Egypte in het werk van Jacob Campo Weyerman (2)

Weyermans bronnen

woensdag 18 augustus 2021 – Sprinkhanen die kakelen ‘als Memnons beeld, wanneer het doorwarmt wiert door blyde straalen van Aurora’. In Den Amsterdamschen Hermes laat Weyerman merken dat hij bekend is met de Memnonkolossen in Egypte. En dat niet alleen: hij is er duidelijk van op de hoogte dat een van die beelden bij zonsopgang een raadselachtig geluid voortbracht. Hoe kwam Weyerman aan zijn kennis over Egypte? 

Pietro della Valle (1586-1652)
Weyerman was bekend met diverse personen die over hun reis naar Egypte hebben geschreven. Dat blijkt bijvoorbeeld uit De historie des pausdoms, waarin hij de Italiaanse componist, musicoloog en auteur Pietro della Valle noemt, die vanaf 1615 het Heilige Land, het Midden-Oosten, Noord-Afrika en India heeft bezocht.[1] 

Pietro della Valle schrijft over zijn reizen in een zesdelige reeks, die in 1666 na zijn dood is verschenen. In het eerste deel doet hij verslag van zijn reis naar Egypte in 1615. Die voerde hem naar Alexandrië, Rosetta en Caïro. In Gizeh beklom hij de piramide van Cheops en liet op de top zijn naam achter. Vervolgens reisde hij door naar Sakkara, keerde terug naar Caïro om daarna door te trekken naar Sinaï en Jeruzalem.[2] De Memnonkolossen in Thebe heeft hij echter niet gezien. 

Cornelis de Bruijn (1652-1726/27)
In De levens-beschryvingen der Nederlandsche konst-schilders en konst-schilderessen schrijft Weyerman over Cornelis de Bruijn, die twee grote reizen heeft gemaakt.[3] De eerste (1674-1693) bracht hem onder andere naar Egypte, waar hij in 1681 op het Gizehplateau de piramide van Cheops beklom en op de top zijn naam in een van de stenen heeft aangebracht. 

De Bruijn heeft als eerste een tekening gemaakt van de binnenkant van de piramide, de Grote Galerij, die naar de grafkamer van koning Cheops leidt. In 1698 werd de tekening met ‘meer als 200 kunstplaaten’ gepubliceerd in een boek over zijn reizen. De Bruijn trok niet verder door naar het zuiden, hoewel hij graag naar Sakkara had willen gaan om daar in de necropolis de mummies te bekijken. Die tocht – vanuit Gizeh ca. 27 km – duurde echter zeven uur en hij voelde zich bezwaard om de consul te vragen hem op zijn reis te vergezellen. Het was echter te gevaarlijk om een lokale gids in te huren.[4] De Bruijn is dus niet verder naar het zuiden getrokken en ook hij heeft de Memnonkolossen in Thebe niet gezien. 

Athanasius Kircher (1601/2-1680)
De bekende Duitse jezuïet en geleerde Athanasius Kircher was eveneens een Egyptekenner. Zijn naam verschijnt een paar keer in Weyermans werk. Zo spreekt hij in Den Ontleeder der Gebreeken[5] over de ‘onderaardsche Weerelden van Kircherus’ en in de Maandelyksche ’t zamenspraaken[6] noemt hij Kirchers ‘zwaarmoedig Traktaat van de onderaardsche Weerelt’. In Den Amsterdamschen Hermes heeft Weyerman het over het ‘onderaards Roomen van Pater Kircherus’.[7] Weyerman refereert hier waarschijnlijk steeds naar Kirchers onderzoek naar het binnenste van de aarde, zoals beschreven in diens Mundus subterraneus.[8]

Van heel andere aard is zijn mededeling in het tweede deel van de Konst-schilders, waarin hij over Benjamin Blok (1631-1690) vertelt, die in Italië ‘den befaamden Jesuiet Athanasius Kircherus, konterfyte, een Man die al ommers zo veel boeken heeft geschreeven als onze Stichtsche Simon de Vries, doch vry hooger van toon zonder dat wy daarom behoeven te zweeren’.[9]

Kircher hield zich inderdaad met veel verschillende onderwerpen bezig, zoals muziek, magnetisme, geologie, talen en religie en publiceerde daarover in het Latijn bij de Amsterdamse boekverkoper Janssonius van Waesberge. Hij bestudeerde ook zeer intensief het Egyptische hiërogliefenschrift, dat hij meende te hebben ontcijferd. Zijn belangrijkste publicatie hierover is Oedipus aegyptiacus (Rome 1652-1654). Kirchers ideeën over de hiërogliefen waren echter niet juist, omdat hij deze als symbolen zag. Pas in 1822 zou het Champollion lukken om met behulp van de tekst op de steen van Rosetta het geheim van de hiërogliefen te ontrafelen. 

In Den Amsterdamschen Hermes maakt Weyerman een nogal negatieve opmerking over de activiteiten van Kircher op het gebied van hiërogliefen. Hij heeft het over de ‘beeldsprakelyke tekens der Egyptische * Uijen-vierders, waar over Kircherus, zo ongelettert, redeneert’.[10] Mogelijk had Weyerman negatieve verhalen over de vertaalprestaties van Kircher gehoord of gelezen. Weyerman uit zich wel vaker kritisch over jezuïeten, zoals ook blijkt uit de vergelijking: ‘Een Jesuiet is als het beeld van Memnon, dat vervrolykt wort door de warmte der gulde Zon’.[11]

Juvenalis 
In de voetnoot bij de ‘Uijen-vierders’, ofwel uienvereerders, verwijst Weyerman naar Juvenalis’ Satire XV over bijgeloof en kannibalisme in Egypte. Uien waren duidelijk heel belangrijk in het oude Egypte. Bij Juvenalis worden zij zelfs met ‘goden’ aangeduid:

En ’t is verboden ui of prei te snijden 
of af te bijten. Ja, wie deze goden
thuis in zijn tuin heeft, is wel uitverkoren!

Enkele versregels die hieraan voorafgaan, zijn voor dit artikel extra interessant, omdat hierin het zingende beeld van Memnon genoemd wordt: 

en waar het oude honderdpoortige Thebe
geruïneerd ligt en de wondertonen
uit Memnons resten klinken, fonkelt het 
van blinkend-gouden heilige apebeelden.[12]

En zo belanden we via een omweg bij een vroege bron uit de oudheid, waaruit Weyerman zeker geput kan hebben voor het zingende beeld van Memnon. Weyerman gebruikte Juvenalis’ Satiren regelmatig voor de motto’s die hij aan het begin van zijn tijdschriftafleveringen zette.

Tot slot

Kircher was behalve priester en geleerde ook uitvinder van allerlei machines, zogenaamde automata, die volgens de principes van hydraulica en pneumatica werkten. Hoewel Kircher nooit in Egypte was geweest, ontwierp hij een automaton van de zingende Memnon, die werkte op uitzetting van verhitte lucht. Een afbeelding hiervan liet hij in deel 2 van Oedipus Aegyptiacus uit 1653 opnemen.[13] Dit automaton was waarschijnlijk samen met andere exemplaren te bezichtigen in het privémuseum van Kircher in het Collegium Romanum in Rome.[14]

Een kritisch geluid over de zingende Memnon is te vinden in Wijsgeerige bespiegelingen over de Egyptenaaren en de Chineesen door kanunnik Cornelis de Pauw (1739-1799). In een passage over ‘het wezenlyke stemgeevende standbeeld van Memnon, of van Aménophis […], daar in de Oudheid zo veel van gesprooken wordt’, wijst hij zijn lezers op de vele onderaardse grotten en holen in de Egyptische kalkstenen bodem. Hij vindt het meer dan waarschijnlijk dat deze uitkwamen bij de voet van het beeld ‘zo dat men slegts met een metaalen instrument tegen de rots behoefde te slaan, om den Memnon geluid te doen geeven’. Toen de kennis over deze onderaardse holen verloren ging, hield ook het verschijnsel op, volgens De Pauw. Hij zet zijn theorie kracht bij met een soortgelijk voorbeeld uit de Griekse oudheid: 

De uitholing onder den voet van de Kolossus, daar ik van spreek, gemaakt, is geene zaak zonder voorbeeld; want onder het yvooren standbeeld van Esculapius te Epidaurus hadt men eveneens een’ put gegraaven, die meer schynt gediend te hebben om eenig Godsdienstig bedrog te begunstigen, dan om de vogtigheid in het yvoor te onderhouden, gelyk men den vreemdelingen poogde te overreeden.[15]

– Janny Roos (wordt vervolgd)

¶ Illustratie 1: de Memnonkolossen vanuit een luchtballon, door mij gemaakt in 2008. Illustratie 2: de automaton van de Zingende Memnon, gemaakt door Kircher.


[1] Jacob Campo Weyerman, De historie des pausdoms, dl. 1 (Amsterdam 1725), p. 252 en dl. 2 (Amsterdam 1725), p. 238.

[2] De volkome beschryving der voortreffelijcke reizen van de deurluchtige reisiger Pietro della Valle (Amsterdam 1666).

[3] Jakob Campo Weyerman, De levens-beschryvingen der Nederlandsche konst-schilders en konst-schilderessen, dl. 4 (Dordrecht 1769), p. 63-66.

[4] Cornelis de Bruyn, Reizen van Cornelis de Bruyn door de vermaardste deelen van Klein Asia (Delft 1698), p. 200.

[5] [Jacob Campo Weyerman], Den Ontleeder der Gebreeken, dl. 2, nr. 44 (13-8-1725), p. 345.

[6] Jacob Campo Weyerman, Maandelyksche ’t zamenspraaken (Amsterdam 1726), p. 231.

[7] [Jacob Campo Weyerman], Den Amsterdamschen Hermes, dl. 1, nr. 23 (3-3-1722), p. 183.

[8] Athanasius Kircher, Mundus subterraneus in XII. Libros. digestus (Amsterdam 1664).

[9] Weyerman, Levens-beschryvingen der Nederlandsche konst-schildersdl. 2 (’s-Gravenhage 1729), p. 287-288.

[10] [Weyerman], Den Amsterdamschen Hermes, dl. 2, nr. 10 (1-12-1722), p. 73.

[11] [Weyerman], Den Amsterdamschen Hermes, dl. 1, nr. 51 (15-9-1722), p. 407.

[12] Juvenalis, De Satiren, vert. M. d’Hane-Scheltema (Amsterdam 1984), p. 191.

[13] Athanasius Kircher, Oedipus aegyptiacus, dl. 2 (Rome 1653), p. 326.

[14] P.A. Rosenmeyer, The language of ruins. Greek and Latin inscriptions on the Memnon Colossus (Oxford 2010), p. 177-178.

[15] Cornelis de Pauw, Wijsgeerige bespiegelingen over de Egyptenaaren en de Chineesen, dl. 1 (Deventer 1773), p. 305-306.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.