Autobiografie Weyerman

Uit: Jacob Campo Weyerman, De levens-beschryvingen der Nederlandsche konst-schilders en konst-schilderessen, deel 4, in ’s Gravenhage [etc.], by de wed. E. Boucquet [etc.] 1769, p. 409-475.
¶ Het gebruik van aanhalingstekens bij citaten is aangepast aan hedendaagse regels.
¶ De tussenkopjes staan niet in het origineel maar zijn omwille van de leesbaarheid toegevoegd.
¶ In het origineel zijn de alinea’s ingesprongen; hier worden ze met een extra regel wit van elkaar afgescheiden.

.

JAKOB CAMPO WEYERMAN,

Geen onderwerp is zo uitheemsch, waar in een Fransch Schryver niet een pligtpleeging weet op te dringen aan zyn Vorst: Ook is geen stoffe zo maager, waar in geen Gedenkschrift-Schryver van zyn byzondere Leevensbedryven, niet iets komt tusschen in te lassen t’ zyner eere, roem en lof.

Wy verheffen en schatten eens anders uitmuntendheden, eerder uit een achting voor ons byzonder gevoelen, dan wegens derzelver waarde; en als wy voorwenden eens anders deugden te pryzen, geschied zulks uit een slag van ter zyde op dat anderen ons zouden verheffen.

Dewyl den Leezer nu genoegzaamlyk merkt, dat zulks my is bekent, denk ik geheel myn vermogen in te spannen, om door het vermyden van Charibdis niet te vervallen in Scylla; ook vereischt een bestaan van die natuur een ervaaren Stuurmanschap. “Maar wie toch vergt, wie parst, wie spoort u aan tot de beschryving van uw Konst- en Leevensbyzonderheden”. Wie vraagt de Nieuwsgierigheit: dat zal ik u ontvouwen, antwoort de Openhartigheit.

Een jaar drie ofte vier geleeden, heeft een bedurven Koopman in Schilderyen, zich opgeworpen tot een Waagweeger van de meerdere ofte mindere verdiensten der Penseelhelden; en een dommekrachts onderneeming van die natuur, stuit my tegens de borst. Wie weet of een diergelyk Kladschilder met die pen, myn Konst- en Leevensbedryven niet zou bestryken met doosjes zwart, in plaats van ultramaryn, na myn overlyden, bewust dat de overleedenen niet byten. Dat nu geen doode Leeuw zich kon verweeren tegens een leevenden Dog, zou ons Plinius konnen zeggen, des noods zynde, een Romein die geen minder Dieren-schilder is geweest met de pen, als den laatstgemelde Haagenaar was met het penseel. Tot voorkoming van die ramp, vat ik de pen op, en ik zal myn Konst- en Leevens byzonderheden beschryven na waarheit, gematigt door zedigheit; en zonder meer tyd verlies die Venezoen-pastey ontginnen.

Geboorte en jeugd
Jakob Campo Weyerman is gebooren te Breda, op den negende van de Oogstmaand, in het jaar duizent zes hondert zeven-en-zeventig. Hy wiert tot de letteroeffeningen bestemt by zyn Ouders; en na de Fransche taal te hebben geleert, bestelt op de Latynsche Schoolen te Breda, hoewel reeds getreeden in zyn vyftiende jaar. Die Schoolen doorliep hy in drie jaaren, zynde doorgaans de letteroeffeningen van de laagste tot de hoogste School voor een tyd van zes jaaren beperkt; doch deswegens is hy ruim zo veel dankbaarheit verschuldigt aan de goede natuur, als aan zyn byzondere vlyt, oordeel of geest.

Ik zeg, aan de goede natuur, alzo de verscheelende bequaamheden der menschen, welke wy noemen Wysheit, ofte Voorzigtigheit, tot het bestier van Staats- of Landzaaken, ofte van een Ampteloos leeven, lynrecht groeijen uit dat klein vernuft, het welk wy met ons brengen op de Waerelt; en derzelver gebrek in menschen, ontstaat uit eenig mangel in onze ontvangkenis ofte geboorte. Alhoewel nu dien mangel kan werden verbetert eenigermaate, by toevallen van Opvoeding, Letteroeffening, Ommegang of Beezigheit; echter vermag het niet te gaan boven het bereik van zyn natuurlyk vermogen, zo min als het leeven kan gaan over het bestemt tydbestek, langs de sterkte of de zwakheit van de voortqueekende kracht.

Leerschool in ’t Woud

Kerk van ’t Woudt (1729).

Noch geen achtien jaaren oud zynde, wiert hy aanbevoolen aan de leertuch van den Heer Sandvoort, Predikant op het Woud, een klein Dorp gelegen in Delftland. Aldaar onderwees hem die geleerde Man in de Hebreeuwsche en in de Grieksche taal, welke laatste inzonderheit hy zodanig behartigde, dat hy den Griekschen Dichter Pindarus kon vertaalen, voor de vuist. Daarenboven wiert hy onderwezen in de Wysbegeerte, in de beginselen van de Godgeleerdheit, in de Wis- en Starrekunde, als desgelyks in de Grieksche en Romeinsche geschigten.

Niettegenstaande hy zich naarstiglyk bevlytigde in alle die gemelde letteroeffeningen, echter dreef de Tekenkonst boven, het voorensgezegt graan van vernuft, dat hy als uit de geboorte met zich had ter waerelt gebragt. Tot voortzetting van die lust, wandelde hy tweemaal ’s weeks na Delft, en bediende zich aldaar van het onderwys eens Schilders genaamt Thomas van der Wilt, een tamelyk goed Historie- en Konterfytzelschilder; doch noch beter Tekenaar als Schilder.

Alzo den mensch eerder zyn belangens verzaakt, als zyn smaak, voel ik trek den Leezer een zeldzame bejegening te verhaalen tot vervrolyking van dit onderwerp. Den voorensgemelde Leevens- en Konstbeschryver der Schilders veroordeelt in zyn Schets, ofte Voorwaarden van Inschryving, welke Boekdeelen zullen werden gedrukt in partibus infidelium, alle ondernemingen van die natuur. Hy wil de Leevensbedryven der vrolyke Konstschilders schoeijen op den styl der Martelaars-schriften, gegrondvest op kruissen en raders: en in navolging van Reynaart den Vosch, scheld hy de druiven voor zuure vruchten, dewyl zyn loomheit hem verhindert die versnapering te konnen bereiken.

Op jacht naar spoken
Omtrent een half jaar voor Jacob Campo Weyerman zich vertrok uit dat Dorp, om zyn Letter oeffeningen te aan voltooijen op de Hoogeschoolen tot Utrecht, stont hy te praaten met den Predikant voor de Poort van zyn huis. Een Watermolenaar en zyn Vrouw, welke hadden gehoort dat den Dominé een goed vrient was van den Heer Putman, Dykgraaf van Delfland, kwamen hem verzoeken, van een goed woord te willen doen by dien Dykgraaf, om te mogen werden verplaatst op een andere Watermolen. Den Predikant vroeg wat hem bewoog te willen schiften van Molen? waar op den Molenaar antwoorde, om dat het zo vreeslyk tot zynent spookte, dat zy het niet langer konden harden. Hy voegde ‘er by, dat als wanneer hy des avonds eens buiten de deur trat om na den wind te kyken, het spook hem by wylen een gons gaf, dat hy overhoop tuimelde, gevolglyk noch liever wilde gaan bedelen, als aldaar langer te maalen. De Vrouw ontbloote daar op haar armen, en een gedeelte van haaren boezem, welke ligchaams deelen blont en blaauw genepen waaren; en ’s mans gezegde wiert bekrachtigt langs dat bewys.

Den Leezer gelieve te weeten, dat die Watermolen leelyk was berucht, dewyl de voorige Molenaarin, een Oud Wyf haar zelven had verdronken; gevolglyk dat zy zo wel spookte in Delfland, als den Quelduivel van Mascon den beest plagt te speelen in Vrankryk. Weyerman viel hartiglyk aan te lagchen over dat spook relaas, waar over den Predikant zich ergerde, zynde hy een Anti-bekkeriaan, en het scheelde luttel of zou hem met den schendnaam van: Vrygeest hebben vereert. Tot voorkoming van dat onweer, vroeg Campo den Molenaar, of hy zich noch onthield op dien Watermolen? zyn bescheid was neen; waar op hy wiert verzogt, van hem den sleutel te willen geven van dat spokent Waterkasteel, alzo hy aldaar eenige nachten den Sperwer zou gaan bewaken; welk verzoek wiert ingewilligt, waar na den Molenaar en zyn Vrouw vertrokken. Den Heer Sandvoort ziende dat het hem ernst was, zei, dat hy zyn mede Student zou mee nemen, op dat derzelver wedervaaren grooter geloof mogt hebben by de Boeren, zynde het getuigschrift van twee persoonen meer aanneemelyk in rechten.

Zo gezegt, zo verricht, zy verreisden met hun beiden na dien betoverden Watermolen, zo luchthartiglyk als twee doolende Ridders, gespitst tot het ontginnen van een gevaarlyke avontuur. Tusschen vallen en opstaan kwamen zy aldaar te belanden, tegens het daalen van den nacht, en namen fluks bezit van die plaats. Uit eenige aldaar overgebleeven turf wiert een vuur aangelegt, en een paar kaarsen ontstoken langs de tusschenkomst van tondeldoos en een bosje zwavelstokken. Een paar hoopen van die zelve brandbaare stoffe verstrekten hen tot stoelen; waar na zy malkanderen een praatje verleenden tegens den schrik der eenzaamheit.

Tusschen twaalf en een uur hoorden zy een slurvent gedruis, waar op Weyerman fluks het oog sloeg naar de openstaande deur van het vertrek, en een gedaante zag naderen met langzaame schreeden. Die figuur scheen hem toe als een persoon omhangen met een beddelaken, en indien hy min voorbaarig waare geweest, zou hy gewislyk dat verbeelt Spook hebben bezichtigt meer van naby. Doch hy greep fluks den Degen in de rechter en een brandende kaars in de linkerhand, om een proef te neemen of dat Spook ook was gehart tegens de punt van een spitse kling. Den Boldergeest ziende dat den Student op hem los schoot, vertrok zich schielyk achterwaards, om zich te bergen langs den haazesprong der bloodaards, gezegt een tydige vlugt. Maar die vlugt waare het Spook mislukt, indien Weyerman niet eerst had gestruikeld, en vervolgens gevallen, ook wiert zyn kaars uitgedooft in dien val. Nochtans hy verrees schielyk, greep de tweede brandende kaars, vervolgde op nieuws het Spook, doch ley zyn handen op een yl nest.

Den Spookbanner stoof dan te rug na de keuken, en bevont dat zyn Medemakker was overhoop gebuitelt van zynen turfzetel (juist op die wyze tuimelt een stervende Leeuwerk van zyn verheeven zoodje) en als noch ley te spartelen in die demoedige gestalte, gelyk als een op ’t gypen leggende Kikvorsch. Weyerman rechte dien tot stervens toe onthutzelden Bloetbeuling op, vertroosste hem na zyn vermogen, en sprak hem een hart in ’t lyf; maar te vergeefs. “Laat ons toch na het woud keeren, myn vrient”, krochte en steende zyn Medemakker met een zwakke stem, of wy zyn beiden lyveloos, want het is geen rein spel in deeze Moolen. “Nooit zullen de Schelmze Boeren my verwyten, dat ik het Molenzeil streek voor een gewaant Spook; antwoorde hem Campo op een fieren toon, gevolglyk zal ik alhier post houden tot de komst des bloozen den dageraats”. Den ander had niet veel zin in dat besluit; doch overheert moet lyden. Daagsch daar aan vertrok dat gespan Avanturiers na het Woud, om aan den verlangenden Predikant verslag te doen van dien togt.

Spoken bestaan niet
Jakob Campo Weyerman deet een beknopt verhaal van zyn wedervaaren aan de Heer Sandvoort, onderwyl dat zyn Spitsgenoot, dien hy alvoorens had gesleept na het huis van zyn Oom by wien hy was gehuisvest, lei te worstelen met een wakkere koorts. Den Predikant scheen eenigzins ontstelt op het hooren van dat relaas, en was mogelyk bedacht om een Argument te vormen uit dat geval tegens Balthazar Bekker, toen zyn Leerling hem uit dien droom redde met deeze woorden.

“Dit geval vervat niets boven natuurlyks, om deeze vermoedelyke gissingen. Ik geloof dat dees of geene Boer toelegt om aldaar Molenaar te worden, en uit dien hoofde den rol speelt van een Boldergeest. Den verloopen Bedienaar van die Molen, en zyn Wyf werden geslaagen en genepen buitens deurs, en in het duister, zonder den Persoon te zien die zulks verricht, ook schynt het een paar bloode menschen. Nu is myn gevoelen, dat dien eigen Snoeshaan, die al dat spel maakt, zich op den voorleeden nacht heeft verstout om ons te vernestelen, en zich ten dien einde met een beddelaken vermomt, misschien dat hy dacht het geen werk te zullen zyn, om een paar Dorpsstudenten te doen verkassen, met de knyf in de vuist. Maar zich ziende bedroogen in zyn meening, heeft hy zich bedient van myn val, en is langs het zoldervenster ontsnapt. Ook schynt my zulks te meer waarschynlyk, dewyl ik verhaaste stappen heb gehoort, en namaals het venster open gevonden”.

Test: bestaan spoken?
Den Predikant viel over in het gevoelen van zyn Leerling, dien hy vroeg, of hy noch wel een tweeden nagt wilde overbrengen in dien Molen. Waar op den ander antwoorde van ja, en den Dominé zei, hem te zullen, verzellen in stee van zyn kranken Medemaat. Ook gingen zy derwaards, op den helderen dag; doorzogten den Molen naauwkeuriglyk; slooten daar op het zoldervenster en de deur; bleven opzitten tot den dageraat; en vertrokken zonder iets te hebben gehoort of gezien, dat na eenig Spook geleek.

Vyf of zes dagen daar na, vernachte Weyerman in die Molen voor de derdemaal, vergezelschapt met den Zoon van den Predikant van Schipluy, en met Meester Pols den Chirurgyn van dat Dorp, zonder het minste Spook te verneemen. Korts daar op wiert een oolyke Beksnyder begiftigt met dien Molen, het welk het vermoeden vermeerderde, dat die baaijevanger al dat spel had bestooken.

Volleerd bloemschilder
Dewyl ons papiere tafereel min is opgespannen voor een relaas van Letteroeffeningen, als wel tot Konstverhaalen, zal ik onzen Konstschilder niet verzellen op de Hoogeschoolen tot Utrecht, niettegenstaande hy zich aldaar heeft bevestigt in den Godsdienst, in de Geneeskunde, in de Taalen, en in meer andere loflyke Studien behoorende tot de goede letteren. Den Leezer genoege zich te weeten, dat hy de Schilderkonst van Bloemen, Fruiten, Dieren, Vogels, en kruipende Diertjes, genoegzaam leerde zonder onderwys; want alhoewel hy eenigen tyd schilderde onder het opzigt van Simon Hardimé, vermag hy te zeggen, dat het leeven zyn Konst meer heeft bevoordeelt, als wel deszelfs lessen.

Naar Engeland

Op het jaar duizent zeven hondert en negen stak Jacob Campo Weyerman over na Londen, alwaar hy zich eenige tyd heeft onthouden. In die Hoofdstad van Engeland schilderde hy veele groote stukken, in den beginne, en in het vervolg kleine Kabinetstukken, welke Konsttafereelen noch werden gevonden in de Paleizen van Lords, en in de Huizen van voornaame Koopluiden. Onder meer andere konststukken, vercierde hy twee tamelyk groote Spiegels met Bloemen, Fruiten en Vlindertjes, voor Anna Stuart, Koninginne van Groot Brittanje, ter waarde van twee duizend vier Honderd Guldens. Dat paar Konstspiegels wierd ten Hove gehaalt op een staatelyke wyze, verzelt by den Konstenaar, die zich verbeelde een Afgezant te zyn by die gelegentheid, om, aan Haare Majesteit van Groot Brittanje de geschenken aan te bieden van zyn Moogendheid. Die Spiegels aanbood hy in Persoon aan de Koningin, welke genadiglyk wierden aanvaart, hooglyk gepreezen by die Prinses, en den Konstenaar genoot zyn betaaling in tyd en wylen.

Vermogende wanbetalers
Hier ter stee zal den Schryver van deeze Bladen, de Konstschilders een voorschrift neêrstellen, op wat wyze zy zich zullen hebben te gedragen omtrent wanbetaalende Grooten, tot het erlangen van de verschuldigde kontanten wegens geleverde Konstschilderyen.

Jakob Campo Weyerman had op een tyd twee kabinetstukken geschildert voor den Hartog van ***, een Lord al ommers zo berucht wegens een prompte Wanbetaaling, als vermaart door zyn groote geest, dapperheid, zachtmoedigheid, en andere Adelyke hoedanigheden. Hy stelde die stukken in handen van een Kruyer om dezelve te draagen tot aan het Paleis van dien Hartog, en verzelde die in Persoon. Gevalliglyk ontmoete hy den Heer Peters by den weg, een Konstschilder en zyn boezem vrient, die hem vroeg, werwaards die tafereelen wierden gevoert. Zo dra was den naam des Hartogs niet genoemt, of den Goedeman sloeg de handen in malkaar en schreeuwde luidkeels in zyn Antwerps axtent “bai God, Campo, jeerste liever in het woter, dan zeide noch woorze blaiven, want dyen Hartog betoolt Vrienden noch vaianden”. Campo zei hem stemmiglyk, dat den kloot eens zynde uitgeschooten den schieter zich behoort te getroosten aan een linksche of rechtsche kans.

Dat paar stukken wiert overgegeeven aan een gespan lakeyen, en gebragt in de slaapkamer des Hartogs, onderwyl den ongeduurige Konstschilder na den uytslag stont te wachten met een pynlyk hart, ten laatste kwam ‘er een volgdienaar, die hem zachtjes inluysterde, dat Milord Duke ten hoogste scheen voldaan over de Schilderyen en hem eerstdaagsch de behoorlyke betaaling zou bezorgen. Dat was gezegt dat de betaaling zou geschieden in het onbekent Zuydlant, doch dat die luchtstreekt alvoorens moest werden ontdekt. Op dat bescheid stak den Konstenaar de Hand in de beurs en schonk dien lakey een Engelsche halve kroon zynde een Daalder van onze Munt, met verzoek, dat hy den Kamer dienaar wilde Boodschappen hoe den Schilder ernstiglyk verzogt om den Hartog te moogen opwachten voor een oogenblik. Den Kaamerdienaar die gemeenzaamlyk was bekent met Campo, voldeet aan dat verzoek, waar na hem wierd gelast van in ’s Hertogs slaapvertrek te komen.

“Milord Duke”, sprak den Bloemschilder, na den Hertog beleefdelyk te hebben Goemorgen gewenscht, “het is my leed dat uw Genade zo veel haast heeft gemaakt met dat paar Kabinetstukken het geen my heeft verhindert van ‘er noch een zeker iets by te voegen dat ‘er aan ontbreekt”. Maar dat spel wiert gestuit: Den Hoofsche struys stoof niet af op die qualsterbyen; en zeer zelden werden oude Vogels verschalkt langs boekwyte doppen. Den Hertog antwoorde, te zyn vergenoegt met die Konststukken en gevolglyk zouden die verblyven in statu quo. Den Konstschilder hield voet by stek, al hoewel hy had gemist in dien eersten scheut, alzo hem was bekent, dat Batavia niet is te bezeilen met een enkelt ty, maar de vaart meermaal moet werden hervat, voor men den hoek van de Kaap kan te bovenkomen. Hy spande derhalven een ander web op het getouw zyns geests, en vroeg aan Milord Duke, ofhet hem vry stont een vry woord te moogen spreeken. Dit verzoek zynde begenadigt met een fiat begon hy al voorens te meesmuylen en vervolgens te spreeken.

Campo doorziet de trucs van de wanbetaler
“Milord Duke”, sprak hy, “het leeven eens Konstschilders is onderhevig aan noch meerder beurt verwisselingen, als alle Nasos gestalts verwisselingen, heden is hy zo vry en bly als een klimmende leeuwerk; en morgen zo bedroeft en oversnoeft als een Germaansche Baron, die uit de Kolveniers Doelen werd overgevoert na de Stadhuysgyzeling; ook ben ik noch meer beducht voor dat laatste lot, als ooit sint dunstans duivel schrikte voor den wywaters bak. Althans is myn woonplaats gebloqueert by een heir van schuldeyschers, een vee zo onverbiddelyk als het noodlot, by aldien nu den muytenden troep niet wert verzoent door de tusschenkomst van eenige Guinees, zal ik werden geleid van Duinkerken ten Haaring uyt het Strand na [* Twee civile Gevangenissen in Londen] Ludgate ofte na de Fleet”. den Hartog meesmuilde een poos, en zey vervolgens, dat hy een vertoog moest Koopen over de zuynigheit, en die redenvoering bestudeeren by dag en by nacht. “wie niets heeft om te bespaaren Milord, belyd de zuynigheit vruchteloos, weersprak den vrolyke Konstschilder, ten welken eynde myn winst in vieren wert verdeelt. Een gedeelte is bestemt voor myne tafel en kleedy, het tweede geschikt tot een onthaal der britsche juffers; en het overige gedeelte wert versmolten in het schouwburg, [*Merriman, den bevoorrechte Teerlingmaaker in Londen.] Merrimans teerlingen, en de Fransche speelkaart met een woord, ik volg de levenswyze van een volmaakt Britsch Edelman”.

Met een kwinkslag de wanbetaler afgebluft
Den Hartog viel hartiglyk te lagchen over dat partaadgie traktaat, en zei vervolgens in die vrolyke luim tegens zyn Kamerdienaar, “George zegt tegens den Sekretaris dat hy Mr. Campo betaale zonder eenig uitstel, alzo deszelfs Britsche levenswyze geen borg kan veelen”.

Langs die quinkslag bekwam den Schilder zyn betaaling; doch of juist de Schuldeisschers uit die kontanten wierden betaalt, konnen wy den Leezer niet toezeggen.

De verlokkingen van Britse wijnhuizen
Niettegenstaande die Britsche levenswyze, omarmde onze Konstschilder korts daarna de hervorming van zeden, en hy waare waarschynlyk gelukkig geweest, indien hy daar in had blyven volharden. Hy was die hervorming verschuldigt aan zyn vyanden, welke quanten op alle hoeken en markten onophoudelyk bazuinden, dat hy dat handje nooit zou uithouden; te meer, dewyl hy een douzyn uuren zat te drinken in een Wynhuis, tegens een uur dat hy zyn konst behartigde in het schildervertrek. In den beginne stoorde hy zich grootelyks over die aanmerkingen, zo strydende tegens zyn geneigdheden; en hy bediende zich by wylen van degen en stok om dat gebas te sussen; doch te vergeefs. Eindelyk begon hy te redenkavelen, en hy ondervont, dat een man van verstant de schimp eens vyands kan verbeteren tot zyn byzonder nut; als by voorbeelt.

Den bedreeven Geneesheer pikt somtyds een voortreffelyk tegengift uit de schadelykste Plantgewassen, tot heeling veeler quaalen. De doornstruiken, alhoewel steekelig en onhandelbaar, echter in een heining gestooken, wert daar door het tamgedierte verhindert van uit te spatten ingevaaren. Op die wyze, of wel een vyant in het geheel onaangenaam is aan de menschelykheit, echter vermag hy te werden hervormt in een heilzaamen Mithridaat by een oplettent Man; en als dan verstrekt hy tot een wocht op onze bedryven, om niet te verdwaalen buiten het bestek der bescheidenheit.

’s Menschen leeven is benodigt, ofte om getrouwe vrienden, ofte om gestrenge vyanden; en veeltyds overkomt ons meer heil langs onze vermoede vyanden, als by onze waare vrienden. Want daar een vrient veeltyds gemeene zwakheden over ’t hoofd ziet, en uit achting, oogluiking, bloedverwantschap, ofte eigenbaat, ons op den tuil houd met zyde woorden, gedraagt zich een vyant gantsch verschilliglyk. Een vyant grypt na ieder dwaaling, en werpt zich op tot een bespieder van alle onze bedryven, waar langs wy als by een dwingelant werden omheint met het paalwerk van deugd en voorzichtigheit, en indien wy komen te spatten buiten derzelver omtrek, jaagt zyn geesselroe ons ylings in den cirkel der bescheidenheit. Een vyant verstrekt aan den zot een blaasbalk van gramschap, maar is aan den wysgeer een Schoolmeester der deugden.

Wy konnen werden bedroogen by onze vrienden, en wy konnen ons zelven bedriegen. Maar geen vyant kan trouwloos zyn ofte ons om den tuin leiden. Die Quant is ons al te bekent om hem te vertrouwen. Wy beschouwen dien vyandelyke Ulis op een zekere tusschenwydte, buiten het bereik van ons den ring des bedrogs konnen booren door de neus, en in die gestalte herom te voeren, als een danssende Beer: zo dat indien een vrient al eens meer behaagt, een vyant zal ons meerder bevoordeelen.

Een ijverig schilder
Deeze en diergelyke zeedekundige betrachtingen, wierden eerst bevat by de beschouwende kennis, en vervolgens in ’t werk gestelt by onzen Konstenaar. Hy vermyde alle gezelschappen zorgvuldiglyk. Hy schilderde naarstiglyk. Hy hervormde zyn keuken en kleerkamer zuiniglyk. En hy overwon een goudbeurs binnen ’t jaar.

Eensklaps bekroop hem de reislust om geheel Engelant te gaan bezichtigen, ten welken einde hy een te gelyk schoon en sterk paard kogt, bequaam om zyn persoon te draagen, benevens een valies, voorzien met een betaamelyk kleed, lynwaat, en andere toebehoortens. Die speelreis duurde een geheel jaar, een van de aangenaamste jaaren zyns leevens, te meer dewyl hem niets links bejeegende, en zyn taalkunde, geletterdheit, en welleevendheit, hem den ingang gaaven by alle geleerde en konstlievende mannen. Ik vermag den Leezer geen uitgestrekte beschryving, ja zelfs geen schets ter neer te stellen, betreffende veele zeldzaamheden by hem gezien geduurende die karavane, uit hoofde van ons beknopt bestek. Ik zal dan maar zeggen ter loops, dat zyn goudbeurs ebde met der tyd; dat hy vervolgens zyn paard in de zak stak; en toen zyn reis vervorderde, somtyds op wagens, en by wylen op zyn eigen hoeven.

Op weg naar Bath
Op een zeekere ochtenstond besloot hy te verreizen na het Bath, een klein Steedje, niet min befaamt als Aken wegens deszelfs heelzaame wateren. Den wandelende Konstschilder vervolgde zyn reis in de grootste gerustheit des waerelds, zo dewyl hy den weg derwaards had opgestelt met de potlootspen, als om dat een geldeloos Reiziger zich niet bekommert met eenige gevaaren. Hy heeft meermaals verhaalt, dat, zynde een liefhebber van gelykenissen, hy alle de bouwvallige voorwerpen, zo van huizen als van dorre boomen, vergeleek by zyn uitgeteerde goudbeurs, gevictualieert met het oneven, dat echter het drietal niet kon uitmaaken.

Na vyf ofte zes Engelsche mylen te hebben afgelegt, zag hy een groote Diergaarde leggen aan de rechterhand, en alzo de poort openstont, trat hy ‘er in, begeleid door zyn goed gestarnt. Hy spansseerde ontrent een uur in dat park, toen hy een klein Kasteel zag leggen aan de rechterhand, alwaar hy aanschelde om den weg nader te vragen, dog de hofpoort was en bleef geslooten. Hy vervolgde dan zyn weg lynrecht, en zag een heerlyk Kasteel opdagen korts daar aan, en op die noordstar richte hy zyn koers. Langs een grooten boog kwam hy op het plein van het Kasteel, en zag een verheeven puy, waarop eenige Heeren stonden waar onder een uitmunte boven alle de anderen, zo door zyn ryzige ligchaams gestalte, als door de Ridderorde des Koussebands; en vlak voor die puy stont een Koets bespannen met zes Izabelkoleurde Paarden.

Den Konstschilder groete die Heeren in ’t voorbygaan met een grootsche zwier, en wiert hergroet, alzo hy noch rykelyk was genopt, niet tegenstaande het verval van zyn beurs. Hy nam zyn weg langs een tweden boog van dat plein, en belande aan een klein Dorp, alwaar hy in een Herberg trat om zich te vervarsschen. Maar pas zynde gezeeten, trat ‘er een Lakei in zyn vertrek, die hem vroeg uit den naam van den Hartog van B ***, wie hy was, en werwaards hy zyn reis had geschikt? Het antwoort was, dat wanneer hy de eere mogt hebben van zyn Genade op te wachten, die dubbelde vraag als dan zou werden opgelost.

De deugd wordt beloond
Een moment daar op keerde den Lakei te rug, en verzogt den Konstenaar, van te willen komen byden Hartog op het Plein. Reeds was die Lord Duke in de Koets gestapt, weshalve den Schilder het Portael naderde, en die gedaane vraag oploste met dit kort bescheid. “Milord Duke, ik ben een Konstschilder by beroep, en wel een der voornaamste in Groot Brittanje: doch werwaards ik gaa, is my als noch onbekent; ik taal na de Fortuin, en den Hemel gaave dat ik dezelve mogt ontmoeten aan uw Hof”.

Dit bescheid beviel den Hartog zo wel, dat hy zyn Opperhofmeester deet komen aan de Koets, en hem beval dien Heer een kamer aan te wyzen, en plaats te geven aan de tafel van de Edellieden, benevens een knegt tot zyn dienst.

Aan dat Hof hield hy zich een geruime tyd op, en indien zyn wispeltuurige inborst hem niet had de weelde wars gemaakt, waare hy waarschynlyk aldaar voor altoos gebleeven.
Uit die schielyke gestaltverwisseling van een te voet wandelent Konstenaar, in een te paard rydent Hoveling, blykt oogschynelyk en handtastelyk het vermogen van de Fortuin. Ik zeg derhalve, dat de Lukgodes vele rampen en feilen verhelpt in den Mensch, onherstelbaar by het oordeel en de reden.

Alles verpatst
De Mensch behoorde zich te gedraagen met zyn Fortuin, gelyk als met zyn gezondheit; die te genieten wanneer ze goed is; geduldiglyk te verdragen wanneer ze quaad is; en zich nooit te bedienen van wanhopende middelen, dan by wanhopende gelegendheden. Jacob Campo Weyerman zei dan het Hof van den Hartog vaar wel, en vertrok na het Bath, alwaar hy alles verloor in eene nacht, wat hy overgewonnen en bespaart had geduurende tien ofte twaalf maanden. Daar op verliet hy die heilzame wateren, om te zien of hy de krankte van zyn Beurs kon herstellen te Bristol, en het geene hem was gevrybuit by de Speelkaart, te herwinnen door het konstpenseel. Ook ontmoete hy in die beroemde Zeestad geen klein getal konstlievenden, welke zyn Persoon en konst ontfingen met opene armen. Onder veele andere tafereelen schilderde hy aldaar voor een Kommissaris van de Koninginne Anna vier konststukken, welke t’ zedert zyn verzonden na Londen. Noch een groot stuk gestoffeert met allerhande wilt, levensgroote, voor een schatryk Land-Edelman, op wiens Lusthuis, of liever Paleis wegens deszelfs heerlyk gesticht, hy zich somtyds weeken en maanden ging verlustigen met de jagt, visschery, en kontrydanssen.

Jammerstuk over Bristol
Onderwyl dat hy zich onthield in Bristol, speelde een voornaam Koopman die Treurrol met zyn leven, waar ons de nieuwstydingen zo veele voorbeelden jaarlyks van geven. Ik zal den Leezer dat jammerstuk mede deelen, tot een bewys hoe schielyk een Engelsman overhelt tot het bedryf van een onherstelbaare euveldaad, als wanneer hem de zwarte gal komt te overylen.

Tegens het aangaan van de Bristolsche Kermis, draaide hy een zyner Flesvrienden op ’t steven, een welgegoed en welgelooft Koopman, die zyn aanspraak poogde te ontglippen. Den Man was verbleekt en vervallen, t’ zedert den tyd van drie dagen, waarin hy hem niet had gezien, ook bemerkte den Schilder uit zyn woorden, dat een doodelyke droefgeestigheit hem geheelyk had bezeeten. Hy vroeg hem na de oorzaak van die schielyke verandering; waar op den Koopman hem zei, dat hy tegens de Kermis eenige Rekeningen van belang moest betaalen, aan zyn Schuldeisschers, maar de diepte van die Sommen niet kon opzeilen in zyn kas. Hy deet ‘er toe, dat hy vry meer, dan die Rekeningen bedroegen, had in te vorderen, maar dat zyn Schuldenaars hem betaalden in slakken munt. Den Konstschilder raade hem van het geene hem ontbrak op te zoeken in de beurzen zyner vrienden, zynde zyn krediet zo goed als de Londensche Bank. Den Koopman weder antwoorde, dat hy zulks vruchteloos had beproeft, dewyl zuchten noch betuigingen, vermogende waaren de porfiersteene gemoederen te kneden der Bristolsche Handelaars, onderwyl dat de sterkste sloten hunner yzere geldkisten openstoven langs de lonken van een beschilderde Toneelpagadet. “Ja wel myn lieve Flesgenoot,” sprak den vrolyke Konstenaar, “dan moet gy u werpen tusschen de armen van den tyd, en gedenken, dat alle waereldsche zaaken, zo schielyk vloeien als zy ebben. Veeleer zal ik my smakken tusschen de yskoude bouten des doods, weecsprak den wanhopende Brit, als het naaste middel tot vernietiging van myn smart, en het beginzel van myn rust”.

Dronkemanspraat
Den Konstschilder al ommers zo bedreven in Zeedekunde, als Euklides in de Wiskunde, verzogt dien Koopman ernstiglyk, van een enkelt gespan drielingsflessen met hem te willen ontkurken in de Valk, by welke gelegendheit hy hem een kort Sermoen zou geeven over den tyd des doods. Dat verzoek zynde ingewilligt, spansseerden zy na dat Wynhuis; vorderden het vertrek van de Roos; dronken de eerste fles leeg staansvoets; proefden de tweede, beide om de aandacht te scherpen des aanhoorders, en de stem te verklaaren des spreekers; waar na Campo zyn aanspraak ontgon op dezen trant.

“Niets is meer vervalscht, niets meer bedrieglyk, als de verachting des doods. Ik zeg, die verachting voorgewend by de Heidenen uit de natuurlyke reden en standvastigheit, zonder de hoop op een beter leeven. Groot is het verschil tusschen te Sterven met snorkery en met opzet, en tusschen de verachting des Doods. Het eerste is veelvoudig, maar het tweede  nooit wezendlyk noch oprecht; en echter hebben de Wysgeeren Hemel en Aarde bewogen op dat onderwerp, om den Mensch te overreden dat ‘er geen quaad is vervat in de Dood; en min aanmerkelyke Mannen, zo wel als Helden, hebben ons veele uitmuntende Voorbeelden verzorgt tot bekrachtiging van dat gevoelen”.

“Niettemin trek ik in twyfel of ooit eenig nadenkent Mensch zulks stemde? Ja wat meer is, de moeite welke zy namen om anderen en hen zelven te overtuigen, betoont duidelyk, dat ‘er niets zo ongemaklyk was als een onderneming van die Natuur. Den Mensch vermag reden te hebben tegens de begeerte om langer te leven, maar heeft nooit eene dringreden tot de verachting des Doods. Zelfs die geenen, welke geweldige handen hebben gelegt op henzelven, beschouwden nooit dat bedryf als een onaanmerkelyke zaak, maar eisden daar tegens, en verschooven het meermaals voor zy bestendig waren in dat besluit”.

“De ongelykheid van moed, zo aanmerkelyk in een byster groot getal van Menschen, is alleenlyk gegrond op den verscheiden indruk des Doods, die kragtiger werkt op hun verbeelding, by zommige geleegentheden, als wel op andere tyden. Daar zy het veeltyds vrezen, na ‘er nader kennis mede te hebben gemaakt. Indien den Mensch ontzegt zich zelven te willen overtuigen, dat de Dood niet is het grootste aller quaden, behoort hy dat Spook niet te zien in het aangezigt, noch alle deszelfs verschrikkelyke omstandigheden te overwegen. De wyste en de stoutste Mannen, bedienen zich van de glimpigste en eerlykste voorwendzels, om het hoofd af te wenden van die Vorst der verschrikkingen. Een iegelyk, die innerlyk is bekend met de Dood, bevind het te zyn een vervaarlyk Voorwerp. De standvastigheid der Wysgeeren, was niet anders als de noodzakelykheid van het Sterven; zy dachten wanneer ‘er geen hulpmiddel op was om dien dans te ontspringen, zulks moest geschieden bevalliglyk. Als ook, dewyl zy buiten staat waren eeuwiglyk te konnen leven, wilden zy niets nalaten tot het verëeuwigen hunner namen”.

“Maar laat ons de zaak eens beschouwen langs den gladsten kant, laten wy ons vergenoegen met niet alles te zeggen wat wy denken, en meer verhoopen van een gelukkige vaststelling, als alle de zwakke redeneeringen, welke ons verschalken, dat wy de Dood konnen naderen zonder de geringste aandoening des Gemoeds. De glorie van treffelyk te Sterven, de hoop van te werden bejammert na wy zyn verscheiden, de begeerten van een goeden naam na te laten, de verzekering van te zullen zyn vrygestelt uit de elenden van het tegenwoordig Leven, en van niet langer af te hangen van een wispeltuurige en eigenzinnige Fortuin, zyn hulpmiddelen die niet geheel te verwerpen zyn. Doch zy baten niets meer om ons een hart onder den riem te steken, als een slegte Heg in een gevecht den moed der Soldaten versterkt in het optrekken tegens den Vyand, die Vuurgeeft; het schynt een goede schuilplaats op een tusschenwydte, maar een schraale beschutting van naby beschouwt. Te vergeefs vleit zich den Mensch, dat de Dood het zelve zal zyn van naby, als hy zich verbeelt van verre; en dat zyn redeneeringen, innerlyk de zwakheid zelve, zo hard van aardt zullen zyn om proef te houden, en niet te buigen voor het gestrengste aller beproevingen. Daar en boven betoont het, dat wy maar luttel zyn bekend met de eigen Liefde, als wy ons verbeelden, dat die ons zal van eenig nut zyn omtrent het staaren op dat ding als een kleinigheid, het welk onvermydelyk deszelfs ondergang moet veroorzaken; en de reden, waarvan wy zo veele onderstanden verwachten, is dan te zwak om ons te overreeden omtrent de waarheid van geene wy wenschen”.

“Ja, myn dierbaare Vriend! zelfs de reden verraad ons gemeenlyk by deze gelegentheid, en in stee van ons aan te moedigen tot een verachting des Doods, geeft zy ons een meer levendige vertooning van deszelfs verschrikkingen en yslykheid. Alles wat zy kan doen ten onzen behoeve, is alleenlyk onze hoofden te wenden na een andere kant, en onze gedachten en oogen te hechten op andere voorwerpen. Kato en Brutus verkozen Adelyke voorwerpen”.

“Doch alhoewel de voorwerpen Adelyk ofte Onädelyk zyn, echter strekt dat alles tot geen verschooning aan de Zelf-moord, de vervloekste en verfoeilykste aller Zonden, als dewelke in een ogenblik het Beeld Gods verbreekt, en de onschatbaare Ziel godlooslyk overgeeft tusschen de klauwen des Duivels”.

Zelfmoord van de koopman
De vertwyfelde Koopman verzuchte hartiglyk over dat welmeenend vertoog, en betuigde aan den Konstschilder van niets te zullen ondernemen tegen zyn Leven. Op die verzekering omarmde Campo hem tederlyk; ontgon een vrolyk diskoers; en bleef met hem zitten praaten tot twaalf uuren in den nacht. Maar, helaas! als den Duivel van wanhoop eens heeft post gevat in een vergalde Ziel tot vertwyfeling, valt het al immers zo moeilyk hem te verbannen, als de vastgewortelde Broederschap van Lojola’s Societeit. Des Ochtends vroeg wierd dien Koopman gevonden in een Veld buiten Bristol, waar hy zig zelven had door den kop geschooten met een Pistool, en wierd noch op dien eigen avond begraven.

Studie geneeskunde in Oxford


Om ons nu niet te verwyderen van onzen ongestadigen Konstschilder, gelieve den Lezer te weten, dat hy Bristol verliet, en vertrok naar Oxford, een der vermaardste Hoogeschoolen van Groot-Brittanje. Adaar Studeerde hy vlytiglyk in de Geneeskunde, voornemens om vervolgens die Praktyk op te zetten, Eskulaap ter eere, en Sint Lukas tot spyt. Vooral benaarstigde hy de Ontleed- en Kruidkunde, te meer, dewyl zeker Hoogleeraar in de Medecyne, van zyn kennis, zich maar alleenlyk bediende van Kruiden, Olie van Olyven, en gebraade Appelen, en echter zyn Koets hield op die groene Praktyk. Hy bekreunde zich ook luttel aan de voorschriften der Geneesheeren, alzo de ervarendheid hem meermaals had aangetoont, dat het gros der Doktooren hun Recipes schryven zonder de minste voor- of nagedachten. Daar in gelyk aan een beroemd Apotheeker, die, als ‘er deze ofte geene Lyders eenige Geneesmiddelen verzogten voor hunne Kranktens, een hoed vol Voorschriften, by verstandige Geneesmeesters opgestelt, omhutselde, en dan een Briefje beval te trekken, met deze welmeenende wensch, “den Hemel geeve U geluk!”.

Schilderen in York
Maar deze Studie bleef weer in het gebroken steken; en hy verrysde naar York, een Stad voorzien van achten-twintig zo Kerken als Kapellen, en de Hoofdstad van het Hartogdom van dien Naam. Echter troonde hem dat getal der Bedeplaatsen min derwaards, als wel het nieuw Gebouw van den Graaf van Carlile, een van de schoonste Paleizen van Engeland. Hy bood zyn Penseel aan by dien Graaf, en wierd aanstonds aanvaart, te meer, alzo hy Milord een Kabinetstuk liet zien, het laatste dat hy had geschildert tot Oxfort. Voor dien Milord schilderde hy vyf groote Bloem- en Fruitstukken, waar van het grootste noch staat voor een Schoorsteen in de Eetzaal van dat Paleis. Daar en boven Penseelde hy eenige Kabinetstukken, als ook zommige Gediertens, zo Vogels als viervoetige Dieren, alle welke Tafereelen rykelyk wierden betaalt.

Een jachtpartij op Castle Howard
Hier vorens is gezegt ter loops, dat Jacob Campo Weyerman was een Liefhebber van de Jagt, en nu zullen wy ‘er een klein geval toe doen, hem toen ter tyd bejegent, van inhoud als volgt.

Naby het vorens gemelt Paleis, Howard Castle genaamt, stont een groote Berg, beplant met Beukebomen, zo hoog als Ceders, en bevolkt met duizende Eekhoorntjes van allerhande koleur. Op een tyd dat hy wederkeerde van de Jagt, passeerde hy over dien Berg, en zag by het schynsel van de Maan een Dier zitten loeren tusschen de takken van een Beukeboom. Fluks sloeg hy de Snaphaan aan de kop, en gaf vuur, waar op dat Dier van boven neer tuimelde, verminkt aan den achterste poot. Maar hy had zyn prooi wel getroffen, doch niet verwonnen. Dat Beest schoot den Jaager toe op zyn beurt, scheurde hem een lok uit de paruik, en verscheide lappen uit zyn kleed, hoe zeer hy zich ook verdedigde met de kolf van zyn vuurroer. Ook stont dat twee gevegt vry hachgelyk, toen hy dat Dier zulk een hartigen knip gaf dat het bleef leggen, waar op hy het eenige steeken gaf met zyn hartvanger. Den Graaf van Carlile stont by geval voor de hofpoort van zyn Kasteel, en vroeg den Schilder na zyn vangst. Hy toonde dat Dier aan Milord, die het zo dra niet had gezien van naby, of hy schreeuwde, “Damme! Meester Campo, gy hebt veel gewaagt, want zulk een Beest is in staat om den stoutsten Man van Engelant den hals te breeken; het is een Wilde Boschkat”!

t’ Zedert heeft onze Schilder de weerga gezien van dien Britschen Tyger, in den Tour van Londen, zo fel in zyn soort als een Leeuw, en meer dan eens zo groot als een Kater, van het grootste zoort.

Van Londen naar Constantinopel
Mr. Campo verliet Jorkshire, en zakte weer af na Londen; kreeg aldaar de poppen in ’t hoofd; en besloot een togt te doen na Konstantinopelen. Hy scheepte zich in ten dien einde in een Vaartuig, genaamt de Jakoba Galey, wiens koers was gericht op Livorno. Nevens vier Engelsche Heeren, betaalde hy tien Guinées voor zyn Passaadgie, waar voor hy had zyn Transport, de Tafel van den Kapitein, en twee drielings flessen Gravesche Wyn, daagsch, benevens Punch, Tabak, en zo voorts.

Die Reis was vermakelyk in alle deelen, zo wegens het goed gezelschap van die Heeren, welke zich in ’t byzonder rykelyk hadden gevictualiseert met Bourgonje Wyn, Kanarisek en Versnaperingen, als ten opzigte van gewenschte Winden. Zy belanden te Livorno, zo vrolyk als krekels, en namen hun optrek by een Fransche Kastelein, voor onzen Konstschilder ter quaader uure. Een Bende van Fransche Chevaliers d’Industrie, een Karavane die herom zwerfde op den dagelykschen tuissel van vervalschte teerlingen en overspeelige speelkaarten, klampten den onbezonnen Campo aan boort. Hy die Fransch sprak als een Papegaai, was met dat gezelschap vermaakt. Onderscheide flessen Italiaansche Wyn wierden opgesnapt voor het avondmaal, waarna hy met die Fransche Kavaliers, en zyn Engelsche Reisbroeders, ging aan tafel zitten, met een halve snor. Na het avondmaal betrokken de Engelsche Heeren hun nachtrust, maar hy die een vogel was zonder vaak bleef overzitten met zyn Fransch Gezelschap, waarlyk onder een rampspoedig gestarnt.

Een onschuldig kaartspelletje onderweg
Twee Franschen begonnen te Piketten, een Spel waar op onze Schilder al ommers zo zeer was verzot, als een Bengaalsche Aap graagt na een Spinnekop. Zy speelden quansuys om een halve Venetiaansche Dukaat, hondert uit, en dat was geen zaak. Hy bemerkte dat zy geen overvliegers waaren in dat Spel, dewyl hy de kaart bekeek aan weerkanten. Een van die Quanten, een Scherminkel, zo holgeoogt en zo ingevallen van kaken, als den geest van een vermoorden Koning in een Venetiaansch Treurspel, vroeg den Konstenaar, of hy lust had een half dozyn spellen te Piketten? en die vraag wiert getopt. Het begin was om een halve Dukaat het Spel, vervolgens om een heele Dukaat, toen om een Pistool, twee, drie, vier en meer; in ’t kort binnen het verloop van drie uuren was zyn goudbeurs een lyk. De Franschen welke rooken dat ‘er geen koren meer schuylde in Egipte, bloezen den aftogt, en lieten den geldeloozen Campo zitten in een maklyken achterover hellenden leuningstoel.

In die peinzende gestalte bleef hy zitten tot de komst van de saffraankoleurde Auroor, en in die zelve gestalte wiert hem by zyne eerlyke Engelsche Reisgenoten den goeden Morgen toegewenscht. Maar

Wie om geen Nacht te Bedde ging,
Hoeft ’s Morgens om geen Dag te ryzen.

Zong eertyds Huybert Kornelisz. Poot, den Dichter van Abtswoud, en aldus was ’t met onzen Schilder gestelt. Hy was en bleef gezeten, zonder die vriendelyke Morgengroet te beantwoorden met zyne gewoone beleefdheid. Eindelyk vroeg een van die Heeren, “Mr. Campo, zyt gy Krank?” “Neen, Myn Heer!” was zyn antwoord, maar ik heb van den Nacht geleerd hoe een Man te moede is, die een Veneetsche Dukaat moet ontleenen aan een Vriend, voor hy den Waard durft aanspreken om zyn Ontbyt!” Daar op verhaalde hy zyn links wedervaren, welk relaas by de Engelschen wierd verzelt met deze zegenwensch, “Dam the French rascals! Pox the French Doge!” De medelydende Britten deeden een Bokaal vol lekkere Eau de Barbade, genoegzaam het einde van de laatste medegebragte Kelderfles, binnen staan, waar uit hy zulk een lot trok, dat een Doove maklyk die Schel had hooren klinken, na een tweede trek.

Terug naar Londen
Die Heeren, welke rykelyk waren voorzien van Kontanten en Kredietbrieven, booden den Konstenaar hun Tafel en Vrygeley aan, indien hy hun wilde verzellen na Romen, Napels, Venetien, en meer andere Italiaansche Steden. Hy bedankte hun vriendelyk, en zei te zyn gezint van weder te keeren na Londen, met het eerste Schip derwaards bestemt. Ook voegde hy ‘er by, van noch in staat te zyn om de te rug Reis te konnen bekostigen uit zyn overgebleven Horlogie en Degen. Zyn edelmoedige Reisbroeders geen kans zienden hem te overreden drongen hem twintig Guinées op met kracht en gewelt, met deze byvoeging, dat hy die Voddery kon betalen, of niet betalen, na zyn welgevallen, aan den Bankier Mr. King, woonachtig in de Lombaardstraat te Londen.

Dat het Geld Moed maakt, bleek in onzen Schilder, die fluks een besluit nam om die Fransche web des bedrogs te ontspannen met den Degen in de Vuist. Ten dien einde deet hy den Schelmschen Kastelein boven komen, aan wien hy vroeg, of die Fransche Kanailles by der hand waren? Die Guit antwoorde stemmiglyk, dat zy al vroegtyds waren Verreist na Civita Vecchio, en niet wist of zy ooit zouden wederkomen. Uit dat bescheid merkten de Engelsche Heeren en onze Konstschilder, dat den Kastelein heulde met die Beurzesnyders, weshalve zy hem de rekening deden opmaken, en zich vertrokken in een Italiaansch Logement.

De grondgierige Godfried Kneller

Na een verblyf van drie weeken in die vermaarde Koopstad, scheepte zich Campo op nieuws in een Vaartuig op Londen, en belande aldaar zonder eenig ongeluk te ontmoeten op zyn te rugreis. Hy wiert langs zyn Konst bekent by den Ridder Godefried Kneller, waarlyk een groot Konterfytzelschilder; maar zo grondgierig te zelver tyd, dat hy duchte van de twee eindens van zyn Servet niet te zullen konnen vaststrikken op het einde van ’t Jaar. Een groot getal Konterfytzels geschildert by Kneller, Robinson, Kloosterman, en andere Konstschilders, stoffeerde hy met Bloemen, Fruiten, Oranjebomen, Vogels, Dieren, Heulplanten en diergelyke Cieraden, welke zo werden gezien geschraapt in Zwarte Konst. Insgelyks Schilderde hy verscheide Kamerstukken voor Milord Dover, een Heer toen ter tyd bejaart, en weleer een Galant van de overschone Hartogin van Kleefland, een der Hoofd-Sultaninnen van Karel den Twede, Koning van Grootbrittanje.

Oostende, Brugge, Gent, Brussel, Antwerpen, Breda, Amsterdam
In het hartje van zyn bezigheden kreeg hy op nieuws de Reislust in den Bol. Hy zei, dat de altoos vlietende Beeken heilzamer krachten hebben, als de stilstaande Poelen en Meeren. Nu scheen hy gezint een togt te ondernemen te land, zeggende, dat een Zeereiziger gelyk is aan den Prediker van Ninivé, die wel een groten weg spoede ter Zee, doch niets van belang hoorde noch zag, zynde besloten in den buik van een Visch.

Ingevolge van dat besluit, stak hy over van Londen op Ostende; voer met de Trekschuit op Brugge in Vlaanderen; zette zich in de Barge op Gent; en van daar op den Postwagen na Brussel. Zonder zich op te houden in die gemelde plaatsen, zo hevig was zyn zucht na Parys. Maar in stee van den Postwagen te neemen op Parys, vertrok hy met de Barge van Brussel op Antwerpen, en van daar met den Postwagen op Breda, van waar hy belande tot Amsterdam aan het Y, geldig, vrolyk, frisch en bly. Alhoewel nu de ondervinding den Konstschilder had geleert, dat het niet minder gevaarlyk is te logeeren in een Fransche Herberg, als het is te woonen te Konstantinopolen in het hevigste van de pest nam hy echter zyn optrek in een Gaskons logement. Maar alhoewel hy aldaar verscheide Fransche Spoke zag bolderen met de gekoleurde Speelkaarten en gemerkte Doodsbeenders, nam hy echter geen deel in derzelver verlies noch winst. Gelukkig waare die voorzigtigheit hem altoos bygebleven.

Naar de Duitse landen
In stee van het Konstpenseel op te vatten in die Waereldstad, gezegent met Konstlievenden en met Kontanten, kogt hy een Paard op een stel en sprong. Nu lei Duitschland by hem aan de beurt, en hy besloot zyn reis te nemen na Dusseldorp, en van daar op Keulen, vervolgens lynregt te trekken op Frankfoort door het Westerwalt. Het scheint dat den Reisgrage Campo Weyerman geen Driekoningen Paspoort had genomen te Keulen, welke Heilige Reisbriefjes zo onfeilbaar zyn tegens allerhande Reisgevaren, gelyk als de cedeltjes van Sinte Apollonia onfeilbaar zyn tegens alle verouderde Kies- of- Tandpynen.

Den Leezer gelieve alhier zyn aandacht te verleenen aan de navolgende Treurreis; nochtans met een vrolyke omschryvinge opgeheldert, om daar langs de leeslust op den tuil te houden.

Roofoverval bij Keulen
Op een Masteluine Ochtenstond, dat is, het Regende en de Zon scheen, genaamt Kermis in de Hel, vertrok hy uit Dusseldorp na Keulen. Nu was ‘er een Verdrag gemaakt tusschen Vrankryk en den Keurvorst van de Palts, dat ‘er geene Krystroepen van weerskanten den Ryn zouden passeeren: maar onze wufte Konstschilder scheen op zulks niet eens bedacht, ja zelfs had hy zich niet gewapent met een Pas, in Oorlogstyden de hoogste voorzorg eens Reizigers. Onderwege trof hy een Boer aan, en vroeg dien Kinkel na den naaste weg op Keulen. Die Guit antwoorde, dat hy zich moest doen overzetten aan den anderen kant van den Ryn, en dien raad wiert opgevolgt, verzelt door een links geluk.

Reeds zag Jakob Campo Weyerman de Toorenspitsen van die Heilige Stad opreizen, en hy smaakte zo hem dacht dacht by vervroeging den Honinger Bleikert, toen zyn Vreugdewyn onverziens verzuurde in Edik van verdriet. Hy verviel in het afryden van een holle weg, in handen van een Fransche Party, welke Snoeshaanen hem ylings de tromp van een overgehaalt Snaphaan op de borst stelden, en hem zo schielyk van zyn ros tilden, dat geen Dorpswaards zo ras een Tinnenpot kon hebben onthaakt van zyn Kannebort. Den Bevelhebber beval aanstonds den bodem te polsen van zyn Binnebeurs, waar uit het groen netje vol Goudvinken zynde geligt, en hem ter hand gestelt, keek hy wars af van die klucht. Geen Troep Fransche Kamerdienaars. alhoewel voor de handigste bekent in dat beroep, zouden binnen zulk een kort bestek geen Heer de Broek uittrekken, als den Konstschilder geheelyk wiert ontkleed, die zich bevont als in een ogenblik welgedost, en naakt. Den Partizan, die tot dus verre had door de vinger gezien, speelde toen voor Samaritaan, en beval dat men hem zou geven een Kamisool, een Broek, Koussen en Schoenen, benevens een Muts; van een Rok of Lynwaat wiert niet eens gerept. Het ongeluk wilde, dat de Eigenaars van zyn Meubilen kleine Krengen waren, zo dat het Kamisool hem pas reikte tot den broekband, en de Broek halverwege de deyen kwam; met de Koussen was het niet veel beter gestelt; maar de Schoenen waren tamelyk, en de Muts sloot hem om het Hooft als een Tulbant op een Gans.

Korts daar na vielen ‘er noch twee Arme Voerluiden in die knip, tot zyn geluk. Ik zeg tot zyn geluk, want den Partizan beval aan den langste, om zyn Kamisool en Broek te verruilen met den Konstenaar, en toen was hy iets beter gesnaart. Tegens het vallen van den nacht brak dat Heir op, waarschynlyk om het Winterquartier te te gaan betrekken; waar op den Gevangen besloot het te laten aflopen op een Duivelsdootje, gelyk als men zegt. Hy was geplaatst tusschen een paar Kaerels, dewelken hy verzogt van halte te houden voor een poos, tot verligtenis van de natuur. Die Quanten bewilligden dat verzoek; waar op Campo quansuis neerhukte, onderwyl dat zy eenige schreeden voortgingen, en die koten wierden gezogt. Fluks sprong den gevangen op, en zynde zo snel als een Achilles ter been, stoof hy voort als een rukwind, en ging veldwaards stryken. De Franschen sloegen ylings het Snaphaan aan den kop, en gaven vuur; doch ieder scheut is geen Endvogel, en mis was nooit raak.

Redding voor de verkleumde kunstenaar
Den ontsnapte Konstenaar liet onderwyl het gras niet wassen onder zyn hielen, die sprong over sloten en heggen, en snorde voort als een Parthische Schigt. Ten laatste wiert hy zo moede en mat, dat hy het niet langer kon op de been houden, des hy neder viel, en ongevoeliglyk in slaap geraakte, welke rust hem niet al te wel bekwam. Tegens den dageraat ontwaakte hy, doch zo verstyft wegens de koude, dat hy zich niet kon bewegen in den beginne, zynde zyn bloed meerderdeels gestolt in de aders. Allengs begon hy te kruipen op handen en voeten, tot bevordering van den omloop des bloeds. In ’t kort hy geraakte weer aan den gang, en zag Keulen vlak voor zich leggen, derwaards hy stapte met Reuzen schreden.

De Stads Poorten van Keulen waaren noch gesloten, weshalve hy verzogt aan den Schildwagt van een buiten Kortegaarde, om zich een luttel te verwarmen in dat Wachthuis, zynde het in ’t laatste van de Sprokkelmaand; welk request hem wiert ontzegt. Den Luitenant van de Wacht kwam voor den dag, en vroeg den halfverkleumden Konstschilder na zyn verlang? Den ander antwoorde, dat hy was een Fatzoenlyk Man, en hem zyn ongelukkig geval zou vertellen voor het vuur. Den Officier liet hem inkomen, aan wien hy met korte woorden verslag deet van zyn avontuur. Dees gaf hem daar op een glas met Keulsche Wagholder en een Pyp Tabak, waarna hy hem vroeg, wat hy dagt te doen in Keulen? Het bescheid was te schryven aan zyn Moeder om een Wissel, en zich onderwyl aangeven by een Schilder, om —- “Ach! waarde goeder Her”, viel hem den Luitenant in, “de Schilderkonst is by de Keulenaars een Witte Raaf: ook zyn onze Heeren Paapen, Kanonniken, Monnikken, min gestelt op Konsttafereelen, als op schuimende Bokaalen”. “My aangaande”, vervolgde hy, “ik zou u veeleer raden van recht streeks te gaan na Frankfort, wiens grote mis aanvangt in de aanstaande Maand, waar toe ik u zal byspringen na vermogen”. Daar op stak den goede Luitenant de hand in de zak, en gaf hem vyftig Batsen (ieder Bats maakt een Dubbeltje Hollandsch, schreef zyn Addres en Naam op een stukje papier; waar op den Konstenaar zyn afscheid nam van dien braven Man, na hem hartiglyk te hebben bedankt, om zich na Frankfoort te spoeden.

Tussenstop in Syburg
Te Syburg hield hy halte, en trat in een gemeene Herberg om zich te verversschen met een Glasbier. Den Waard vroeg hem werwaards hy dagt te gaan? Hy antwoorde na Frankfoort, en vroeg terzelver tyd aan dien Her Waard, of hy hem niet een Linnenkiel en een Mes kon byzetten, en was ’t doenlyk een paar oude Handschoenen? ? Den ander zei ja, vloog na binnen, en keerde te rug met het verzogte, waar na die goederen wierden bedongen en gekogt voor tien Batsen, uit welke Som den Leezer derzelver innerlyke waarde kan opmaken.

Avontuur met een troep toegetakelde huzaren
Indien opschik vervolgde den Schilder zyn Pelgrimasie, en verviel in een Troep Verminkte Hussaaren, verzelt met Wyven en Kinders te voet; en uitgezondert hunne Sabels ongewapent. Sommigen hompelden op Krukken; anderen waren een Arm geknogt; en de minst verzeerden hadden een Oog of een Wang laten hangen, op het scherp van een Fransche-kling. Gaarn had hy die Reisbroeders ontdoken, maar tot zulks was geen kans, te meer dewyl dat gespuis hem aanstonds omcingelde, staande hy in het midden te pryken gelyk als een Haagsche Meiboom, juist niet zo groen, maar wel zo onbeweeglyk. Den Bevelhebber van dat Arabiesch Rot, vroeg den min ofte meer ontzette Konstenaar, wat hy voor een Kaerel was, en werwaards hy dacht te gaan? Den gevraagde bediende zich van het voorrecht zyns Linnenkeels, en zy een Voerman te zyn, wiens Kar en Paard hem door de Franschen was ontrooft, en dat hy ging na Frankfoort, om zich aldaar te verhuuren voor knegt by iemant van zyn beroep. “Ha! das ist schade”, sprak den Hussaar, “Aber, dou miest gedoult haben in Deibels naam”.

Na dat troostelyk bescheid vervolgde die Karavane de reis, gaande in de voorhoede een Muzikant, die een Speeltuig deet grommen, getytelt een Poolschen Bok, zynde een soort van een Zakpyp, en zo aangenaam aan het gehoor, als een Brasiliehout raspende Zaag. Kort daar na detacheerden de Hussaaren het grootste gedeelte der Wyven vooraf, na alvorens die Hellevegen te hebben beduid in welk Dorp zy zouden overnachten.

Onze Konstschilder had ontrent anderhalve Duitsche Myl gemarcheert met dien verminkten Troep, toen zyn Reisgenoten halte hielden voor een houte Mirakelkapel, staande aan de rechterhand van den ryweg, naby een in de laagte gelegen Gehucht. In die Kapel hingen wassche Offerhanden van Armen, Beenen, Oogen, &c. benevens een zilvere Vrouwenborst, zo dun als een Schiedams-lovertje, en waardig een Bats, op het hoogste geschat. Fluks sloegen zy een kring, hielden Krygsraad, waar op een van die Guyten een stevige gard nam, waar langs hy dat Heiligdom poogde na zich te haalen, dwars door de traalien van dat Gebedegesticht. Die krygslist beviel maar matiglyk aan Campo, weshalve hy zich vervoegde aan den Opperste, dien hy bad en smeekte van zulks te willen beletten. Hy voegde ‘er by, dat een bedryf van dien aardt, was een Kerkschendery, en indien ‘er de Boeren daar omstreeks de lucht van kregen, zy eerst het pynlyk onderzoek van Stokken, Gaffels en Dorschvleugels zouden ondergaan, en vervolgens werden Gerabraakt, op zyn best Gehangen. Zo euvel geviel dien ongevraagden raad aan den Bevelhebber, dat hy sluks uitgilde, “halt mir den Voerman ein Vlegel van ’s leib”. Op het horen van dat Vervloekt Bevel, sprong den Schilder ruim zes voet achterwaards, nam zyn muts af, en zwoer plegtiglyk, van nooit in het toekomende de Heeren te zullen vergrimmen door ontydige Adviezen. Het zilver Boezemstukje wiert daar op van den spyker getilt, belonkt en geschat, waar na dat gespuis voortrok na de bestemde nachtrust.

Tegens den avondstond kwamen zy aan het bestemt Dorp, en traden in een Armoedige kroeg, alwaar de afgevaardigde Wyven reeds waaren aangekomen. Die Kanailles hadden een voorraad beschaart van stukken van Hespen, Metworsten, Zuurkool, Eyeren, Brood en zo voorts, minderdeels den Boer afgebeedelt, doch meerderdeels ontstolen. De Heeren Hussaaren vonden het Avondmaal kant en klaar op hun aanlanding, gingen zitten aan een langwerpigen disch, en aanvingen zo vreeslyk te malen met hun kiezen, dat ‘er geen oog op was te houden. Onderwyl stont onze Pelgrom te leunen op zyn Palsterstok, in een uitgehongerde gestalte aan het laager end van die tafel. Hy durfde geen spys noch drank vorderen van den Waard, beducht dat die Galgvogels, ziende dat hy geld had, het dieploot hunner gehaakte klaauwen mogten laten zinken tot op den bodem van zyn broekzakken. Ten laatste kreeg den Opperste hem in ’t vizier, en duuwde hem een stuk been in de hand, zo ontvleescht als het Ezels Kinnebakken von Sampson, en beet hem toe, “da Voerman, vrest dou das, that dich de smacht sla”. Het Avondmaal zynde ingeschokt, vielen zy aan het inzwelgen van Oud Bier en Wagcholder, en toen trat den Schilder eens na buiten.

Hy had maar eenige ogenblikken staan te kyken voor de deur van die Kastelenye, toen hy een Rytuig zag naderen, waar op een Heer zat, gevolgt by een tweede Kavalier te Paard, die een Snaphaan om den hals had hangen aan een leere riem. Dat paar Reizigers nam haar intrek in een nabuurig Hoekhuis, een tamelyke Herberg voor het Westerwalt. Hy volgde, en naderde de Berlyn, en vroeg aan dien Heer die by zyn knegt wiert afgetilt, want hy was gequetst, of de Heeren ook reisden na Frankfoort? Het bescheid was, “scheer dich am galge, dou Bettelhound”! Daar op vervoegde hy zig met dezelve vraag aan den tweeden Kavalier, en wiert omtrent met het eigen bescheid afgezet. Den Schilder trat toen in dat huis, eischte een stuiver aan brood, benevens een glas bier, en betaalde voorshands. Toen herhaalde hy dat eigen vraagpunt aan den Waard, en bekwam tot antwoort, veelligt ja, veelligt neen; en met die voldoende oplossing keerde hy te rug na het Hussaars Logement.
Maar hy bevont op zyn wederkomst dat de bakens deerlyk waaren verstoken by zyn afwezendheit uit het gasteerent vertrek. De Heeren Hussaaren hadden te diep gekeken in het Oud Bruin en in de Wagcholder vocht, zynde de vorige eenstemmigheit met het vrouwentimmert veraardt in raazerny. Zy vermaanden de Wyven zo gevoeliglyk, dat de mutsen stoven tegens de wanden, de maanen langs de schouders slingerden, en de kaken uitdeiden als welryzende Mennonnisten Poffertjes. De Kinders huilden, gilden en baarden als jonge Weerwolven; de Hussaaren vloekten en banden als zo veele vertwyfelde zielen; en den Huiswaard, het Wyf- en Meid, brulden en loeiden, dat ‘er geene Herftdonders by waaren te vergelyken.

Gedoemd tot bij satans uitschot te blijven
Ik stel het aan de overweging des bescheiden Lezers, hoe onzen Konstschilder moest te moe zyn, gedoemt tot de bywoning van dat Satanas Uitschot der Hel, en dat Uitvaagsel van Sint Patriks Vagevuur.

By tyds in de Morgenstond verrees Jakob Campo Weyerman in stilte, onderwyl dat de verlamde Hussaren noch leiden te snorken als zo veel everzwynen, en vertrok zich na de Herberg het Hoekhuis. Hy besloot te verreizen met die Heeren, en dacht by mannen van opvoeding hoflyker onthaalt te zullen werden, als wanneer zy hem hadden hooren spreeken, dan by die Boerenstroopers; maar het tegendeel viel hem te beurt. Den HoekhuisKastelyn, een van de valschte Schelmen des aardbodems, had die Officieren vergiftigt langs het gehoor. Hy zwoer op zyn deel des Hemels, (dat is hu zwoer by niets dat hem aanging) hoe een beruchte Boschklopper vermomt in een linnen keel, hem had gevraagt, of die Heeren Officieren ook trokken na Frankfoort aan de Main. Gevolglyk, dat zy moesten staat maken, van te zullen werden aangeranst in het Bosch, en dat hy dien langen Vlegel keurde voor den Spion van dien Troep, de voorbarige Duitschers rukten daar op de Pistoolen uit hunne holsterkappen, welke wierden afgehaalt, en op nieuws geladen met versch Buskruit. Het Vuurroer wiert bezwangert met dubbelt loot, en de Sabels op een wetsteen gescherpt. De Heeren Officieren namen een driedubbelde dosis Wagcholder in, op het goed gevolg van den aanstaanden stryd tegens de ingebeelde Struikrovers. Den knegt die de Berlyn mende, sloeg een kelk van den eersten rang door, genoegzaam met droge lippen. En den Konstenaar, die altoos een naauwkeurig waarnemer is geweest van stichtelyke voorbeelden, versmolt een paar Batsen in dat eigen drinkbaar vocht; en toen was ’t slaa voort als ’t behoort.

‘Dreigt niet, maar schiet my door den kop’
Nu dacht den achter de Berlyn gaande Schilder den hoek te hebben bezeilt, toen den Officier die te Paard zat hem beval met een straffe stem, van voor dat Rytuig te gaan ter lengte van een dozyn schreden, met toezegging, van hem door den kop te zullen schieten, indien hy maar eenigzins zylings week. Overheert moet gehoorzamen of noch zo onwilliglyk. Hy stapte dan voor dat Rytuig, doch na een halve myl dien moeielyken weg te hebben bewandelt, welke half bevrozen en half was ontdooit, hield hy halte. Den Kavalier met het Snaphaan om den nek, vroeg hem met de spraakbuis eens rollenden Donderkloots, na de reden van zyn stilstaan. “Dreigt niet, maar schiet my door den kop”; weersprak den onverschrokken Konstschilder; “alzo ik niet langer een een weg wil noch kan begaan, die zelfs onbruikbaar is voor een gespan Paarden”. “Gints is een Voetweg”, vervolgde hy, “laat ik die betreden? En is ‘t, dat ik my poog t’ zoek te maken, blaast ‘er dan op los, ik ben een Kogel getroost”! Den Officier bewilligde in dat billyk verzoek, waar op den Schilder op die Voetweg stapte, en toen waren alle wonden geheelt.

De kansen keren zich
Omtrent twee Duitsche Mylen had Campo gegaan over dat Voetpad, toen hy kwam by een kleine Bron, op wiens bodem hy een Waterhagedis zag leggen, waar op hy een poos stont te kyken. Den Gesnaphaande Officier reed hem op zy, en vroeg, waar hy na stont te zien? “Myn Heer”, sprak hy voorbedachtelyk, “ik kyk na een Diertje, wiens Naam ik u beter kan zeggen in het Grieksch, Latyn, Fransch, Engelsch, Neerduitsch, Spaansch en Italiaansch, als in het Hoogduitsch!” “Wat hondert duizent Sak ……! Verstaaje alle die Taalen”, vroeg den Officier? Hy antwoorde van “ja”! en zei verders, dat de Heeren Officieren hem qualyk hadden behandelt, zynde hy een fatzoenlyk Man, die by een Fransche party was berooft en naakt uitgeschud geworden tusschen Dusseldorp en Keulen. Den Keizerlyke Vaandrig reed daar op na Berlyn, en zei tegens den gequetsten Luitenant, dat den Schelmschen Hoekhuiswaard hen had misleid, zynde den gewaande Spion der Struikroovers een Geleerd en Taalkundig Persoon. Den Luitenant aanbood zyn Rytuig aan den vermoeiden Konstenaar, die zulks beleefdelyk aannam, welke Officier hem de verdichte Leugens des Waards verhaalde onder het Ryden.

Tegens den Middag hielden zy halte om te spyzen, en de Paarden te voederen, ook nodigden zy hem heuschlyk op het Noenmaal, niet tegenstaande hy zulks meermaals ontzei met betuigingen. In ’t kort, zy onthaalden onzen Konstenaar vriendelyk en edelmoediglyk geduurende de gantsche Reis, zynde zy beiden Kavaliers by geboorte en Heeren van middelen.

Daagsch daar aan bleven zy vernachten op een plaats de Glasblazeryen genaamt, en dronken aldaar als Maaskarpers, inzonderheit den Vaandrig en den vrolyken Schilder, welke laatste nu al zyn leed scheen te hebben vergeeten. Den Heer Waard kwam voor derde in het spel, een van de luchthartigste en snapachtigste knapen van zyn tyd. Onder meer andere vertellingen verhaalde hy een zeldzaam geval, gebeurt ten zynen Huize, het welk ik waardig schat den Lezer mede te deelen.

Het verhaal van de luchthartige en snapachtige waard
“Ontrent twee jaren geleden”, zei hy, “kwamen ‘er drie Poolen aan myn Huis, welke herom zwierven met een danssende Beer. Ik nam die quanten wel in myn gemeene Kamer, maar ik protesteerde tegens den ruigen dansmeester, want niet tegenstaande dat zy hem verhieven als den beschaafsten en welleevendsten Beer van zyn Eeuw, echter ik verbleef by myn voorig besluit. Om nu de Poolsche Edelluiden niet geheelyk voor het hoofd te stooten, aanbood ik myn Stal tot deszelfs Logement, welke aanbieding ten laatste wierd aanvaart. Wy bragten den Beer na zyn nachtrust, en gaven hem het stroobed van een gemest Kalf, dat in Stal ley, en des anderendaagschs stont gekeelt te werden. Het Kalf in tegendeel kreeg de Kachgelkamer tot zyn Slaapstee, welke verplaatzing de waarheid bekrachtigde van het bekend spreekwoord, uit liefde zoende den Boer het Kalf!”

“Den oudste Pool, die dien Beer liefde gelyk een Vader zyn Kind, verrees by tyds om het Dier te verzorgen van Ochtend-kost. Maar hoe verbaast stont die gryze Voogd te kyken, ziende zyn viervoetig weeskind by een dood Lichaam verzelt. Den Man stak een Wapenkreet op als een Stormklok. Wy vlogen na ’t Stal op dat geschreeuw, en zagen met de grootste verbaastheid des Weerelds dat den Beer een Manslag had begaan, en zich ontnuchterde op dien roof. Den Doode wierd het Dier ontweldigt, en voor een naaste Buurman gekeurt. Die quant was door den Stal gebroken om het gemest Kalf te steelen, doch ontmoete een fellen Beer, in stee van een weerloos Dier. Indien Bruin den Beer waare begaaft geweest met de gift der spraak, gelyk als oudtyds de Dieren in de kronyk van Reintje den Vos, had hy ons zekerlyk verhaalt, hoe hy dien Kalver-roover omärmde, troetelde en doudeinde, voor hy de moord stak tusschen de parsplanken van zyn klemmende bouten. By gebrek van een bericht van die natuur, beslooten wy echter eenpariglyk, dat den Dief op die ruige omärming zich zal hebben verbeelt, en niet zonder reden, dat den Duivel hem liefkoosde tusschen zyn klaauwen, gewoon zyn belyders te betaalen met dat zoort van noodmunt”.

Op diergelyke Vertellingen onthaalde die Westerwalds Herbergier zyn Gasten tot diep in den Nacht, zonder nochtans het inschenken en uitdrinken van Heilbronsche roemers te vergeeten, achtervolgens eere en pligt.

Noodweer bij Frankfurt
Ik denk my te spoeden tot het einde, zegt den Schryver van deze Bladen, gedachtig aan het bekend Spreekwoord, de middelmaat houd staat. Weet dan Lezer, dat de Officieren en onze Konstschilder Frankfort waren genadert tot op een halve Dagreis, toen een onguur Weer, met Hagel en Sneeuw vermengt, hen noodzaakte te trekken in een Herberg van den eersten rang. Den Hochheimer Wyn wierd zo lekker gekeurt in dat Waardshuis, dat Campo besloot alle zyn geleedene zorgen en ongemakken op eenmaal af te spoelen in dat verquikkent vocht. Hy liet dan zyn Reisbroeders hun Nachtrust betrekken, en bleef overzitten met den Kastelein, een knaap die nooit geen weerzin had betuigt tegens zyn eigen Wyn by Menschen gedenken. Den uitslag van die klucht draaide hier op uit, dat den Konstschilder noch eerder het einde zag van zyn Beurs, als van zyn lust, zynde zyn kapitaal vernedert tot op vier overgeblevene Batsen.

’s Konstschilders bescheidenheit slaagde op de matigheid van veele Menschen. Geen klein getal van matige Luiden zou gaarn meer willen eeten, indien het niet wierd afgeschrikt door de linksche gevolgen van een Maag overladen met spys en drank. Hy zou zekerlyk dat viergespan Batsen ook hebben opgesnapt in dien smakelyken Wyn, indien een klein overblyfzel van zuinigheid hem niet had gewaarschouwt, van voor het minst een gering appeltje over te houden tegens den nadorst.

Dorst maar alle herbergen zijn gesloten
Op den Middag trokken zy in Frankfort, zynde by ongeluk een Bededag, en alle de Huizen geslooten. De Officieren vervorderden hun Reis over de Saxenhauzerbrug, den Luitenant na Weenen, en den Vaandrig na Praag in Boheemen. Na die Heeren hartiglyk te hebben bedankt voor alle genootene beleefdheden, ging hy een Wynhuis opzoeken, doch met minder spoed als dorst. Hy schelde en klopte aan onderscheide Herbergen en Wynhuizen. De deuren wierden wel ontslooten, maar zo dra had hy om geen glas wyn gevraagt, of bons ging de deur tap toe, gedankt zy zyn linnen keel en overigen opschik, overeenkomstig in alle deelen met de livery van den Windmolen. Geen Mensch als hy alleen vermag een beschryving op te stellen van zyn innige gebeden onder dat draven op ende neer, staande zyn gedult nergens voor zyn hoofd-deugd berucht. Eindelyk en ten laatste begluurde hem de Fortuin met een medelydent oog. Zy geleide hem aan en in een groote Herberg naby de Main, en aldaar verörberde hy zyn vier Batsen in een byster groote kan rynsche wyn; na welke verrichting hy een Pyp Tabak ging zitten rooken in de grootste gerustheid des Werelds.

Door een Nederlander ga je nooit bankroet
Den Heer Waard trad in het kachgel-vertrek, waarschynlyk na zyn aandacht te hebben verricht in de kerk, en bestreek den Konstenaar met zyn nieuwsgierige blikken. Voorts sprak hy zachtjes met den knegt, die zyn schouders ophaalde, waar uit Campo Weyerman besloot, dat hy stilzwygens daar langs antwoorde van hem niet te kennen. Te mets naderde den Kastelein, en ging ten laatste nevens hem zitten, zonder een enkeld woord te spreken by wyze van een stomme beevaart. Maar onverhoeds riep hy op een bot, “die kleedy is nooit voor u gemaakt”! Voorts vroeg hy, wie hy was?

En op dat vraagpunt wierd het Treurverhaal ontgonnen,
Ook tot het einde, na de waarheid afgesponnen.

Den Kastelein scheen heel vergenoegt, zo wegens dat verhaal in zich zelf, als over de omschryving waar mee die luchthartige Historie-schryver het verzelde, dat hy hem zyn Huis en Tafel aanbood, met deze byvoeging, ( ter eere van ’s Konstschilders bakermat,) “dat hy noch nooit by een Nederlander het minste Bankrot had geleeden”. Op dat kompliment deet den Schilder een tweede kan rynsche wyn binnen staan, benevens een paar roemers, en ging met dien braven Frankforter Hospes vertrouwelyk zitten pooien.

Leven op de pof
Hy sliep dien Nacht zo gerust, als of zyn Hoofdpeluw waare gevult geweest met stofgoud, in stee van veders, welke rust hy gedeeltelyk zyn goed gewisse, als mee den heerlyken wyn, had te danken. Des anderendaagsch schreef hy om een Wissel te mogen erlangen, te betalen op zicht, alzo zyn tegenwoordige omstandigheden geen uitstel konden veelen. In die verwachting teerde hy op kosten van ongelyk, en liet fioolen zorgen. Ook gewiert hem die hoognodige Som op zyn tyd, waar uit hy zich kleede en reede als een Kavalier du bel air; den eerlyken Kastelein voldeet, doek en verf bekostigde, en toen zich vlytiglyk zette tot Schilderen.

Hy flodderde eenige Bloem- Fruit- en Vogel-stukken, van zyn losse trant, voor zeker Konstverkoper genaamt Roos, die met een Konstkraam zat op de Frankfortsche Mis, en alle die Schilderyen verkogt na genoegen. Noch had hy een kabinet stukje gemaakt, waar in hy een takje van geele Nieskruid-bloemen tusschen invoegde, de eerstelingen van de Lentemaand, en dat stukje aanbood aan den toenmaals regeerende Graaf van Hanau, welke Ryksgraaf zich bevond op de Mis. Die Heer wees op dat takje met Nieskruid-bloemen, en vroeg aan den Schilder hoe die waren genaamd. Jakob Campo, toenmaals maar matiglyk bedreven in de Hoogduitsche-taal, wist dien naam niet te bedenken, waar op den Graaf hem toeschoot vraagsgewyze, of hy geen andere Taal sprak? “Ja Uw Doorlucht”, was zyn bescheid, “noch zes of zeven!” Dat antwoord beviel den Graaf zo wel, dat hy het stukje kogt, en hem een weergaa aanbesteede; maar dat is in de loop gebleven.

Kwakzalvers ofwel marktdoktoren
Tot ’s Lezersverlustiging zal ik hem een voorstel mededeelen, aan onzen Konstschilder gedaan by een Hoogduitsch Geneesheer onder den blooten Hemel, by de onedele gemeente getytelt, Quakzalvers ofte Markt-doktooren.

Den Heer Busch was den Prins van alle de Quakzalvers op de Frankfortsche Mis. Hy had het grootste Theater, den schoonste opschik, de bestgeklede dienaars, benevens een rykelyke koets, bespannen met zes paarden. Mevrouw zyn Gemalin zat te pryken onder haar vrouwelyke bedienden, gelyk als de zilvere Maan bralt onder de gestarntens, en zy hield haar fatsoen als een begonstigde Sultanin in het Serail van den Grooten Heer; met een woord, de schulp verstrekte tot eere van den Visch.

Een schoone jonge Juffrouw genaamt Henriette, en getitelt Nicht van den Heer Operateur, was den Amber die het schielyk vuurvattent liefdestroo des Schilders na zich haalde door haar bekoorlykheden. Hy wachte haar op als zy uit de Koets trat om het tonneel te beklimmen, en in het nederdalen geleide hy haar in dat praaltuig om t’ huiswaards te keeren. Ingevolge van tyd bezogt hy die schoone in haar logement, betuigde haar alle achting en liefde, en wiert ten laatste ontfangen en aangehoort met wederzydsche betuigingen.

Op zekere namiddag schelde hy aan het logement van dien ontzachlyken Operateur, die hem de deur opende in persoon, vriendelyk verwelkomde en beleefdelyk node, om met zyn Genade een roemer rynsche wyn te willen neemen in een wel gemeubeleert vertrek. Den verliefde Konstschilder liet zich die welkomst gevallen, en bedankte deswegens den Heer Busch in heusche termen. Na dat de klos der overhandsche komplimenten was afgerolt, aanbood den rollende Geneesheer den Schilder een leuningstoel, luide toen een zilvere tafelschel, en beval een paar flessen puiks puik rynsche wyn binnen te brengen.

Den Heer Busch verwelkomden den opgetoogen Jakob Campo op nieuws met een paar bruisschende roemers; stelde vervolgens deszelfs gezondheid in; waar na zyn byzonder welzyn wiert gedronken; waar na zy een pyp tabak opstaaken, en vriendelyk aanvingen te zamen te praaten.

Dat paar flessen duurde ontrent zo lang tusschen den Traktant en den Genooden, gelyk als een gebraaden Spiering zou duuren, tusschen een gespan snoepzieke Katers; weshalve den Heer Busch dezelve klok trok tot het aanvoeren van nieuwe Hulptroepen. Hy vroeg aan den Knegt die twee versche Zinknooten binnen brogt, of alles klaar was gelaarst en gespoort? Den Knaap antwoorde ja; en hy beval dat het ylings zou verschynen.

Een ronde tafel verscheen op het moment, gevictualieert met keurlyke spyzen en versnaperingen, bezorgt by drie Lakeyen. Het midden van den disch bralde met den aanzienlyken kop van een wild Zwyn, aan weerskanten versterkt door een koude venesoen pastey, en een warm ragout. Dat drietal hoofdschotels was omringelt met onderscheide kleine schotels, belegt met Ossentongen, Kavejaar, Bouloneesche Sausyzen, Olyven, Makarons, Kraak-amandelen, Spritsen, &c. &c.

Onze Konstschilder schiep genoegen in die vertooning, want alhoe wel hy geen belyder was van Epicuur, echter zag hy liever dat zyn tafelbort wiert verzorgt van een koud Patrys, als met een suikere Boekweite Koek. Niet min aangenaam was een tweede intree, bestaande in Mevrouw Busch, verzelt by haar Nicht de schoone Henriette, beiden triomfantelyk opgetooit, op wyze van de Latynsche Koningin en haar Dochter Lavinia in Rotgans. Die Dames wierden eerbiediglyk ingehaalt, en ceremonieelyk geplaatst aan dien disch; waar na den gefluweelde Geneesheer een kort gebed sprak, en vervolgens aanving het gezelschap smaakelyk te eeten en te drinken.

De grootste graagte zynde gesust, onder het peuzelen van het nagerecht kwam ‘er een gelid van sessen in de eetzaal aanstuiven, bestaande uit ses Lakeyen des Operateurs, gedost in blaauwe kleeders met scharlaken opslaagen, rykelyk belegt met zilvere galonnen, gezamentlyk wakkere Muziekanten. Die quanten vervrolykte het gehoor op een verrukkent Concert, alle welke wellusten den Konstschilder zo uittermaate kittelden, dat hy moeite had om zyne driften te konnen bekorten.

Op het klokslag van tien uuren vertrokken de Dames, welk voorbeelt den Schilder dacht na te volgen, toen hy wiert gestuyt by den Traktant. “Alvoorens, Heer van Campo, heb u iets voordeeligs voor te draagen,” (sprak den Operateur) en dan zullen wy scheiden als lieve vrienden”. Op zyn wenk wierden ‘er een paar pints bokaalen ingeschonken, en op het aanstaande goed gevolg uitgedronken, waar na den Lakey uit het vertrek trat, en den Heer Busch den Konstenaar aansprak met deeze woorden.

Het relaas van een rijke kwakzalver
“Heer van Campo, beschouwt my niet als een Quakzalver, een Rookverkooper of een Lodderhans, alhoewel ik een Heel- en Geneeskundig tooneel heb opgerecht in de Frankfoortsche Mis. Ik, myn Hans Worst, den Onderkortesaan, myn zes geliveryde Lakeyen, vier kaerels in Borger kleedy, benevens een’ party Dienstmeiden, zyn onvermoogende zo veele Balsems, Elixirs, Wegwaassemende Zouten, Zalven en Pleisters te vervaardigen, als ‘er by my werden verzonden na alle de Hoven des waerelds.”

“Neen, myn Heer, ter liefde van het Gemeen, tot behoudenis, tot herstelling van de gezondheid myner tydgenooten, en om Herkules gewyze de schrikgedrochten aller quaalen uit te roeijen, prykt den verheven kruyn van myn tooneel in de Frankfoortsche Mis. Ik zeg de gezondheid! die zegening der ryken! die rykdommen der armen! wie toch kan u te dier koopen, vooral by den Heer Busch.”

“Ik ben geen Signoor Serpini, geen Don Balthasar de Gamba, noch geen Monsieur Montmeillan, een drietal gelouterde gistmengers, waar van den minste een paar dozyn Inboorlingen en ontrent zo veele Vreemdelingen, weekelyks slacht, zonder eens zuinig te kyken. Guyten die hun beroep ontgonnen met een paar pond Veneesche Terpentyn, een hand vol Salsaparillas Spaanders, een peperhuisje met Spiesglas, een Klisteerbuis en een Ivoore Spuit.”

“Maar ik ben een gebooren Edelman, een Heer van vermogen, een Man van letteren, en een Letteroefenaar van ervaarenheid. Alle onze Marktdoctooren hebben mynen Elixir gepoogt na te aapen, en ten dien einde afschuuwelyke onkosten gedaan in Ovens, Distilleerketels, Smeltkroezen, Retorten, en glaaze Kolven, schielyke en flaauwe vuuren, doch om zunst. Te vergeefs poogt dat ongelettert ongediert dien weergaloozen Elixir na te speuren, alzo deszelfs t’ zamenstelling bestaat uit zeven hondert vyf en zestig Kruiden, benevens menschenvet tot de t’ zamenkleeving, waar van ons den Wel Edele manhafte en onvertzaagde Heer Hans, Rechter met den zwaarde, voorziet, mediantibus illis.”

“Heer van Campo, zo een man ben ik, en zo een man zult gy zyn, indien den aangebooden hoorn des overvloeds niet by u wert van de hand geweezen. Gy bezit alle de gemoeds en lighaams hoedaanigheden welke ons beroep komt te vereischen. Noch te deezer stond aanvaarde ik u tot myn Neef, substituit Operateur, en Erfgenaam van alle myne Kasteelen, Bosschen, Wey- en Zaai-landen, met een woord, van alle myne roerende en onroerende goederen. Gy lieft Mejuffrouw Henriette, uwe liefde wert beantwoort met wederliefde; de rest zy den Phaarheer bevoolen.

De dreiging van een huwelijk
Op deeze wyze, ofte by en ontrent op dien trant, wiert die gekruide Redenvoering geopent en geslooten. Helaas! dat tweeledig woord van Phaarheer vergalde den bot, en bedierf de klucht. Den ongestadige Konstschilder schifte van Meestressen als van Dassen, en hy telde liefde op den duur, een byster malle kuur. Ingevolge van dien regel bekleed hy den ongehuuwden staat, en zei: “Dat Vrouwen zyn de Meestressen der Jongelingen; de Gezellinnen voor den middelbaaren leevenstyd; en drooge Minnemoers der oude Mannen”. Echter bedankte hy den braaven Heer Busch voor zyn aanbieding met hoflyke woorden. Zei dat den staat des huuwelyks, zynde een verbintenis van de uiterste aangelegendheid, rypelyk behoorde te werden overwoogen. En voor ’t laatste, verzogt hy geen langer uitstel als drie dagen, om zich deswegens te beraaden.

In ’t kort den Konstenaar, scheide op dien voet als hy was gekomen, vriendelyk van weerskanten, doch min nuchteren als eenige uuren van te vooren.
Niettegenstaande den verliefde Schilder drie dagen nam tot zyn beraad, bedacht hy zich echter geen drie minuten. Hy oordeelde het speelen van een leevensrol op het tooneel des waerelds wel zo eerlyk, als te verstrekken tot een kluchtrol aan duizende leegloopers op een zalftooneel onder de open lucht. Beducht van echter te moogen vervallen in eene zwakke luym, vertrok hy uit Frankfort, en verreisde op nieuws naar Batos graazige landsdouwen.

Weyerman als schrijver
Tot hier toe hebben wy dien Jacob Campo Weyerman geschetst als Konstschilder, laaten wy hem nu eens ter loops beschouwen als een Schryver.

Geduurende zyn verblyf te Breda, schreef den Antwerpsche Nieuwsschryver zulke onvergeeflyke Kouranten, dat hy de pen opnam, om dien onbesuisden Harmen, was ’t doenlyk, te kittelen in een onbeschaafden styl. Ten dien einde schreef hy een Blyspel, getytelt, de bezweering van den desperaaten Antwerpschen Kourantier. Noch pende hy een tweede Spel, gedoopt, de Gehoornde Broeders, of het Vrouwelyk bedrog. En om het drietal op te maaken, Demokriets en Herakliets, Brabandsche Voyagie, in vyf Bedryven. Dat drietal Blyspellen wiert gedrukt te Breda, zonder den naam des Autheurs; een bewys van zyn onverschilligheid ontrent schriften van dien aart.

Opdrachtgever Pain et Vin
Den Heer Lammert Pain & Vin, een Zoon van den Overste Moses, die tot Alphen wiert onthoofd, verzogt onzen Konstschilder te willen overkomen in ’s Hartogenbosch, om Flora’s lievelingen te konterfyten na het leeven. Die Heer was toen ter tyd de eerste Matadoor der Bloemisten, inzonderheid in Luiksche Aurikulaas en in Tulpen, zynde die Bloemen toen tertyd gesteegen op een buitenspoorige prys. Ja hy heeft die Lammert Pain & Vin meermaals hooren zeggen, dat hy jaar voor jaar met die Koopmanschap gewon vyf ofte zes duizent guldens.

Achtervolgens het voorschrift eens ouden Latynschen Dichters, zal den Schryver van deeze Konstkamer, het vermaakelyk paaren met het nut. Hy zal de Liefhebbers van Bloemen een denkbeeld geeven uit een voorbeelt, hoe gevaarlyk het is Bloemen te koopen, welke zy niet zien bloeijen.

Jacob Campo Weyerman schilderde de Bloemen van Lammert Pain & Vin onder de plak. Dat raadsel zal den Leezer werden vertaalt in verstaanbaare woorden. Hy schilderde die Bloemen in het Tuinhuis. verzelt by dien Heer, die hem voorschreef de wyze, hoe ende op welke wyze de gebreken en misstallen van die groeibaarheden moesten werden verbetert, als by voorbeelt. Het wit der Tulpen hier en gins eenigzins besmeurt, wiert verbetert by het Konstpenseel, en vertoonde een wit als sneeuw. De vlammen wierden verdunt; en de gevloeide arseersels gestreept zonder het blad te vlakken. Den kelk van die bloem, by wylen begruist, blankette den Schilder zo helder als een Britsche wyn roemer, en vooral verdikte hy de steelen, achtervolgens Pain & Vins voorschrift.

De Aurikulaas, somtyds gekronkelt gelyk als de lobben en kraagen onzer Voorouders, beval de Bloemist te verbeelden glad en vlak. De gestarde oogen van de Bloemen wierden zo rond getrokken als een cirkel. Het bleek blaauw, trekkende op de grisdelin koleur, herschepte het Konstpenseel in hoog blaauw; en op zodaavige wyze vergoede de konst het gebrek van de natuur. Daarenboven wierden de Aurikulaas getrost als Konstantinopels; inzonderheid ordonneerde Pain & Vin de koleuren te verhoogen en de steelen te verdikken, zonder den Bloemschilder eens te beduiden wat hy voorhad met alle die gestaltverwisselingen.

Bloemschilderingen
Na dat Campo de alderbeste Aurikulaas en Tulpen, op die wyze had gekonterfyt, of liever vermomt, begaf zich den Heer Lammert op reis, en voerageerde langs alle onze Nederlandsche Steden met die geblankette poppen. De Bloemisten bleeven staan, te staaren op die uitheemsche en onbekende wonderen, en onder meer anderen besteede een Heer, woonachtig tot Dordrecht, alleen acht hondert guldens.

Den Leezer zy gewaarschouwt, dat de Liefhebbers niet die geschilderde, maar de groeibaare Bloemen kogten, welke hy hen beloofde te zullen leeveren, overeenkomende met de geschilderdee modellen.

Te ’s Hartogenbos heeft Jakob Campo Weyerman onderscheide Bloem-en-Fruitstukken geschildert welke Tafereelen het ons niet past omstandiglyk aan te haalen, gedachtig aan Katos twee regelig voorschrift.

Het past geen Man zyn Konst te looven, nog te laaken,
Zulks doen die zotten die uit ydle roemzugt spraaken.

Eigen lof munt op een pyl met veele veders bestooken, welke pluimen by de wind gevat, den schutter het doelwit doen missen zulk soort van ganzen hoort men wel blaazen, maar men ziet ze nooit doorbyten. Het heugt ons van een drietal Schilders te hebben gekent te Breda, welke Penseelisten bromden en snoefden, in alle Herbergen en Wynhuizen als zo veele Quakzalverende Kermis Doctooren, doch nooit zyn ons derzelver Konststukken ontmoet buiten den omtrek van hunne byzondere Schilderkamers. Den zogenaamde Vriesche Raphael stak ook geen kleintje de windbazuyn van zyn eigen roem in Amsterdam. Maar hy verzamelde meer kykers als Koopers. En hoe onstuimig de Brabandsche Schilders het Konstspit wenden en draayen voor een halvestuyvers takkebosch, is ons buiten tel voorgekomen op de beroemde Antwerpsche Vrydagsmarkt, te welker plaats die veelkleurige vaandels en Kakelbonte Standaarden meestentyds de waarde der geborgde doeken niet konnen ophaalen.

Indien nu een welmenent en oordeelkundig Man, zodaanigen verwaande en by ingebeelde verdienste betoverde Schilder komt uit den droom te helpen, wert hy gelyk als de Atheensche Geneesheeren met ondank beloont, die Mannen hadden zekeren Gek, die zich verbeelde den eigenaar te zyn van alle de Schepen, welke aankwaamen in die Haven, te recht geholpen. “Den Duivel moet de Doktooren schenden”, schreeuwde den herstelde Nar, “die my uit een ingebeelden rykdom hebben ontbolstert, om my onder te plompen in weezendlyke behoeftens.”

Tweede tocht naar Engeland
Veel eer dan van ons intelaaten in eenige konst byzonderheden, betreffende Jakob Campo Weyerman, zullen wy den Leezer vervrolyken met de avantuuren van een tweede togt na Groot-Brittanje hem bejegent verzeld door een paar Brabansche reisgenooten.

Onze Konstschilder was vereist uit ’s Hartogenbosch na Brussel alwaar hy den meermaals gemelde Peters ontmoete, welke Konstenaar toenmaals als een Konstkoper aldaar kwam, om een zeker stuk van Luca Jordani, gebendnaamt Fapresto, optezoeken, Peters vrog, of hy ook wist wie den eigenaar was van dat Konsttafreel? Jakob Campo antwoorde ja, en gelyde hem ten Huize van deszelfs bezitter alwaar het wierd bezichtigt, echt gekeurt en gekogt in eenen adem.

Weduwe Simonis
By die gelegendheit geraakte Peters en hy bekent met een gespan Broeders, de gierigste, haarigste, en Pleitzuchtigste kaerels des weerelds. Die quanten hadden den Boedel van den Heer Simonis ingeslikt langs gewelt en list.

Deszelfs Weduwe had dat paar bekleumde Slangen onder haar huisdak aanvaart, en uit mededoogen, en om den Boedel in order te stellen, by dien Heer nagelaaten in een byster verwarden staat. Doch zo dra waaren die Broeders niet verwarmt, of zy begonnen den eigen rol te speelen van het gekoesterd Serpent in de fabel. Zy schuifelden, histen en blaasden zo geweldiglyk, dat de Weduwe en haar eenige Dochter het huis moesten begeeven, naakt en bloot. De Schuldeyschers van den Heer Simonis bestormden daar op die geweldadigde indringers in eens anders Have en Erf met Processen; waar tegens zy zich verdedigden door het schutgevaart van de Practyk, pen en int. Tot hoe verre dien Advokaaten Oorlog wiert voortgezet gelieve den Leezer te weeten uit een staaltje, dat zy op eene en dezelve tyd hondert en acht Processen hadden volgens hunne eigen bekentenis.

Kunsthandelaar Kortvrient
Om nu een wakkere som Kontanten te maaken op eene reis, het eenigste hulpmiddel waar langs zy de Advokaten en Procureurs mogten sussen, besloot den Jongste Broeder Karel Kortvrient genaamt, over te steeken na Londen. Peters en Weyerman verzogt hy van hem te willen verzellen, en hy beloofde hun goude bergen, welke uitkwamen op eerscheuten met loskruit.

Kortvrients Koopmanschap bestond in een Kabinet Konstschilderyen, twee groote kisten vol Prenten en Tekeningen; een verzameling van Zesduizend Zeshondert Grieksche en Romeinsche Gedenkpenningen; benevens een getal van aloude Gesteentens, en alzulke Konstkleinnooden Peters en Wyerman verzelden dien vrient van korten duur tot in Londen. De wyl nu de twee eerstgenoemden waaren bekent met den bedekten handel van de Konstuimhuis beampten, kreegen zy alle die Goederen vry voor twaalf Guinees, daar zy waaren belast, met een som van ruim tweeduizend Ponden Sterling achtervolgens de daar toe staande inkomende Rechten. Voorts wiert Kortvrients Konstkoopmanschap verkogt boven alle gedachten, de Penningen hem getrouwelyk ter hand gestelt, zo dat hy zwom in Guinees en in Engelsche Kroonen.

De smoezen van Kortvrient
Tot dus verre gingen de zaaken na wensch, doch toen Peters en Weyerman spraaken om betaaling te erlangen wegens hunne genomen moeite, was ‘er een luipaart te kyken Kortvrient had merkelyke sommen overgemaakt aan zyn Broeder te Brussel, en veel gelds verquist aan kostelyke Kleeders Goude en Zilvere Zakorlogies, Degens, Paruiken, en diergelyken, gevolglyk was zyn Goudbeurs geëbt en zyn zilveremunt gesmolten. Hy beraade zich derhalve met zyn gewisse na ouder gewoonte, het welk hem instak voor te wenden, dat ‘er eenige Goederen waaren te zoek geraak, voor dewelke hy geen betaaling had genooten. Peters, voor het gevolg, van een vooraf bedacht schelmstuk beducht, vertrok zich na zyn eigen Logement, om die bui te ontduiken. Weyerman in tegendeel verbleef waar hy was, en wierd by dien Brusselschen Simon gearresteert, en in een civiel beslag op het nachtslot gezet.

Dat de vaardigheid van den geest den mensch dikmaals red uit moeielyke omstandigheden zal uit dit enkeld voorbeeld werden aangetoond.

Kortvriend gepakt
Daagsch daar aan kwam Kortvrient verzelt by Peters, welk paar nu een soort van bestand had opgerecht, den Konstschilder te bezoeken in zyn civiel arrest. Hy ontfing de Heeren beleefdelyk, en zy traaden in onderhandeling, om waare het doenlyk, een einde te maaken in der minne van het onderling verschil. Maar den Brusselaar luisterde na geen reden, die poogde den gearresteerden Schilder te voldoen met een doode Mees, en aanbood hem te ontslaan, mids dat hy afstond van zyn eisch: Doch dat buskruit brande af in de pan. Het kongres duurde tot de tafel wierd aangericht, en Campo verzogt Peter tot zyn Gast. Kortvriend verrees, ziende dat hy niet wiert genood, en dacht te vertrekken toen den Cipier hem de hand op de schouders lei, en hem in beslag nam uit Campos naam die kabouter had zich beraaden met een Advokaat, en een Arrest doen opstellen tegens Kortvrient die daar op wiert by den kop gevat op zyn beurt.

“Hoe patriot help mai toch jeens uit den dut”, sprak den onthusselde Kortvrient tegens Campo, “woorom ik niet mag gaan gelaik as ik ben gekomen”? Den Konstschilder beet hem toe, dat hy reeds te lang zyn tolk was geweest en hy zulks kon vraagen aan zyn Patroon, den God der Vliegen. Peters hielp hem uit dien droom, met te zeggen, dat Campo hem had verzorgt van het eigen civiel Logement om zich nader te beraamen met zyn geweeten. Op dat bescheid viel hy achterover op een stoel, vervloekte zyn komst in die kasteleny, beschuldigde Peters van hoog wanbedryf, en ving aan te kroeghen en te steenen als een Spook dat den toets ondergaat van de wywaters quispel. Peters en Campo Middagmaalde smaakelyk, Dronken hartiglyk, en tot bevordering van de kooking der maag, beslooten zy het noenmaal met het aanzienlyk nagerecht van een bak vol Punch, Kortvrient geen kans ziende dien dans te ontspringen, hervatte de vredehandeling; beloofde Peters en Weyerman te zullen genoegen; betaalde de onkosten van het wederzyds beslag; en daar op vertrokken zy uit die onaangenaame Kasteleny, uiterlyk, verzoende vrienden.

Onze Konstschilder vertrok korts daar aan na Brussel, en Kortvrient verbleef in Londen, bevreest voor de gevolgen van Campo’s weerwraak. Maar den laatste had meer reden om op zyn hoede te zyn, dan de eerste, gelyk als in het vervolg kwam te blyken. Den Spanjaard zegt, dat een jegelyk zich behoort te waaren voor Wintersche Zonneschyn, en voor het achterste van een nukkigen Ezel, en voor een verzoenden Vrient. Kortvrient had zich verzoent in schyn, alhoewel hy den aanlegger was geweest van het verschil: doch hy verbleef een vyant in der daad, gelyk als den Leezer zal hooren.

De wraak van Kortvrient
Jacob Campo Weyerman stak weer over na Londen, en nam zyn optrek ten Huyze van den Hoogleeraar Johan Woodward, Geneesheer en Lid van de Koninglyke Maatschappy. Op het verzoek van dien Heer had hy onderscheide zeldzaame en keurlyke boeken gekogt, inzonderheit alle de Schriften van Wilhelm Postel, Bernardus Ochinus, Bruno Nolano, en diergelyken, benevens veele schoone Tekeningen en Prenten. Den Hoogleeraar, ten alderhoogste deswegens voldaan, aanbood hem zyn huis en tafel, als insgelyks het gebruik van zyn voortreffelyke Boekzaal geen van de minste in Groot Brittanje. Die vreede lievende man hield, zo ernstiglyk aan by onzen Konstenaar, van zich te willen vergelyken met Kortvrient, dat hy daar toe bewilligde, en ten dien einde wiert ‘er een t’ zamenkomst belegt ten huize des Geneesheers voorens gemelt, zynde hy verkoozen van weerskanten tot bemiddelaar van het onderling verschil.

Den Brusselaar verscheen ten huize des Hoogleeraars tegens het bestemt uur, echter verzelt by een Advokaat, of wel strydig tegens het verdrag. De byeenkomst wiert geopent, in de Latynsche taal, wyl Kortvrient geen Engelsch sprak, maar wel eenig Paapen of Keuken Latyn, nochtans voldoende om zich te doen verstaan. Korts daar aan wiert ‘er geschelt, en een Konstabel, benevens vier Gerechtsdienaars, en een Linkerman van Kortvrient, genaamt Bodas, kwam instuiven in de Eetzaal als een ramp voorbodende storm. Fluks vloog den Konstschilder overend, nam den Degen in de hand, posteerde zich in een hoek van de Zaal, en zwoer, dat hy den eersten die hem aanransde, de plaat van zyn Degen zou leggen tegens de Borst. De Huisbediendens des Hoogleeraars kwamen toeschieten op dat duivels geraas, bestaande in een Koetsier, Lyfknegt en twee Dienstmeiden.

Jakob Campo Weyerman, gewoon zyn geest altoos zo blank te houden in alle schielyke gevaaren als zyn kling, wenkte den Lyfknegt, en zei hem zachtjes de deur te openen van het Huis. Onderwyl was den Hoogleeraar in gesprek met den Konstabel, en las de volmagt om den Schilder in Hechtenis te nemen; doch die was op geheel iets anders bedacht. En stoof eensklaps na de deur van de Eetzaal, greep een daar by staande Gerechtsdienaar by de kladden, wierp hem met de tanden tegens den planken vloer, gewan de deur des huis, en sprong van het Balkon op de straat, en wip was den Heihaas. Den Hoogleeraar Johan Woodward, ziende dat zyn vrient die hinderlaag was ontsnapt, belachte den Konstabel schimpiglyk. Onder meer anderen beet hy hem toe, “dat den Koning van Engelant hem nooit zou aanstellen tot Gouverneur van den Tour, dewyl hy een enkelt Man niet kon bewaaren, by vier Dienaars van de Justitie, benevens een gespan onbevoorrechte Hapschaars, meenende Kortvrient en Bodas, verzelt”. Den Konstabel sloop weg benevens zyn Janitzaaren, druipstaartende, opgevolgt by Kortvrient en Bodas, rykelyk uitgejouwt by ’s Hoogleeraars Huisbedienden.

Het zou een onderneming zyn van den Wysgeer Xanthus, die aannam de gantsche Zee uit te drinken, om maar de merkwaardigste avontuuren van onzen Konstschilder te willen aanhaalen in ons bepaalt bestek. Alzo min konnen wy den Leezer een naamrol opstellen van zyn Schriften, dewyl hy zelf daar van geen lyst heeft gehouden: echter zullen wy dezelve na ons best onthoud alhier aanhaalen, zonder de beweegreden waar door hy de pen opvatte te vergeten.

Strijd tegen de Amsterdamsche Argus


Op een tyd was Jakob Campo Weyerman gezeten in het Koffihuis van Schoonenberg, tot Rotterdam, en las de kourant welstaanshalve, toen hem den Koffihuisknegt een papier aanbood, getytelt den Amsterdamsche Argus. Hy doorliep dat schrift met nieuwsgierige blikken, doch bevont het een raats beslag ’t zamen geflanst uit Duivelshoeks aardigheeden, en kruyers zinspreuken noch wel zo walchlyk als mostaart en room. Zeeker Argus gezinde vroeg den Konstschilder, of hy het beter zou maaken en hy antwoorde van ja, voor ’t minst meer behaaglyk aan de smaak van de beschaafde weerelt. ’s Maandags daar aan volgende zei hem een vrient, dat den schryver van dat papier eenige beleedigende aanmerkingen had gemaakt op zyn Persoon, gevolglyk hy nu gerechtiglyk was bevoegt om de pen op te vatten. “Dat zal geschieden”, sprak den ligtgeraakte Konstenaar, “alhoewel ik ducht dat die lompert zich naamaals zal beroemen, dat ik myn pen heb getrokken tegens een schim”.

Vervolgens schreef hy een weekelyks papier, getytelt den Rotterdamsche Hermes, by wyze van een zinspeeling op Argus, die by Merkuur (ook Hermes genaamt) den kop wiert afgeknipt, in gestaltverwisselingen.

Lijst publicaties
Voor zoo verre myn geheugen reikt, zal ik alhier den naamlyst ter neerstellen van Jacob Campo Weyermans gedrukte Boeken.

Boeken gedrukt in Vieren, gezegt in Quarto.

De Rotterdamsche Hermes. Een Deel.
De Amsterdamsche Hermes. Twee Deelen.
Den Ontleeder der Gebreeken. Twee Deelen.
De Echo des Weerelds. Twee Deelen.
Den Vrolyken Tuchtheer. Een Deel.
Den Vrolyken Kluizenaar. Een Deel.
Den Verreziende Heremyt.
De Naakte Waarheit.
De Historie des Pausdoms. Drie Deelen.
Aanhangsel tot de Historie des Pausdoms. Een Deel.
Moses Markus. Een Deel.
Den Adelaar. Een Deel.
Blyspellen, benevens den sleutel, en eenige vertaalde Gezangen uit Anakreon. Een Deel.
De Leevens byzonderheden der Nederlandsche Konstschilders en Kostschilderessen. Drie deelen.
Letterlievende, Zeedekundige, Historische stichtelyke Betrachtingen. Een Deel.
Den Laplandsche Tovertrommel. Een Deel.
Verdeediging voor ***. Een Deel.
Merkuur Actionist, benevens verscheide Bruylofts gezangen.
Teegen-Ontleeder, &c.

Boeken gedrukt in Achten, gezegt in Octavo.

’t Zamenspraak der Dooden. Twee Deelen.
Aanmerkingen over de t’ zamenspraaken tusschen een Geneesheer en zyn Lyders.
Vertoog over de Koffi, &c.
Het Leeven van Alexander den zesde, en Caesar Borgia Twee Deelen.
Verdeediging tegen Alexander le Roux.
Het Leeven van den Kolonel Charters.
Een vertoog over drie beruchte Vrysteden.
De Leevens byzonderheden van Laureys Arminius, Robert Hennebo, Jakob Veenhuyzen, &c.
Twee vertoogen over de Zonden, &c.
Drie blyspellen, gedrukt te Breda. Twee Deelen.
Het Leevens bedryf van den gewaande Goudmaker, den Baron van Syberg.
De Voorlooper von den Antwerpschen Kourantier.
Don Francisco Bitterheilig en Dona Maria Mandol.

Cum multis aliis quae nunc prescribere longum est.

Hier zouden wy ons afscheid neemen van Jakob Campo Weyerman, berucht by zyn Konstpenseel en by zyn Pen. Indien zyn Leevensbyzonderheden van zyn Jongelingschap tot aan zyn Grysheid; ons niet in de hand kwamen waar wy die hier doen volgen.

EENIGE
LEEVENS BYZONDERHEDEN
VAN
JAKOB CAMPO WEYERMAN,
KONSTSCHILDER &c.

Ik zal geen begin maaken met de destruktie van troyen, om eenige byzonderheden myns Leevens af te leiden van dat onzeker tydmerk, zegt den Schryver van deeze Boekdeelen, en noch minder zal ik den Leezer verdrietig vallen in hem te onderhouden met eenige Kinderachtige passagien von myn eerste jeugd, volgens de loslyke gewoonte der Fransche Memorie Schryvers, die doorgaans beginnen met de wieg, gelyk als den Trap des Ouderdoms, en met het Kloosterleeven eindigen, dat is het hek met een bus sluiten, om quansuis door de eenzaame leevenswyzen eeniger jaaren alle de gruwelen, zo in den Oorlog, twee Gevegten, als in het bevlekken van het Kuische Huwelyksbed gepleegt, schoon uit te veegen, en met den Hemel te liquideeren. Neen Leezer, ik zal de eer hebben van uw eenige aangenaame byzonderheden, my als Konstschilder, en niet als Student in de Godgeleerdheit, en in, de Geneeskunde, ontmoet voor te disschen, ik zal zonder uw gedult te vermoeien door een langdraadige inleiding kavalierement beginnen.

De beginsels der Tekenkonst heb ik geleert by den Bredaschen Konstschilder naderhand onderwees my Ferdinand van Kessel Schilder van den Koning van Polen, in de behandeling der olieverwen ten laatsten geraakte ik tot Antwerpen by den Bloemschilder Simon Hardimé, die voor zich zelfs een goed Schilder was, doch die het alderminste talent niet had om een leerling te onderwyzen, zo dat ik voor het grootste gedeelte myn konst ben verschuldigt aan myn eigen naarstigheit en aan vlytig Schilderen na het leeven. Zo dra als ik oordeelde te konnen flodderen op myn eige wieken trok ik van den Briel over naar Engeland en belande te Londen, daar ik aanstonds kennis kreeg aan eenige Nederlandsche en Brabandsche Konstschilders, welke kennis my zo noodig was, als een raazende Paap dienstig is op een Meyerysdorp, doch met ‘er tyd ontsloeg ik my van dat doorluchtig gezelschap, dat zo na vermaagschapt is aan de Roomsche bend, als de Baronie van Breda grenst aan den Brabandschen bodem. Een eenig Brabander verkoos ik tot myn vriend, genaamt Peeters, een verdienstig Konstschilder, die beide de beschouwelyke kennis en de practyk bezat in de Schilderkonst en die my onderwees in de houding, waar in ik zoo geverseert was, als een Kurassous planter geoeffent is in de beschavende geleerdheid. Myn eerste voorval was met den Ridder Godefried Knellert wiens Schilderyen of konterfytzels ik een tyd lang had gestoffeert, met bloemen en fruiten, vogels, en kruiden, van wien ik maar de helft voor myn Konst vorderde, achtervolgens dat ik wiert betaalt by andere Schilders, en die des niet tegenstaande, myn beleefdheit met een Lubeksche Zwynetrekkers ondankbaarheit behandelde. Dat geval luid aldus.

Een zeker Milord, die al overlang is nedergedaalt ter schimmen, sloot een verdrag met my om voor hem een Kamer te Schilderen bestaande in vier groote stukken negentien voeten in de hoogte, en tusschen de zeven en acht voeten in de breete, benevens een Schoorsteen stuk, en een langwerpig stukje boven de deur voor welke stukken, ik een somme van Hondert-en-twintig Ponde Sterlings had bedongen. Ik kogt daar op geplemuurde schilderdoeken, liet die opspannen, en begon naarstiglyk te ordonneeren, te doodverwen, en te Schilderen toen die Milord lust kreeg om zich noch eens voor zyn dood te doen Konterfyten by den Ridder Godefried, want hy was oud, en was getrouwt met een jonge Lady, twee een naderent Sterflot voorbodende Komeeten. Zo dra was Milord niet gezeten om geportretteert te worden, of den Lubekker zogt een praatje en na dat hy zyn inlydings Predikatie over het weer en over het Kourantnieuws had uitgeput, vroeg hy aan zyn Lordschap; of hy noch niet had geresolveert om die Zaal, waar over Milord hem eenige tyd geleeden, had geraadpleeg te doen beschilderen: die Pair des Ryks repliceerde, dat hy reeds met my een verding had gemaakt, en dat ik werkelyk bezig was met die stukken te bemaalen met bloemen, fruiten, vogels, dieren, kruiden, goude en zilvere Vaaten, en alzulke vrolyke voorwerpen. Zo dra als Godefried Kneller dat hoorde lei hy zyn palet en penceelen op een nabystaande stoel, en begon te balken, als een boere koster die een vreemde koe ziet graazen op het Kerkhof, en schreeuwde; Ha Milord, dat is een onvoorzichtig akkoort, indien ik de vryheit mag gebruiken van zyn Lordschap zulks te zeggen tegenwoordig is de Winter op handen, daar zyn noch schoone bloemen, noch fruiten, noch groene kruiden, waar door zich Campo zal moeten bedienen van geschilderde modellen van kapidoglios vruchtstafereellen, en dat zal zo wel niet uytvallen, dan of uw Lordschap hem die toneelen liet beginnen met de Lente, en eindigen met den Herfst, want niets overtreft het leeven. Het is waar, dat hy voor zo ver niet mistaste, maar dien dommekracht was, niet onkundig van myne leevenswyze, hy wist van my dat ik als een gebooren Engelsman leefde, dat ‘er gevolglyk altoos te kort kwam, nooit overschoot, en dat ik zo min bestendig was tegens het uitstellen als een versch ontgonne Indiaansche juffer, zynde uitstel myn dood, en voortgang myn leeven, za draa als Milord die doodelyke waarschouwing had gehoort, zont hy sluks zyn kamerdienaar die zyn rechterhand en zyn linkerman was, na myn logement, met eene interdiktie van niet voort te gaan met die stukken voor dat de aanstaande Lente het aardryk kwam vercieren met het Jaarlyks tapyt van veel koleurige bloemen. Geen Maartsche Donderslag klonk my ooit door de herssens met een verschrikkelyker geluit dan die onaangename postyding, ik kreeg alzo veel koleuren als een bloemtafreel, en ik wist niet of ik droomde, dan of ik waakte, ook wiert ik niet wakker, dan om de rol te speelen van den raazende Roelant. Ik sprong op als een ontstooken vuurpyl, schopte eenige van die begonne Konststukken in stukken, ontleede de overigen met myn degen, brak de raamen, en dat ik die oefening der beeldstormers verzelde met eenige stopwoorden, die een ander ongeblankette verwenschingen zou doopen, zal den Leezer gemakkelyk konnen gelooven. Ondertusschen zat den kamerdienaar te kyken, als een verweezen Brit die, overtuigt van de gemeene wegen gerooft te hebben, zyn doodvonnis ontfangt voor de rechtbank van de Oldbaily: doch ziende dat ik een weynig begon te bedaren, sprak hy my vriendelyk toe, en verzogt my of ik hem wilde trakteeren op een fles Klairet? waar op ik fluks een fles met een paar gespoelde kelken liet boven komen, en in die bezitting zynde gingen wy te zamen zitten drinken. Onder die oeffening bedaarde ik allengs en begon eyndelyk eens hartiglyk te lacghen, over myn begaane Schilderyslachting, dat hy zo dra niet bespeurde, en daar uit eene aanstaande kalmte, op de onstelde zee van myn ziel voorziende, vroeg hy my; Of hy dat Treurspel aan Milord zou rapporteeren in alle deszelfs omstandigheden, dan of hy het met een floers van stilzwygendheit wilde verduisteren? waar op ik repliceerde; dat het eerste my zo onverschillig was als het laatste, en dat ik my eer voor een slaaf zou verkoopen, en oversteeken na de Engelsche Westindien, dan een trosje Aurikulas voor Milord, ik laat staan een gantsche zaal, te Schilderen, en dat ik hem anders niet had te zeggen. Waarschynlyk zal dien Hoveling van de Kleederkamer te bescheiden zyn geweest, als om den ouden Heer met die onaangenaame boodschap te ontstellen, altoos ik heb ‘er zedert niet na getaalt, en Milord die korts daar na hemelde had geen gelegendheit om my daar over zyn misnoegen te doen blyken.

Zo dra was dien Ongeluksboode niet vertrokken, of ik kleede my, en liet my in een huurkaros voeren na het huis van den Ridder Kneller die op dien tyd woonde onder de Gallery van Konventgarden. Milord was reeds vertrokken toen ik in zyn Schilderkamer trat, doch het gedoodverwt Konterfeitsel dat noch op den Schilder ezel stont, bragt op nieuws een gisting in myn pas bedaard bloed, derhalven bedankte ik den Lubekchen Konterfyter, voor den dienst die hy my zo onlangs had gedaan, in verontwaardigende termen, ik beloofde hem, van hem zulks te errinneren, zo dra als ik het geluk aantrof van hem op de straat, in het Koffihuis, of in een Wynherberg te ontmoeten. Den Chevalier Godefried poogde my in het begin te stillen, en hy beloofde my lafhartiglyk van my, eerstdaags eenige andere Bloemstukken voor een Milords Weduwe te laaten Schilderen; doch ten laatsten ziende dat ik al even bitter voortging in hem te dreigen en te schelden, rees hy ten laatsten op uit zyn Schilderstoel, en hy vroeg my met een nagebootste fierheid; of ik wel wist dat hy domestieken had, die niet zoude toestaan dat ik hun Heer zou mishandelen in zyn eigen huis, en dat hy maar een venster behoefde te openen om die te beroepe, en te doen opkomen, maar ik beantwoorde, die vraag in zulke beduidende termen, dat hy de vlugt nam in een nabuurig vertrek het welk hy na zich toetrok, waar door ik de trappen afging, en dien ondankbaaren Lubekker Konterfyter voor het geen hy was liet berusten.

Veele ongemeene avontuuren heb ik gehad in Engelant, zo ten opzigt van myn beroep als Bloemschilder, als uit hoofde van andere voorvallen doch dewyl ik my niet wil inlaaten in een langduurige oprekening van alle die byzonderheden te meer daar ik scheep kom voor Autheur van de Leevensbeschryvingen der Nederlandsche Konstschilders en Konstschilderessen, en niet Historieschryver van myne byzondere leevensgevallen zal ik het kort en goed maaken en dit Deel besluiten.