Theater
donderdag 27 maart 2008 – Morgen promoveert Kornee van de Haven op het proefschrift Achter de schermen van het stadstoneel. Theaterbedrijf en toneelpolemiek in Amsterdam en Hamburg 1675-1750. Mooi boek.
Rokkenjager
woensdag 26 maart 2008 - In de Byvoegzels op het het Vaderlandsch woordenboek (Amsterdam, Johannes Allart 1799), oorspronkelijk samengesteld door de Amsterdamse boekhandelaar Jacobus Kok, staat op pagina 343-349 een biografie van Weyerman:
‘niet min vermaard, door zijne losbandigheid en ondeugden, dan zijnen vluggen geest en menigvuldig uitgegeevene Schriften [...]’
Het vermanende vingertje komt vooral op p. 349 te voorschijn:
‘Schoon zijne ongemeene schranderheid, vlugheid, uitgebreide kennis van veelerhande zaaken, en zijn verpligtende omgang hem van veelen deeden zoeken; nogthans werden deeze hoedaanigheden grootlijks ontluisterd, door zijne geile drift tot de Vrouwen, zijne onbetoomde involging van Hekelzucht, en vooral door zijne losse wijze van denken over den Godsdienst [...].’
Toe maar: een rokkenjager, een lasteraar en een godloochenaar. In de 19e eeuw wisten ze wel raad met Weyerman.
Dansende doden
zondag 23 maart 2008 – Weyerman had geen hoge pet op van Salomon van Rusting. In de Rotterdamsche Hermes noemt hij zijn collega-schrijver ‘Salomon de Kwakzalver’ – RH 41 (1-5-1721), p. 271.
De prenten uit Rustings Schouw-Toneel des Doods zijn natuurlijk niet gemaakt als illustratie bij de dichterlijke hoogstandjes uit het Schouw-Toneel. Ze zijn in 1538 gemaakt door Hans Holbein en uit hout gesneden door Hans Lützelberger. De dodendans is nadien ettelijke malen nagemaakt.
In zekere zin zijn Weyermans ‘t Zamenspraaken tusschen de Dooden en de Leevenden ook te beschouwen als een dodendans.
Dodendans vertaald
zaterdag 22 maart 2008 – Het Schouw-toneel van Salomon van Rusting sloeg kennelijk aan. In Neurenberg vond boekverkoper Peter Conrad Monath het interessant genoeg om zijn landgenoten te voorzien van een Duitse vertaling.
Die kwam er in 1736: Schau-Platz des Todes oder Todten-Tanz. Er werd wel commentaar bij gevoegd, van de zielenherder Johann Georg Meintel, uit Petersaurach (Brandenburg). Het resultaat is een geleerderig voorwoord van de vertaler, Meintel zelf dus.
Ruim 60 pagina’s toelichting op dodendansen en de tekst van Salomon van Rusting, plus af en toe loodzware voetnoten: Meintel kon er wat van.
De 30 prenten van het origineel zijn opnieuw gestoken. De Duitse zien er wat knulliger uit; wie ze gemaakt heeft kan ik niet zo snel ontdekken.
Dodendans
vrijdag 21 maart 2008 – Sombere dagen voor Pasen: naar aanleiding van de dodengesprekken van Fassmann nu aandacht voor de dodendans van de drekpoëet Salomon van Rusting.
In 1707 verscheen bij de Amsterdamse uitgever Jan ten Hoorn Het Schouw-Toneel des Doods; Waar op na ’t leeven vertoont wort De Doot op den Throon Des Aard-Bodems: Heerschende Over alle Straatten en Volkeren. Verçiert met dertig Zinnebeelden. Het ingescande exemplaar heeft op de voor- en achterzijde van de leren band een fraai doodshoofdje.
Magere Hein danst 319 pagina’s lang met verschillende personages: met advocaten, astrologen, koorddansers, boeren, papen en bijvoorbeeld schaatsrijders. En dus ook met een marskramer. Op p.263 schrijft Van Rusting over hem: ‘Wat ben ik? (zeit hy) ‘k word gedurig afgemat, / Met eeuwig torssen van die mars: ik word door-nat / In ’t oop’ne vlakke velt, gedurig, door de regen: / Myn voeten glibb’ren, of bekleven, in de wegen.’
En meer van dit soort gejammer. Bij ieder personage volgt een klaagzang over hoe slecht deze het toch heeft en welke risico’s hij in het leven loopt.
De 30ste plaat is gewijd aan een ‘Doctoraal Poet’: een dichter als Rustingh zelf, ook een medicus. Voor mensen met schrijfambities volgt een inspirerende passage op p. 213:
Maar boek nog onderwijs, maakt imant tot Poët:
Hier toe is studie, konst, en moeite, en vlijt, verloren.
Niets maakt Poëeten, maar men wort Poëet geboren.
Bij DBNL is de tweede druk van het Schouw-Toneel des Doods afgebeeld: Amsterdam, Nicolaas ten Hoorn 1726.
Reizende Chinezen
donderdag 20 maart 2008 – Op de website van de UB Utrecht staat de bibliografie van Weyerman afgedrukt. Een opvallende titel is nummer 13: De reizende Chinees (Amsterdam 17127-1728). Zo’n foutieve mededeling op het web gaat al snel een eigen leven leiden. In zijn blog Kemp=Mag van 5 febr jl. meldt Jef van Kempen eveneens dat Weyerman de auteur is van dit tijdschrift.
Het werk is oorspronkelijk van David Fassmann, de man van de dodengesprekken. Zijn Chinezenboek – het is meer een tijdschrift met een aaneenschakeling van vertogen – heet in het Duits: Der auf Ordre und Kosten seines Kaysers reisende Chineser (1724). Het werk is voorzien van talrijke prenten, onder andere van diverse Nederlandse steden die de Chinezen onderweg aandoen.
In het Nederlands heet het voluit: De Reizende Chinees, Op bevel en kosten van zynen Keizer. Gevende denzelve kennis van den Staat en Geschiedenissen der Wereld, dog wel byzonderlyk van Europa. Beschryvende deszelfs Steden, Gewoontens, Wetten, Zeden, Regerings-Form &c. Beneffens zommige aanmerkelyke Berigten, 1 Van het Chinesche Ryk, en deszelfs Heerlykheid. Als ook 2 Van den Turkschen Alkoran. Meestendeels voorgesteld in aangename Zamenspraken. Amsterdam, Hendrik Bosch, 1727-1728.
De Leidse Mij werd in 1938 getrakteerd op een lezing over Chinezen in de Nederlandse letterkunde. Hierin komt het Chinezenboek ook ter sprake. ‘Twee Chineezen, genaamd Herophile en Val du Prez, reizen in Nederland en geven in hun brieven aan den Chineeschen Keizer, uitvoerige beschrijvingen van vrijwel alle Nederlandsche steden en gewesten, gekruid met merkwaardige anecdoten.’
Is de toeschrijving van De reizende Chinees aan Weyerman echt volkomen uit de lucht gegrepen? Mwah. Weyerman heeft teksten uit Fassmanns dodengesprekken verwerkt in zijn Maandelyksche ’t Zamenspraaken tusschen de dooden en de leevenden (1726). Dit is eveneens uitgegeven bij Hendrik Bosch (Verlokkend ooft, p. 187).
Voor zover bekend is dit de enige link tussen Weyerman en het Chinezenboek van Fassmann.
Nieuw werk van Weyerman?
woensdag 19 maart 2008 – De schrijfstijl van Weyerman heeft sommigen ertoe verleid boeken aan hem toe te schrijven die helemaal niet uit zijn koker kwamen.
Dat deed bijvoorbeeld de opsteller van de veilingcatalogus van het boekenbezit van de Leuvense theoloog en UB-bibliothecaris Jean-François vande Velde (Gent 1832).
Op p. 231 van deel 2 staat Aesopus in Europa genoemd, met de naam van Weyerman als auteur erbij (lot nr.7713). Het betreft de tweede druk van het tijdschrift onder deze naam, met veertig prenten van Romeyn de Hooghe.
Deze tweede druk dateert van (1737-1738) en is uitgegeven door de Hagenaar Frans Moselagen. Deze had in 1736, samen met Cornelis de Ruyt, in een stadsherberg zwaar zitten onderhandelen over de tarieven van Weyerman. Maar dat ging dus niet over Aesopus in Europa.
De eerste uitgave dateert van 1701-1702 en staat voor zover ik weet op naam van de doopsgezinde boekverkoper Sebastiaan Petzold, uit Amsterdam. De auteur is Romeyn de Hooghe zelf. Klik op de volgende link om een indruk te krijgen van een van de eerste politieke tijdschriften die Nederland gekend heeft. Tien van de veertig afleveringen ontbreken in dit exemplaar uit de Taylor Institution.
Iedere aflevering telt 8 pagina’s. Het formaat is 4o en op iedere openingspagina staat een prent van Romeyn. De teksten zijn altijd opgebouwd in dialoogvorm. De afleveringen zijn niet genummerd.
Weyerman voor dummies
dinsdag 18 maart 2008 – In Nederlandse letterkunde voor dummies besteedt de als taalkundige opgeleide ict’er Dick Jan Braggaar anderhalve pagina aan Weyerman. Deze wordt afgeschilderd als ideale journalist maar, aldus de schrijver, het feit dat hij roddelcampagnes in de pers gebruikte om mensen te chanteren, pleit niet voor Weyerman.
De Vrolyke Tuchtheer wordt als bekendste tijdschrift neergezet. Waarom is niet duidelijk. De slotpassage luidt: ‘Weyerman blijft, ondanks dat de Stichting hem als boegbeeld voor de achttiende eeuw gebruikt, een uiterst duister en ongrijpbaar auteur. Maar zeker de moeite waard!’
Helaas rammelt de tekst aan alle kanten. Achttiende-eeuwse periodieken worden ingedeeld in kranten, politieke tijdschriften, geleerdentijdschriften, spectatoriale geschriften en schimpschriften.
Met opgegooglede teksten als deze houd je dummies wel erg dom.
Gemiste kans.
Kwakzalverij
maandag 17 maart 2008 – Het schilderij De Piskijker is van de Brusselse schilder Josse Impens (1840-1905). Geen groot kunstenaar volgens mij, maar het tafereeltje van een kwakzalver is niet onaardig.
Dick Kranen, lid van het JCW, heeft op het web de volgende tekst over kwakzalvers gepubliceerd: Advertenties van alternatieve genezers in de Oprechte Haerlemse Courant (1656 t/m 1735). Maar liefst 333 advertenties liggen ten grondslag aan de tekst. Hierin ook aandacht voor Weyerman, in het hoofdstuk ‘Kwakzalvers in de literatuur’. Het boekje is in eigen beheer uitgegeven en kost € 12,25. Zie de website van Dick Kranen.
Reactie 9-11-2008: Ik zou graag willen weten waar U de schilderij heeft gezien, waarom U denkt dat Josse Impens geen groot kunstenaar was (wat bedoelt eigenlijk groot?).
Weet U meer over Impens?
Beste groet. ROLAND
Weyerman-liefhebber
zondag 16 maart 2008 – In 1779 werd de bibliotheek van de Leidse regent Daniel van Alphen (1713-1797) geveild. Deze Van Alphen was lid geweest van de vroedschap van Leiden en tot 9 november 1778 griffier van deze stad. De jurist was een letterlievend man, had een gigantische bibliotheek en was lid van verschillende genootschappen.
Waarom hij zijn boeken van de hand deed, is onduidelijk.
De veiling was in handen van de boekverkopersfirma Luzac & Van Damme, en Daniel Vygh (werkzaam onder de naam Van der Eyck & Vygh). Vanaf maandag 6 september gingen de boeken onder de hamer.
De catalogus is weliswaar geordend op taal, inhoud & formaat, maar daarbinnen is het een zootje. De rubriek ‘Natuurlyke Historien en Mengelwerk in quarto’ bijvoorbeeld vertoont honderden titels die zonder enig systeem achter elkaar zijn genummerd. Moeilijk zoeken dus.
Er staan voor zover te zien twee titels in van Weyerman: de vierdelige Konst-Schilders en de Don Quichot-vertaling (nrs. 3375 en 3376). In deze rubriek noch in andere rubrieken geen exemplaren aangetroffen van een van zijn satirische tijdschriften. Daar had Van Alphen kennelijk geen belangstelling voor. Of het is om een of andere reden niet meegeveild.
Het enige satirische tijdschrift dat in de catalogus opduikt, is de Snelziende Lynceus, een blad waarvan ik vermoed dat het van Leidse komaf is.
Letteroefeningen-blog
zondag 16 maart 2008 – Kent u eigenlijk ‘Letteroefeningen’?
Het is een soort blog, bijna dagelijks, door Frank Peeters. Hij plaatst regelmatig facsimiles van bijzondere of zeldzame achttiende-eeuwse historische teksten: titelpagina’s, illustraties. Soms ook enkele tekstpagina’s. Kijkt u eens op zijn webpagina.
Dat op deze wijze soms wat teksten uit de Verlichting toegevoegd worden op internet, is meegenomen. Ondanks het lawaai dat de DBNL af en toe produceert voegt immers die instantie nauwelijks iets primairs uit deze periode toe. Men schijnt daar niet te weten wat mogelijk is… het zou kunnen dat men daar nog steeds in de eerste druk van Knuvelder kijkt in plaats van in een vaktijdschrift.
‘Letteroefeningen’ doet Herkauwer ineens denken aan het probleem dat er met de STCN (?) is. Was het niet zo dat het KB-management besloten heeft binnenkort een einde te maken aan dit project, dat beoogde alle drukken van vóór 1800 te inventariseren voorzover in de grote bibliotheken aanwezig?
Schandalig. Achterlijk.
Als dit stoppen onwaar is, hoort Herkauwer dat graag van iemand.
Atlassen
zaterdag 15 maart 2008 – Deze week was het zelfs op het NOS Journaal: het Regionaal Archief Leiden heeft een atlas van Blaeu gedigitaliseerd: Toonneel des Aerdryks. Schitterende kaarten die dateren uit 1657 of daaromtrent.
Al eerder was ik op een mooie atlas gestuit:
Atlas Novus Sive Tabulae Geographicae Totus Orbis Faciem, Partes, Imperia, Regna Et Provincias Exhibentes, Exactissima Cura Iuxta Recentissimas Observation. Æri Incisæ et Venum Expositæ A Matthæo Seutter Sac. Cæs. Majest. Geogr. Augustæ Vindilicorum (Augsburg, ca. 1740).
Je veert altijd even op als je bij zo’n heftige titel de naam van Weyerman leest. De plaatsnijder was namelijk ene Martin Gottfrid Crophius die werkte naar de tekeningen van Jacob Christoph Weyerman.
Groningse cartografen hebben nog veel meer leuks op hun website staan. Hier vind je het complete Toonneel der Steden, eveneens van Blaeu (1652), waar je via een zoekschermpje je eigen stad kunt opzoeken. Verder staan er de atlassen van Janssonius (1658), de Vyerighe Colom van Jacob Aertsz Colom, en Civitates orbis terrarum van Georg Braun en Frans Hogenberg.
Nicolaas Witsen
vrijdag 14 maart 2008 – Twee interessante promoties in Groningen deze maand: Igor Wladimiroff en Marion Peters deden onderzoek naar de Amsterdamse burgemeester Nicolaas Witsen en zijn contacten in Rusland.
Cartograaf
Witsen publiceerde in 1687 als eerste een realistische kaart van Siberië. Dat was bijzonder, want hij had zelf nog nooit een voet op Siberische bodem gezet. Bovendien had niemand buiten Rusland toegang tot de schaarse cartografische gegevens.
Hoe hij dan toch aan de cartografische gegevens kwam? Wladimiroff laat zien dat Witsen gebruikmaakte van de gegevens die zijn neef en leeftijdsgenoot Andries Andriesz. (Andrej Andrejevitsj) Winius hem had doorgespeeld. Deze Winius werkte als tolk voor tsaar Aleksej en was vertrouweling van diens zoon Peter de Grote was.
De samenwerking werd zorgvuldig geheim gehouden. Het zou er somber uitzien voor Winius als hij tegen de lamp was gelopen.
Onderzoeker
Witsen was ook onderzoeker. Zijn eerste boek, over de scheepsbouw, werd een standaardwerk. Het bevestigde Witsens reputatie bij tsaar Peter de Grote, die van 1697 tot 1698 met zijn gevolg een bezoek bracht aan de Nederlandse Republiek.
Dat bezoek leidde tot een persoonlijke vriendschap tussen Witsen en de tsaar en zijn begeleiders, zo blijkt uit onderzoek van Marion Peters, die zich richtte op het totale wetenschappelijke bedrijf van de Amsterdamse burgemeester.
Witsen maakte wapentransporten naar Rusland mogelijk, zelfs al overtrad hij daarmee een verbod van de Staten-Generaal op wapenleveranties aan vreemde mogendheden. Witsen werd voor zijn loyaliteit beloond met oekazes, speciale verordeningen van de Russische troon om handel te mogen drijven.
Het Nederland Rusland Centrum (NRCe) geeft van beide proefschriften een handelseditie uit in de universiteitsreeks Baltic Studies.