Juni 2008

Oe Lang is een Snees

maandag 30 juni 2008 – Flauw grapje van vroeger: Oe Lang is een Chinees? Dan bedoelden we dat Oe Lang z’n voornaam was.

Lachen.
In hoeverre ook Weyerman zich bezighield met Chinezen, weet ik niet. De reizende Chinees wordt wel aan hem toegeschreven, maar kenners weten dat dit op een misverstand berust.
Vorige week is Arie Pos gepromoveerd op het imago van China bij westerlingen, vanaf dertiende eeuw tot nu. Dus ook het China-beeld van de achttiende-eeuwer.

Waar zijn proefschrift Het paviljoen van porselein verschijnt, is onbekend. Klik hier om een indruk te krijgen van de inhoud van het boek (embargo tot juni 2009 voor de hoofdstukken zelf). Of beluister het OVT-programma hierover. Intrigerend: de naam van Weyerman wordt genoemd op de bladzijden 16, 130, 131, 132, 136, 370, 386 en 388. Nu maar rennen naar de UB.

Franse wijn in de Republiek in de achttiende eeuw

zaterdag 28 juni 2008 – In augustus zal bij uitgeverij Verloren verschijnen Franse wijn in de Republiek in de achttiende eeuw: Economisch handelen, institutionele dynamiek en de herstructurering van de markt van Anne Wegener Sleeswijk. Het boek is een bewerking van het proefschrift waarop zij in 2006 aan Universiteit van Amsterdam en de École des Hautes Études en Sciences Sociales in Parijs promoveerde.
Op de website van Verloren staat het volgende over dit boek te lezen:

Begin achttiende eeuw was wijn een van de belangrijkste goederen die men in de Republiek verhandelde. De wijnhandel nam in de loop van deze eeuw echter sterk af en veranderde bovendien van structuur. De voorkeur van de consument verschoof van witte naar rode wijn en Franse wijn werd steeds meer een luxeproduct. Anne Wegener Sleeswijk analyseert de oorzaken van deze veranderingen en beschrijft de gevolgen ervan voor kooplieden, wijnkopers, wijnmakelaars en andere betrokkenen. Hierbij komen macro-economische en politieke invloeden aan bod, maar ook de dynamiek van de instituties van de markt, dat wil zeggen de verschuivingen in de normen en regels die het economisch handelen coördineerden. Deze studie gaat dus niet alleen over goederenstromen, maar ook over strategieën bij het bieden op wijnveilingen, over kwaliteitsnormen en vervalsing, over mode en machtstrijd.

Huizen aan de Vecht

dinsdag 24 juni 2008 – Weyerman heeft heel wat optrekjes aan de Vecht van binnen én van buiten gezien.
Van de meeste buitenplaatsen zijn prenten en schilderijen bewaard gebleven.

Daar is nu een tentoonstelling over in Museum Maarssen (tot en met 4 januari 2009): Buitenplaatsen aan de Vecht, nieuwe rijken in de 17e en 18e eeuw.

Het museum zelf is overigens de voormalige buitenplaats Goudestein. Het werd in 1628 gebouwd op de plaats van de hofstede De Gouden Hoeff.

Closing Dutch mind 1730

maandag 23 juni 2008 – In de Volkskrant van 21 juni 2008 vindt men een interview door Peter Giesen met Wijnand Mijnhardt, naar aanleiding van diens recente oratie als hoogleraar vergelijkende wetenschapsgeschiedenis te Utrecht.

In dat interview zegt Mijnhardt behartenswaardige dingen. Zoals:

‘Ik geloof niet zo in de specifieke waarden van de Verlichting. Voor mij is Verlichting vooral de gedachte dat er een publieke ruimte bestaat, met een publiek debat waaraan iedereen mag deelnemen, mits hij bepaalde randvoorwaarden in acht neemt.’

Herkauwer bekeek echter met aarzeling de volgende passage:

‘Ironisch genoeg had de Gouden Eeuw, die tegenwoordig vanuit nationalistisch perspectief weer veelvuldig in herinnering wordt geroepen, een sterk kosmopolitisch karakter. Na 1730 zette het verval in, volgens Mijnhardt mede door een closing of the Dutch mind. De Republiek dankte zijn vooraanstaande intellectuele positie niet in de laatste plaats aan de vele prominente ballingen. Na 1730 ontstond steeds meer een nationale cultuurgemeenschap, waarin de Nederlandse taal een belangrijke rol speelde. Nederlandse intellectuelen ergerden zich in toenemende mate aan ‘vreemde’ denkers die zij als een bedreiging voor de culturele eigenheid zagen. ‘De luiken naar buiten zijn dicht gegaan. In de loop van de 19de eeuw hebben grote intellectuelen, zoals Multatuli en Busken Huet, het hier ook niet uitgehouden. Multatuli zwierf door Europa, Huet ging naar Parijs’.’

Eh… dit gaat wel heel snel. Er is heel wat voor te zeggen voor de stelling dat het na 1730 allemaal wat minder spectaculair wordt. Men vindt een merkwaardige windstilte in de Republiek tussen 1730 en 1775. Misschien dat men dan bezig is (bijvoorbeeld in die genootschappen, weet u nog wel?) aan allerlei moralia die de nieuwe soort mens nodig heeft? Die zich dan weer iets later, in de Republiek juist op spectaculaire wijze, uit in die drang naar politieke en maatschappelijke hervormingen?

Dat alles lijkt mede het gevolg van – niet alleen maar die Oudheid, niet alleen maar die kerk – de verlichte aandacht voor de (eigen) werkelijkheid ten gevolge zodat er rond 1700 overal zoiets voorvalt als een ‘Battle of the Books’ waarbij de eigen taal verdedigd wordt. Anders gezegd: de eigen ervaring, op de eigen taalmanier verwoord, wordt even belangrijk als het klassieke erfgoed.

Dat is een ontwikkeling die niet gefundeerd is op vrees voor buitenlanders. Die ontwikkeling van het eigene gaat in volle vaart door tot ongeveer 1810, en tot de napoleontische repressie. Indien er sprake is van een ‘closing of the Dutch mind’ moet men die eerder vinden in de echte 19e eeuw – waar Potgieter terecht zijn Jan Salie vindt.

Tussen haakjes: Multatuli een intellectueel? Dat is wel erg veel gezegd. Multatuli is een weergaloos schrijver, maar zijn algemene ontwikkeling en kennis stelt nauwelijks iets voor. Zijn kennis van de achttiende-eeuwse schrijvers en denkers bijvoorbeeld is min of meer verwaarloosbaar (Herkauwer heeft ergens een cahier liggen waarin hij alle plaatsen heeft opgetekend waar Douwes Dekker bronnen uit die tijd noemt). Even kort door de bocht: dat komt voornamelijk neer op kennis van La Rochefoucauld en wat tweedehands toneelschrijvers. De hele idee dat hij het hier niet kon uithouden (zonder daar van alles bij te betrekken, zoals schulden en wat niet al) is een beetje vreemd en er bij de haren bijgesleept.

Herkauwer

Stookschriften in de ether

maandag 23 juni 2008 – Gisteren werd de bundel Stookschriften enthousiast besproken tijdens het tweede uur van het radioprogramma OVT. Klik hier om de uitzending te beluisteren (‘t duurt een kwartiertje voor de bespreking begint).
‘Stookschriften zijn een mengeling van journalistiek, schelden en propaganda.’ En Ton Jongenelen zou zich in zijn felle uithalen naar collega-historici hebben laten beïnvloeden door de toon van zijn onderwerp.
Plus meer van dit soort verbaal applaus.

A la table du bon roi Stanislas

zaterdag 21 juni 2008 – Een tip voor de vakantie: de prachtstad Nancy heeft de achttiende-eeuwer veel te bieden aan architectuur en historische plekken. Wat de stad nog bezoekenswaardiger maakt is het restaurant A la table du bon roi Stanislas, waar achttiende-eeuwse gerechten worden geserveerd met veel gevoel voor historie. Het restaurant is vernoemd naar Stanislas Leszczynski (1677-1766), koning van Polen, hertog van Lotharingen en levensgenieter.
Op hun website vindt men naast het menu, de dranken (waaronder de Tokaji Aszu 5 puttonyio Messzelato, de favoriete wijn van zowel Stanislas Leszczynski als van Lodewijk XIV) en historische achtergronden een paar recepten, die Culicampo zeker een keertje gaat maken.

Sucrissime

vrijdag 20 juni 2008 – Op de zoetekauwersblog Sucrissime zijn drie bijzonder sexy achttiende-eeuwse recepten te vinden, pistaches en olives en macarons, beide uit 1776 en Marmelade d’agrumes à la bergamote uit 1698.

Expeditievergadering

maandag 16 juni 2008 – Noteer alvast in je agenda: op zaterdag 6 september voert de jaarlijkse expeditie van het JCW naar Franeker.

Wie het planetarium van Eise Eisinga wil zien, moet er zelf maar een heel weekend van maken, want helaas is er geen tijd voor een bezoek aan dit canon-kanon. En wie zich op voorhand wil verdiepen in Franeker losbollen, kan terecht op de website van de Tresoar.
Wat in ieder geval wel op het programma staat, is een bezoek en lunch in het Museum Martena. Plus nog een heleboel verrassingen.

Als je een overnachtingsplaats in Franeker of omgeving zoekt, klik dan hier.

Stookschriften in de ether

zondag 15 juni 2008 – Op 6 juni was Pieter van Wissing hoofdgast in het programma Desmet Live. Theodor Holman had met Pieter een prettig gesprek over de Stookschriften. Klik hier om de radioaflevering te beluisteren.
Eerste vraag van Holman: hoe komt het toch dat er tientallen satirische stookschriften waren in de 18e eeuw en dat ze daarna ineens van de horizon verdwenen? – Inkopper voor Pieter.

Van Woensel

donderdag 12 juni 2008 – ‘t Is alweer een paar maanden geleden dat het proefschrift van René Bakker verscheen: Reizen en de kunst van schrijven. Pieter van Woensel in het Ottomaanse Rijk, de Krim en Rusland 1784-1798’.
Bakker heeft het in eigen beheer uitgegeven, maar op een verzoek het toe te sturen met rekening heeft hij tot nu toe niet gereageerd.
De tekst is wel te raadplegen op Darenet, waar ook de volgende beschrijving staat:

Het proefschrift behandelt het leven van Pieter van Woensel (1747-1808), zijn reis naar het Ottomaanse Rijk en Rusland in de periode 1784-1789 en de boeken die hij hierover schreef. Van Woensel verbleef langdurig in het buitenland, was een uitgesproken non-conformist en vrijdenker. In tegenstelling tot vrijwel al zijn tijdgenoten waardeerde hij het enige land in Europa dat werd bestuurd op basis van islamitische wetgeving – het Ottomaanse Rijk – positief.
Volgens de alom geaccepteerde theorie van het oosterse despotisme had dit rijk een dictatoriaal bestuur, zonder wetgeving, met geen enkel respect voor privé-bezit en werden de onderdanen van de sultan geregeerd op basis van terreur.
Van Woensel weerlegde deze misvattingen op basis van de waarnemingen op zijn reis, en het gebruik van moderne bronnen en methodieken, zoals de Statistik (statenkunde), een nieuwe hulpwetenschap uit Duitsland.
Vanwege de afwijkende opvattingen, maar ook door de provocerende stijl, werd zijn boek
Aanteekeningen, gehouden op eene reize door Turkijen, Natoliën, de Krim en Rusland, in de jaaren 1784-1789 door critici afgewezen.
Hoewel neerlandici het boek rekenen tot de Nederlandse literatuur, behoort het eerder tot de beginfase van de antropologie in Nederland.

Praatjesmakers

woensdag 11 juni 2008 – Weyerman heeft zijn Vermakelyk wagenpraatje. De formule van met elkaar kletsende reizigers die met elkaar allerlei roddels en opinies uitwisselden, was niet nieuw.
Binnenkort (27-6) verschijnt het proefschrift Rap van tong, scherp van pen. Literaire discussiecultuur in Nederlandse praatjespamfletten (circa 1600-1750), geschreven door Clazina Dingemanse en uitgegeven door Verloren. Waarschijnlijk ook te raadplegen via de proefschriftendatabank van Igitur.

Hieronder het persbericht van de Universiteit van Utrecht:

In pamfletten uit de periode 1600-1750 worden debatten over actuele kwesties niet neutraal en vanuit alle standpunten weergegeven, maar zetten de auteurs allerlei overtuigingstactieken in om de lezer naar één ‘juiste’ visie op de actualiteit te leiden. In haar proefschrift ‘Rap van tong, scherp van pen’ geeft Clazina Dingemanse een overzicht en analyse van deze tactieken.

In de vroegmoderne tijd is het pamflet in Nederland het belangrijkste publiciteitsmedium. Dingemanse belicht in haar proefschrift een opmerkelijk type pamflet, de zogenoemde ‘praatjes’: fictieve gesprekken tussen allerlei inwoners van de Republiek, zoals boeren, schippers, kooplui, kroegbazen, Hollanders, Zeeuwen, Geldersen of Brabanders. In een ‘levensechte’ situatie (op de trekschuit, op de markt of bij iemand thuis) bespreken zij actuele kwesties, zoals de vraag of er oorlog of vrede moet komen, wie de baas is in het land en of politici wel goed functioneren. De weergave van het debat is in deze praatjespamfletten allerminst neutraal: de auteur wil de lezer beïnvloeden en leidt hem naar één onafwendbare conclusie.

Dingemanse zet in haar proefschrift de overtuigingstactieken in praatjespamfletten uit de periode 1600-1750 op een rij. Zij plaatst de teksten in hun politieke context, gaat in op de interactie met andere pamfletten en onthult hoe de auteurs de publieke opinie sturen en manipuleren, bijvoorbeeld door de inzet van verschillende gesprekstechnieken, toepasselijke sprekers, rijm, humor, vergelijkingen met vroegere gebeurtenissen en emoties. Dingemanse vat de dialoogtechnieken samen in een algemeen model dat de basis legt voor internationale vergelijking van vroegmodern pamfletmateriaal en moderne journalistieke genres.

De kiekjestrommel

dinsdag 10 juni 2008 – Er was veel publiek bij de presentatie van het eerste exemplaar van de Stookschriften, zo blijkt uit de foto’s hieronder.








Mededelingen in aantocht

woensdag 4 juni 2008 – Je hoeft niet moeders mooiste te zijn om een wijze geleerde heren een mooi artikel over je te laten schrijven. Ik heb het over Samuel Luchtmans, die samen met zijn broer Johannes Luchtmans in de tweede helft van de 18e eeuw de winkel aan het Leidse Rapenburg bestierde.

Sytze van der Veen schreef er een lezenswaardig artikel over in de eerstkomende Mededelingen. Die liggen eind van de maand in de brievenbus van alle campisten.

Sytze heeft over de Luchtmannetjes zojuist ook een fraai geïllustreerd boek geschreven. Niet in zijn eentje en ook niet alleen over de toch wel enigszins stijve Leienaren, maar ook over hun 19e- en 20ste-eeuwse nazaten. De Brilletjes.
Zie ook de informatieve website van Brill, waar het totale fonds vanaf de oprichting van de uitgeverij te vinden is. Plus portretten, bio’s en wat dies meer zij. Daar zijn ook de gegevens te vinden van het boek van Sytze.

Presentatie Stookschriften

zondag 1 juni 2008 – Hier in Amsterdam woonde in de jaren twintig van de achttiende eeuw ene Anna Bruynsteen. Ze stond bekend als weduwe Pestalozzi, de naam van haar derde overleden echtgenoot.
Een treurig bestaan leidde ze niet. Integendeel.
Dit gegeven was voor Weyerman aanleiding om in zijn tijdschrift de Echo des Weerelds aan te kondigen dat hij haar pikante levenswandel tot in detail zou gaan beschrijven.
Onmiddellijk daarna werd Weyerman bij de rouwende dame in kwestie geroepen. Ze weende tranen met tuiten. Ontroerd stelde de schrijver haar gerust. Nee, van hem had ze niets meer te vrezen.
Maar later ontving ze van Weyerman een brief: of ze met een paar zilveren kandelaars over de brug kon komen omdat hij zijn grootmoedige aanbod natuurlijk niet voor niets had gedaan.

Weyerman bezondigde zich wel vaker aan chantagepraktijken als deze. Uiteindelijk werden ze hem fataal. Hij werd in de vrijplaats Vianen opgepakt en uitgeleverd aan de gerechtsdienaars in Den Haag. Zijn krokodillentranen mochten niet baten. Het verdere vervolg is bekend. Weyerman kreeg levenslang en sleet zijn laatste levensdagen in de Gevangenpoort.
Sterker nog. Ook postuum bleef zijn veroordeling hem achtervolgen. Over zijn stilistische schrijftalent werd nauwelijks meer gesproken. Weyerman is tot ver in de twintigste eeuw verdoemd tot de categorie afgeserveerde vuile stookschrijvers. Ten onrechte, zo weten we nu.
Want hij is de eerste schrijver in de Nederlandse literatuurgeschiedenis die datgene wat hij om zich heen zag gebeuren, levendig en gedetailleerd heeft beschreven.

Geachte aanwezigen. Geachte liefhebbers van stookschriften. Mijn naam is Rietje van Vliet, voorzitter van de Stichting Jacob Campo Weyerman. Ik heet u mede namens Uitgeverij Vantilt (Marc Beerens / Godelieve Linders) en het Persmuseum (Angelie Sens) van harte welkom bij deze feestelijke presentatie van de bundel Stookschriften.
De achttiende eeuw staat bekend als de periode waarin burgers en masse het publieke domein betraden waar ze in het openbaar met elkaar in debat konden gaan. Er werden leesgezelschappen opgericht. Bibliotheken. Theaters. Musea. Genootschappen. Koffiehuizen.
Het vrije debat vond mondeling plaats, uiteraard. En in boeken, kranten en andere periodieken.
Ook Jacob Campo Weyerman maakte van zijn hart geen moordkuil. Hij is in Nederland een van de eersten geweest die doorhad dat er met tijdschriften goed geld was te verdienen.
Er is geen schrijver geweest die er zoveel in de markt zette. Zo’n vijftien titels staan op zijn naam. Soms waren ze van korte duur. Andere tijdschriften telden meerdere jaargangen. Maar steeds waren ze satirisch.

Want Weyerman stookte graag.
Zijn kennissen in de literaire onderwereld werden flink op de korrel werden genomen en hadden het zwaar te verduren.
Weyerman was een trendsetter, al was hij zeker niet de eerste of enige die zijn pen in bijtend vitriool doopte om zijn lezers te vermaken.
In zijn stookschriften bleven regenten, bestuurders, politici echter buiten schot. Misschien interesseerden zij hem wel, maar in zijn tijd was het voor broodschrijvers als hij verstandiger hen met rust te laten. Er was immers voor de klandizie niets zo slecht dan, wegens al te verhit stookgedrag, achter slot en grendel geplaatst te worden.
In de tweede helft van de achttiende eeuw, wanneer in de Republiek de politieke controverses zich steeds scherper beginnen af te tekenen, krijgen de stookschriften wel degelijk een steeds scherper karakter. Politieke partijen, voor zover je daar al van kunt spreken, vliegen elkaar virtueel in de haren. En, anders dan in de periode Weyerman, worden ook de stedelijke en provinciale bestuurders zonder veel omhaal van woorden in de stookschriften te kijk gezet.
Daarom is het vandaag zo’n opmerkelijke dag. De bundel Stookschriften, die tot stand is gekomen dankzij Pieter van Wissing en de overige leden van de redactie van de Mededelingen van de Stichting Jacob Weyerman, wordt gepresenteerd aan een regent van nu, de burgemeester van Amsterdam. U zult straks meer van hen horen.
Voordat ik het woord geef aan de spreekstalmeester van vanmiddag, Ton Jongenelen, nu reeds een klein woord van dank aan Gerrie Wisse, bestuurslid van de Stichting. Zij is degene die de organisatie van dit symposium op zich genomen heeft. Wie straks vragen van praktische aard heeft, kan wellicht bij haar terecht.

Opening mini-symposium ter gelegenheid van de presentatie van de Stookschriften, 30 mei 2008 (Amsterdam, Persmuseum).

Comments are closed.