Voetnoot 218

Twee gedichten van Weyerman

dinsdag 3 juni 2021 – Weyerman voegde met enige regelmaat versregels in zijn periodieken in. Een voorbeeld: de Amsterdamsche Hermes van 2 februari 1723 bevat een zogenaamde ingezonden brief, waarin ene Anonymus Rechtzinnig aan Weyerman vraagt waarom hij altijd mensen bekritiseert.

Weyerman kan beter een keer voorbeeldige tijdgenoten prijzen, zo luidt het advies: ‘Het is meer eer aan een Geneesheer, de gezondheid te bewaaren, dan de ziekte te verjaagen’. Ook het antwoord van Hermes bevat een medisch beeld. Hij geeft het in versregels:[1]

In naarvolging van zeeker vermaard Dichter, die zyn schuldeischers met veerzen betaalde, zal Jupyns zoon, die ongeblankette Missive, beandwoorden met een Dichtje.
Een britsche Worstelaar, die, als een jonge bruid,
Op ’t minste beentje viel, vermast, veracht verslagen,
Verliet die priegel-konst, verkoos vry beter dagen
En wiert een Medicus, tot voordeel van zyn huid.
En Waarom deé hy dat? Dat zal uw Hermes melden;
 Om die te vellen die hem eertyds nedervelden.[2]

 Quid hoc? Num quos aliquando non potuisti nunc prosternis?   Laertius.

Dat zou je als een zwaktebod kunnen interpreteren: Weyerman is mensen gaan bekritiseren omdat hij vóór hij schrijver werd, telkens aan het kortste eind trok. Maar dat is niet wat hij hier uitstraalt. Hij lijkt dit vers geplaatst te hebben omdat hij er medici mee kon bekritiseren, en zeker ook omdat hij er trots op was.

Wat mij opvalt aan het vers is dat Weyerman er een Latijnse voetnoot bij plaatste: het ging op een klassiek voorbeeld terug. En dat komen we verderop in de Amsterdamsche Hermes nog een keer tegen. Op 17 augustus 1723 vat hij de leer van Epictetus (de mens streeft naar het opperste genot) in acht regels samen en ook hier plaatst hij een Latijnse voetnoot:[3]

Als * Epikteet ons komt te leeren,
Dat ieder Monnik en devoot,
In ’t uithangbort van ’t daag’lyks broot,
Graag wil logeeren,
Dan zegt hy; dat de Buik ‘t Noodwendig maar beoogt,
Dat Paap, of Non, met al die lorren, lappen, leuren,
Na ’t lekker en vermaak’lyk poogt.
’t Geen Epikteet daar leert, dat zien we nog gebeuren.

* Epictetus interrogatus, ubi Pietas? Respondit ubi Utilitas.

Latijnse voetnoten zijn bij Weyerman vaak een aanwijzing dat hij zich bij het schrijven door het werk van een andere auteur liet inspireren. Ik heb wel een suggestie welk werk dat in deze twee gevallen geweest kan zijn, maar ik ga die niet als een onweerspreekbare waarheid brengen: er zitten haken en ogen aan.

De beide voetnoten trof ik alleen aan in Recueil des apophtegmes van de Jezuïet Michel Mourgues (1642?-1713). [4] Ze worden elk voorafgegaan door een gedichtje dat evenveel regels heeft als bij Weyerman. Het gaat om: ‘L’athlete devenu Medecin’ en ‘Contre la Piété interessée’.[5]

Mourgues doceerde wiskunde en retorica aan de universiteit van Toulouse en publiceerde over wiskunde, theologie, literatuur en filosofie. Tegenwoordig is hij vrijwel vergeten.

Zoals Jean de la Fontaine zijn fabels ter lering opdroeg aan de oudste zoon van Lodewijk XIV, droeg Mourgues zijn Recueil ter lering op aan de, in 1682 geboren, oudste kleinzoon van Lodewijk XIV (de Duc de Bourgogne). Het bevat tot gedichten omgewerkte leerzame uitspraken van kopstukken uit de Oudheid en uit recentere tijden: satire, waar Mourgues toch al weinig mee had, was in dit werk niet op zijn plaats.

Als we de gedichten van Mourgues naast die van Weyerman leggen, valt allereerst op dat de vorm van de gedichten overeenkomt. De worstelaar telt bij beide auteurs zes regels, en Epictetus bij beiden acht, en op elk gedicht volgt het Latijnse citaat. In de kop van het eerste gedicht heeft Mourgues het slechts over een atleet, maar het blijkt wel degelijk om een worstelaar te gaan: het laatste Franse woord ‘Luiteur’ zal een zetfout voor of een oudere vorm van ‘Lutteur’, worstelaar, zijn.

Maar er zijn ook verschillen: als Weyerman Mourgues als voorbeeld gebruikt heeft, heeft hij een behoorlijk vrije bewerking gemaakt. In het eerste gedicht spreekt bij Mourgues Diogenes de atleet aan, terwijl bij Weyerman Hermes zich tot de lezer richt. Ook ontbreekt bij hem de bronverwijzing ‘Tuningius Leydensis’ in de voetnoot bij het tweede gedicht. Vooral in het tweede gedicht heeft Weyerman de toon fors aangescherpt, maar zoals gezegd schreef Mourgues voor beschaafde kringen, terwijl Weyerman meer van de satire was. En juist in dat tweede gedicht zit dan weer de opvallende overeenkomst van ‘Loge volontiers à l’ensigne’ met ‘In ’t uithangbort […] / Graag wil logeeren’.

Een vergelijking van de citaten en bronvermeldingen bij de gedichten in het Recueil met zinnen in het Latijn, Spaans en Italiaans bij Weyerman heeft geen derde overeenkomst tussen het Recueil en Weyermans periodieken opgeleverd. Dat is jammer, want meer overeenkomsten zouden mij welkom geweest zijn. Twee ontleningen uit een werk van zo’n 200 pagina’s is voor Weyermans doen een mager aantal. En gezegd moet worden dat het werk van Mourgues in zijn tijd al niet algemeen verspreid was. Er is dus zeker discussie mogelijk over deze signalering, maar ik heb Mourgues toch alvast met potlood bijgeschreven in het rijtje van Jezuïeten uit wier werken Weyerman geput heeft. – Jac Fuchs 


[1] Amsterdamsche Hermes, deel 2, nr. 19 (2 februari 1723), p 152.

[2] In de tijdschriften van Weyerman worden zinnen in de directe rede niet tussen aanhalingstekens geplaatst, maar gecursiveerd.

[3] Amsterdamsche Hermes, deel 2, nr. 47 (17 augustus 1723), p 375.

[4] Michel Mourgues, Recueil des apophtegmes ou bons mots anciens et modernes mis en vers françois (Toulouse [1694]). Op het internet is een lezing te bekijken die de Franse literatuurhistoricus Philippe Chométy in 2012 over dit werk gehouden heeft.

[5] De links verwijzen naar resp. p. 193 en p. 3-4 van de tweede druk uit 1695. Volgens Philippe Chométy zijn er slechts twee drukken bekend, uit 1694 en 1695, die beide in Toulouse verschenen zijn. Maar het exemplaar dat in Google Books als eerste druk uit 1694 is geafficheerd, is niet gedateerd. Hierin wordt aan het einde van het voorwerk een imprimatur vermeld voor het Traité de la poësie françoise van Mourgues, dat op 22 april 1697 is afgegeven. Het is niet te zien of de betreffende pagina deel uitmaakt van het Recueil, of er abusievelijk in terechtgekomen is. In dat exemplaar ‘uit 1694’ staan de gedichten op p. 231 resp. 4.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.