maar … de vertaling is niet helemaal af. Van de Lettre, zoals die voorkomt in mijn Flammarionpocketje, zijn de laatste zes bladzijden niet vertaald. De ‘Additions’ zijn evenmin vertaald. — PA

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *