Voetnoot 198

Verjaagde vorst ontmoet verloren zoon

donderdag 11 februari 2021 – De eerste samenspraak in de Maandelyksche ’t Zamenspraaken (1726) van Weyerman wordt voorafgegaan door een sfeertekening. Weyerman schildert een landschap en zet ons een kosmisch delirium voor. Hij moet immers uitleggen hoe hij op een plek terechtkomt waar hij doden kan horen en zien. Aan die lange inleiding ga ik hier graag voorbij.[1]

Het eerste gesprek wordt gevoerd door Jakob den Tweede en zijn zoon, de Ridder van St. Joris. Jacobus II was in 1688 door Willem III van de Engelse troon gejaagd. Hij overleed in 1701. Zijn zoon James Francis Edward Stuart (1688-1766) was nog in leven toen Weyerman het gesprek schreef. Weyerman, die overtuigd Orangist én protestant was, zet in deze samenspraak Jakob en de Ridder als vader en zoon neer. Hij sluit zich dus niet aan bij de lasterpraat, dat James Frances Edward Stuart een ondergeschoven kind van Jacobus II en zijn vrouw zou zijn.

De tekst hinkt op twee gedachten. Enerzijds zet Weyerman de beide heren als flierefluiters neer: het gesprek gaat voor een groot deel over hun maîtresses. Anderzijds zijn de ‘zeedekundige’ wijsheden niet van de lucht. 

De korte inhoud: Jakob en de Ridder komen elkaar tegen. De Ridder vertelt dat hij liever een gemakkelijk en amoureus leven leidt dan een krijgszuchtig bestaan. Ook vertelt hij kort over Philip Sidney, die aan het hof in hoog aanzien stond, vooral bij de dames, maar daar geen genoegen in schiep en ten strijde trok. Hij sneuvelde bij Zutphen … Jakob valt hem bij en schetst het leven van de hertog van Monmouth, een buitenechtelijke zoon van Karel II. Deze bleef naar macht dorsten en deed uiteindelijk een greep naar het koningschap. Jakob moest hem daarom laten terechtstellen.

Dan komt Jakob te spreken over verliefdheid en over vrouwen. Zelf had hij de hertogin van Soutthaske (Southesk) als minnares. Hij schetst haar karakter en zet haar man als allesbehalve snugger neer. Maar dan gaat hij moraliseren. Aangezien vrouwen oud en lelijk worden, aldus Jakob, raadt hij de Ridder aan om zijn minnares Milady Es (Eys, hertogin van Inverness) te laten schieten. De Ridder werpt nog tegen dat het vlees zwak is en dat vrijen natuurlijk is, maar met nog een paar filosofische stappen maakt Jakob een einde aan het gesprek. Vrouwen zijn alleen op geld uit, zegt hij, en eigenlijk is het iedereen alleen om geld te doen. Ook de hertogin van Inverness is ongetwijfeld (ook voor anderen!) te koop. Jakob stelt ook nog dat het van alle tijden is om je gunsten te verkopen. Daarna verdwijnen hij en de Ridder van het toneel.

Weyerman heeft het gesprek doorspekt met anekdotes. Normaal gesproken zijn er wel een paar naar buitenlandse bronnen te herleiden, maar dat blijkt bij deze samenspraak een hele puzzel. Marco de Niet besprak deze tekst in 1997.[2] Hij vroeg zich af of Weyerman zijn adellijke roddels uit The secret history of Whitehall geput kon hebben.[3]Deze suggestie houdt echter geen stand, aangezien dat boek louter gaat over de Engels-Franse diplomatieke contacten. Anekdotes over hofdames staan er niet in.

Weyerman beweert in het ‘Aan den Leezer’ van de Maadelyksche ’t Zamenspraaken dat hij zal komen met ‘Vertellingen en ongemeene Voorvallen [die] ik uyt de Mond van de Bloem des Engelsche Adels heb gehoort’.[4] Daar geloof ik, eerlijk gezegd, niets van, maar ik moet toegeven dat ik voor geen enkel smeuïg verhaal een gedrukte bron gevonden heb.[5]

Hungerford – Het verhaal over Hungerford, die tienduizend pond over had voor een nacht met de hertogin van Cleveland, is welbekend, maar waar Weyerman het vandaan had?[6] Weyerman vertelde het ruim tien jaar later in heel andere bewoordingen nog eens.[7] In 1726 kende hij Hungerfords voornaam nog niet (hij noemt hem ‘N.’), in 1738 noemt hij hem Willem. Maar waarschijnlijk ging het om Sir Edward Hungerford (1632-1711), die de reputatie had dat hij met geld smeet.

Marlborough – De anekdote over de hertog van Marlborough, die aan de kaarttafel weigert geld te lenen aan de hertogin van Cleveland, klinkt geloofwaardig.[8] In de loop van de achttiende eeuw werd het verhaal voor waar aangenomen, maar een zeventiende-eeuwse bevestiging ervan heb ik niet gevonden. Ik ken maar één bron voor dit verhaal van vóór 1726: Mary Delariviere Manley. Deze auteur heeft een reeks boeken vol roddels en aantijgingen op haar naam staan, waarin de namen van de optredende personen gecodeerd zijn. In 1709 nam zij een tranentrekkende versie van het verhaal op in haar Secret memoirs and manners of several persons of quality.[9] Bij dit werk heb ik geen sleutel kunnen vinden. Een veel ingetogener versie staat in haar The adventures of Rivella uit 1714.[10] Dit boek is een enigszins gekleurde autobiografie. Haar uitgever, het commerciële genie Edmund Curll, verzorgde later een herdruk die wel van een sleutel is voorzien – Rivella is Manley, Hilaria is de hertogin van Cleveland, en Fortunatus is Marlborough:[11]

Rivella has often told me, that from Hilaria she receiv’d the first ill impressions of Count Fortunatus, touching his Ingratitude, Immorality, and Avarice; being her self an Eye-Witness when he deny’d Hilaria (who had given him Thousands) the common Civility of lending her Twenty Guineas at Basset; which, together with betraying his Master, and raising himself by his Sister’s Dishonour, she had always esteem’d a just and flaming Subject for Satire.

Hoe graag ik ook Manley aan de lijst van door Weyerman gelezen auteurs zou willen toevoegen, deze anekdote biedt er geen goed bewijs voor. Weyerman zou nog ‘Twelve’ in plaats van ‘Twenty’ gelezen kunnen hebben, maar beide versies van het verhaal komen alleen inhoudelijk enigszins overeen; de bewoordingen staan ver van elkaar af.

Southesk – Bevatten de vorige twee verhalen mogelijk een grote kern van waarheid, het lijkt anders te liggen met de drie verhaaltjes die Jakob vertelt om duidelijk te maken dat de graaf van Southesk een sukkel was. Weyerman zou ze allemaal zó uit een moppenboek overgenomen kunnen hebben. Met een ervan is wel iets bijzonders:

Op een zeker tyd stont Milord met een gezelschap van Land-Edelluyden op een hooge berg na by Oxfort, als wanneer ‘er een van die geleerde Schildknaapen, zey: Dam me! Milord, dit zou een heerlyke Standplaats zyn voor een Windmolen. Dat is waar, (repliceerde Milord wyslyk) maar waar Duy** zou je het water van daan krygen om hem te doen maalen.[12]

Weyerman duidt met een voetnoot namelijk de locatie heel precies aan: ‘Die berg wort genoemt Shot over Hill’. Shotover Hill ligt een kleine 5 kilometer ten oosten van Oxford. Ik heb geen idee wat de graaf daar te zoeken zou hebben, maar als Weyerman inderdaad in Oxford gestudeerd heeft, dan zal hijzelf wél met deze plek bekend geweest zijn. Het was namelijk een ontmoetingsplek voor studenten uit Oxford. Ook had dokter John Woodward, bij wie Weyerman op kamers gewoond zou hebben, er fossielen vandaan.

Cornaro – Naast veel zedenkunde heeft Weyerman ook de nodige medische verwijzingen in deze samenspraak opgenomen. Eenmaal noemt hij daarbij een buitenlandse naam:

[…] zyn ‘er ook geen vaste Regels opgestelt voor het Eeten en Drinken? Heeft Louis Cornaro niet een Vertoog uitgegeeven over alle de Geryflykheden van een maatige Leevenswyze?

Luigi Cornaro zette halverwege de zestiende eeuw zijn ervaringen met diëten op papier en liet die ook in druk verschijnen. Dat Weyerman hem Louis noemt, heeft, denk ik, een simpele verklaring. Het werk van Cornaro was bijzonder populair en in 1703 was er een Nederlandse uitgave verschenen waarvan de auteursnaam als ‘Louis Cornaro’ geschreven was: Raad-geeving, en verseekerde middelen, om seer gemakkelyk honderd en meer jaaren in een volkomen goede gesondheid te konnen leeven (Leiden 1703).

Tot slot – Is er dan bij deze hele samenspraak geen enkele bron aan te wijzen? Nou, toch wel: de feiten in de korte biografieën van Sir Philip Sidney en de hertog van Monmouth komen tot in detail overeen met de bijpassende lemmata in het supplement op het woordenboek van Moréri.[13] Weyerman heeft de toon van die levensbeschrijvingen heel treffend aangepast aan het karakter van de spreker (de Ridder bij Sidney, Jakob bij Monmouth), maar de overeenkomsten blijven onmiskenbaar. – Jac Fuchs


[1] De goed ingevoerde Voetnootlezer begrijpt direct dat dit betekent dat ik er niet in ben geslaagd in die inleiding een vertaalde passage aan te wijzen …

[2] Marco de Niet, ‘De Pynbank van een vruchtelooze Verwachting. Weyerman en de kwellingen van Jacobus III’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 20 (1997), p. 82-88.

[3] De Niet noemt 1717 als verschijningsdatum, maar de eerste druk van dit werk was al in 1697 verschenen. De auteur is David Jones.

[4] Maandelyksche ’t Zamenspraaken, juli 1726, ‘Aan den Leezer’, ongenummerde tweede bladzijde.

[5] Zulke werken moeten er beslist wel geweest zijn. Alleen Alexander Smith, The school of Venus, or, Cupid restor’d to sight; being a history of cuckolds and cuckold-makers, contain’d in an account of the secret amours and pleasant intrigues ouf our British kings, noblemen, and others (Londen 1716) komt in de buurt. Maar Weyermans verhalen heb ik in dat boek niet aangetroffen.

[6] Maandelyksche ’t Zamenspraaken, juli 1726, p. 59-64.

[7] De zeldzaame leevens-byzonderheden van Laurens Arminius, Jakob Campo Weyerman, Robert Hennebo, Jakob Veenhuyzen, en veele andere beruchte personaadgien (Amsterdam 1738), p. 145-150.

[8] Maandelyksche ’t Zamenspraaken, juli 1726, p. 75.

[9] Mary Delariviere Manley, Secret memoirs and manners of several persons of quality, of both sexes. From the New Atalantis, an island in the Mediteranean. Written originally in Italian (Londen 1709), p. 43. De link verwijst naar de tweede druk uit hetzelfde jaar.

[10] Mary Delariviere Manley, The adventures of Rivella, or the history of the author of the four volumes of the New Atlantis (Londen 1714), p. 33.

[11] Bovenaan de bladzijden van de heruitgave staat nog steeds ‘The History of Rivella’. Niet alleen voegde Curll een korte inleiding toe, en dus tevens de sleutel, ook voorzag hij de herdruk van een pakkende nieuwe titel: Mrs. Manley’s history of her own life and times. Published from her original manuscript (Londen 1724). Het was een van de technieken die Curll gebruikte om zijn verkoopcijfers op te krikken.

[12] Maandelyksche ’t Zamenspraaken, juli 1726, p. 55.

[13] Maandelyksche ’t Zamenspraaken, (juli 1726), p. 27-28 resp. 30-41; Supplement aux anciennes editions du grand dictionaire historique de Mre. Louis Moreri (Amsterdam/Den Haag/Utrecht 1716), lemma Sidney (Philippe), resp. Monmouth (Jaques Scot, Duc de).

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.