De ‘verbeterde zintuigen’ van De Philosooph (1769) van Cornelis van Engelen

Diderot en zijn Brief over de blinden (2)

Diderot Lettre sur les Aveuglesdonderdag 28 augustus 2014 – De blindenbrief van Diderot werd bij mijn weten in de achttiende eeuw niet in het Nederlands vertaald, maar dat was in de achttiende eeuw niet zo erg als nu. Geïnteresseerden lazen nog gewoon Frans. Een man die in de tweede helft excelleerde in nieuwsgierigheid was Cornelis van Engelen. Hij las Diderots Lettre in 1769, twintig jaar na de eerste verschijning.

In zijn weekblad De Philosooph schreef hij in de aflevering van 30 januari 1769 dat hij voorbije week weinig tijd had gehad om zelf ‘te Philosopheeren’. Om die reden zou hij zijn lezers ‘onderhouden’ met ‘eenige byzonderheden’ over een onlangs door hem gelezen ‘kleine verhandeling over de Blinden’.

Hoewel Van Engelen de naam van Diderot niet noemt – en ook zijn eigen gezicht schuil gaat achter de letter P., waarmee hij de aflevering signeert  – maakt het vervolg duidelijk dat hij het over het werk van Diderot heeft:

De Schryver maakt eerst gewag van een Blindgeboren te Puisaux in Gastinois, wien hy gekend heeft, en die misschien nog leeft. Hy was een Chymist, en verrigtede in eigen Persoon alles wat tot dit zyn beroep behoorde; Nademaal Nagt en Dag voor hem onverschillig was, nam hy daar gemeenlyk den Nagt toe waar, wegens de meerdere stilte; Als het Huisgezin opkoomt, zegt onze Schryver, is zyn werk verrigt, en alles nauwkeurig op zyn plaats geborgen, want dit is iets, daar hy zo wel ten opzigt van zig- zelven, als ten opzigt van het geheele Huisgezin sterk op gesteld is.

De Schryver vroeg hem wat denkbeeld hy zig van de Oogen maakte, “dat zyn Ledemaaten, gaf hy ten antwoord, waar op de lugt dezelfde uitwerking heeft, als een stok op de hand”. Een bepaaling, vry gelyk met die van Cartesius, die in zyne doorzigtkunde, het Oog vergelykt by een Stok, waarmede een Blinde de lighaamen van verre aanraakt. Onze Blinde leerde zelf zyn Zoon leezen, met behulp van verheven letters.

Van Engelen legt hier de relatie met het denken van Descartes: het belang van blindheid en de zintuigen voor het denken van de Verlichting wordt door Van Engelen onderkend.

Van Engelen situeert zijn leeservaring uiteindelijk in een christelijk kader:

Men ziet uit dit alles, tot welk eene volmaaktheid onze zintuigen koomen kunnen, als men, door eene of meer derzelver te missen, de overigen met zo veel meer nauwkeurigheid te werk stelt! En dit kan ons eenig flaauw denkbeeld geeven van die onbeseffelyke volmaaktheid, waar toe wy door eene geduurige werkzaamheid, en onbelemmerde aandagt in een toekoomend leven geraaken zullen, als wanneer ons lighaam zo wel als geest zyne verrigtingen geregelder zal volbrengen, wanneer het sterfelyke de onsterfelykheid zal aandoen, en wy met verbeterde zintuigen, en verlichte verstanden, in alle eeuwigheid naar de volmaaktheid streeven zullen.

Zo is hier de Verlichting de springplank naar het ‘toekoomend leven’ en is de blinde plots de personificatie van de zoekende mens die in dit onvolmaakte leven verlangt naar het perfecte leven aan gene zijde. — PA

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *