Voetnoot 229

De raazerny der liefde

woensdag 8 september 2021 – In Den Echo des Weerelds staat een lang, frivool gedicht met de titel ‘De raazerny der liefde’.[1] Het vertelt over Sara, die dag en nacht bewaakt wordt door haar echtgenoot omdat ze dol is op mannen. Wanneer hij komt te overlijden, laat ze zich helemaal gaan. ‘Ten minsten eens per Maand [moet zij] veranderen van Haan’. 

De kapelaan spreekt haar aan op haar gedrag, maar zij zegt dat ze er niets aan kan doen, want zij is lang geleden gebeten door een dolle hond. Men raadde haar toen aan zich te baden in het zoute zeewater. Dat deed zij, maar zij sloeg uit schaamte haar handen voor haar lichaam. Gelukkig genas ze, maar de plek die zij bedekte met haar handen, behield zijn razernij. 

Aanvankelijk dacht ik dat dit gedicht een vertaling was van een van de Contes van Jean de La Fontaine, maar geen van de vertellingen van de Franse dichter komt overeen met de inhoud van dit gedicht. Was het dan toch een oorspronkelijk gedicht van Weyerman?

Kort daarop ontdekte ik dat er in 1992 een bloemlezing was verschenen met de titel Razernij der liefde.[2] De editeur, Hans van Straten, was enigszins bekend met het werk van Weyerman, want in 1961 bracht hij de bloemlezing Min-gekweel en kin-gestreel uit, waarin twee gedichten van Weyerman zijn opgenomen.[3]

De titel van de bloemlezing Razernij der liefde is ontleend aan een opgenomen gedicht; niet van Weyerman, maar van de laat achttiende-eeuwse dichter Hendrik Riemsnijder (1744-1825). Diens gedicht ‘De razernij der liefde’ komt uit zijn bundel Galante dichtluimen (1780). De inhoud van het gedicht is gelijk aan die van Weyerman. Ook hier lezen we over de jonge weduwe die haar gedrag toeschrijft aan de beet van een dolle hond. Maar Hendrik Riemsnijder was eerlijker dan Weyerman, want hij schrijft boven zijn gedicht: ‘Uit het Fransch’.

‘La rage d’amour’
Hans van Straten schrijft over het gedicht van Hendrik Riemsnijder dat het oorspronkelijke Franse gedicht ‘La rage d’amour’ geschreven is door Jean-Baptiste-Joseph Willart de Grécourt (1684-1743). Deze abbé heeft meerdere vrijmoedige gedichten op zijn naam staan.[4]

Ik trof het gedicht ‘La rage d’amour’ aan in de uitgave van Les oeuvres diverses van De Grécourt uit 1746, twintig jaar na het verschijnen van Den Echo des Weerelds. In de vierdelige uitgave van 1761 ontbreekt het gedicht.[5] De editeur verklaart dat in voorgaande uitgaven verschillende gedichten zijn opgenomen die niet door De Grécourt zijn geschreven. Die laat hij nu in zijn nieuwe uitgave vanzelfsprekend weg. In de edities van 1765 en 1775 duikt het gedicht echter weer op. Is het gedicht nu wel of niet van De Grécourt en hoe is Weyerman eraan gekomen?

Met hulp van Jac Fuchs is het mij gelukt zeven publicaties te vinden voor 1726 – het jaar van Den Echo des Weerelds– waarin het gedicht ‘La rage d’amour’ is opgenomen. Het zijn vijf boekuitgaven en twee tijdschriften.[6]

De vroegste publicatie is de derde druk van de Menagiana uit 1715, bezorgd door Bernard de La Monnoye. In de eerste twee drukken uit 1693 en 1694 staat het gedicht niet, waardoor ik niet met zekerheid kan zeggen dat het gedicht is geschreven door Gilles Ménage. De derde druk is namelijk door Bernard de La Monnoye uitgebreid met werk van hemzelf.

Het gedicht is in 1716 ook opgenomen in Poesies de M. de La Monnoye, wat een aanwijzing kan zijn dat hij de dichter ervan is.[7] In Ana, ou collection de bons mots staat onder het gedicht ‘D.L.M.’, wat volgens mij staat voor ‘De La Monnoye’.[8] Ook in werken van andere auteurs is het gedicht te vinden, zoals in de Contes et nouvelles van Jacques Vergier (1727), met daarin ‘La rage d’amour’.[9] Ik noemde al Les oeuvres diverses uit 1746 van De Grécourt en ik vond het gedicht ook in Poésies diverses (1779) van Alexis Piron.[10]

In 1869, ruim honderdvijftig jaar na de vroegste editie, is het gedicht opgenomen in La Fontaines Nouvelles oeuvres inédites, uitgegeven door Paul Lacroix, conservator van de Bibliothèque de l’Arsenal.[11] Lacroix schrijft in zijn commentaar dat het gedicht altijd al is toegeschreven aan Jean de La Fontaine, maar dat het eerder is opgenomen in het werk van La Monnoye en Vergier. Het gedicht verscheen anoniem in een bloemlezing uit 1744.[12] De toeschrijving aan La Fontaine is omstreden en het gedicht is hierna niet meer opgenomen in nieuwe uitgaven van zijn werk. Ik waag me na al deze vondsten niet meer aan een uitspraak over het auteurschap van dit gedicht. Dat laat ik over aan de Franse literatuurhistorici.

Woordspel
De titel ‘Raazernij der liefde’ bevat een aardig woordspel. De razernij der liefde is te interpreteren als de vurigheid, hartstochtelijkheid, onstuimigheid van de liefde. Die wordt in dit gedicht veroorzaakt door de beet van een dolle hond. Het woord ‘razernij’ is ook een synoniem voor ‘hondsdolheid’. De razernij der liefde wordt in dit geval veroorzaakt door razernij.

Het medisch advies aan Sara om zich te gaan baden in het zoute water van de zee – ‘in Nereus schuyment Pekel’ – is geen verzinsel. Uit de medische handboeken uit de zeventiende en achttiende eeuw die ik erop heb nageslagen, blijkt dat dit inderdaad het gebruikelijke advies is. Zo beschrijft Jan Baptista van Helmont, de bedenker van het woord ‘rabies’, de hondsdolheid in zijn Ortus medicinae (Amsterdam 1648). Blankaart, Boerhaave en later in de eeuw Regnier adviseren allemaal om de patiënt onder te dompelen in (zee)water.[13]

In 1720 verscheen een Engelse bewerking van het gedicht, getiteld ‘The Mad-dog’ van John Gay.[14] Ik acht het niet waarschijnlijk dat Weyerman de Engelse bewerking als uitgangspunt heeft genomen. De titel van Weyermans gedicht komt namelijk overeen met de Franse. Bovendien heeft John Gay wel een zeer uitgebreide versie gemaakt (144 versregels). Weyerman blijft veel dichter bij de Franse tekst, ook al veroorlooft hij zich enkele vrijheden.

Weyerman noemt de vrouw ‘de kortgehielde en malsse Saar’. Dat ‘kortgehielde’ komen we enkele keren tegen in het werk van Weyerman. Kortgehield wil zeggen dat de vrouw makkelijk achterover valt, vanwege haar kleine voeten, uiteraard met een dubbelzinnige betekenis.

De dochters van de wacht van de koning
In de uitgave die Paul Lacroix van het werk van Jean de La Fontaine heeft bezorgd, vond ik nog een interessant gegeven. Lacroix schrijft dat het gedicht volgens een aantekening in een handschrift gericht was tegen Madame de Boislandry. Maar volgens Jacob le Duchat betreft het Madame de Beaumont, een van de twee dochters van de Parijse boekverkoper Loyson (Loison).[15]

In Anthologie françoise, ou chansons choisies uit 1765 staat echter een lied van Jean-François Regnard, de grootste komische dichter na Molière, dat betrekking heeft op de gezusters Loyson. Hij noemt ze niet de dochters van boekverkoper van Loyson, maar ‘filles d’un Garde du Roi, célebres par leur beauté’. Op een van deze dames, madame de Beaumont, was Jean-François Regnard verliefd.

Jeanne (1667-1717) en Catherine (1668-1757) waren dochters van een andere Loyson, namelijk Louis Gabriel Dannelet de Loyson, ‘garde dans la maison du Roi’. Jeanne bleef ongehuwd, maar Catherine trouwde met François Poulain, sieur de Beaumont. Zij was zeer muzikaal en werd 89 jaar.[16]

Jac Fuchs en ik zijn direct op zoek gegaan naar deze dame en vonden enkele portretten van Catherine, waaronder het hierboven afgebeelde schilderij van François de Troy. Er bestaat ook een fraaie prent waarop beide zusters afgebeeld staan, wandelend in de Tuin der Tuilerieën. – Jan Bruggeman


[1] Jacob Campo Weyerman, Den Echo des Weerelds, dl. 1, afl. 30 (13 mei 1726), p. 234-235.

[2] Hans van Straten (ed.), Razernij der liefde. Ontuchtige poëzie in de Nederlanden van Middeleeuwen tot Franse tijd (Amsterdam 1992).

[3] Hans van Straten (ed.), Min-gekweel en kin-gestreel (Amsterdam 1961). Op p. 30 staat ‘Herderskout’, een fragment van een berijmde samenspraak tussen Clara en Damon, en op p. 115-117 ‘Het klokje’, een vertelling van Jean de La Fontaine.

[4] Hans van Straten vond het gedicht in L’oeuvre badine de l’Abbé de Grécourt, ed. Guillaume Apollinaire (Parijs 1912), p. 87.

[5] Jean Baptiste Joseph Willart de Grécourt, Les oeuvres diverses, dl. 2 (Amsterdam 1746, nouvelle edition), p. 5-6. In de editie van 1745 staat het gedicht niet. Met dank aan Jac Fuchs, die in Londen deze uitgave voor mij bekeek.

[6] (1) Menagiana ou les bons mots dl. 2 (Parijs 1715, 3e dr.),  p. 159-160; (2) Menagiana ou les bons mots dl. 3 (Amsterdam 1716), p. 367-368; (3) Bernard de La Monnoye, Poesies (Den Haag 1716), p. 7-8; (4) Sotisier, ou recueil de B. S. & F. (Parijs 1717), p. 109-110; (5) Journal Literaire, dl. 9-2 (1717), p. 357-358; (6) Neue Bibliothec oder Nachricht und Urtheile von neuen Büchern (Franckfurt/Leipzig 1718), p. 776-777; (7) Rapsodie, billevesees, balivernes, rogatons (Parijs 1721), p. 109-110.
In de twee tijdschriften wordt gesproken van een versie uit 1712. Het Franse tijdschrift bespreekt enkele tekstvarianten.

[7] Poesies de M. de La Monnoye (Den Haag 1716), p. 7-8.

[8] Ana, ou collection de bons mots, dl. 2 (1789), p. 418-419.

[9] Jacques Vergier, Contes et nouvelles, dl. 1 (Parijs 1727), p. 122-123.

[10] Alexis Piron, Poésies diverses (Londen 1779), p. 107-108.

[11] Jean de La Fontaine, Nouvelles oeuvres inédites, ed. Paul Lacroix (Parijs 1869), p. 69-70.

[12] Recueil de nouvelles poésies, galantes, critiques, latines et françoises, dl. 2 (Londen 1740), p. 144.

[13] Stephanus Blankaart, Nieuw-ligtende praktyk der medicinen (Amsterdam 1696), p. 71-76; Herman Boerhaave, Kortbondige spreuken wegens de ziektens (Amsterdam 1741), p. 231-238; Noël Regnault, Godvruchtige en proefkundige beschouwingen, van de wetten en werken der natuur, dl. 2 (Amsterdam 1760), p. 369.

[14] John Gay, Poems on several occasions, dl. 2 (Londen 1720), p. 334-341. In de wetenschappelijke editie van John Gays Poetry and prose (Oxford 1974) legt editeur Vinton A. Dearing geen verband met het Franse gedicht ‘La rage d’amour’.

[15] Jacob le Duchat, Ducatiana ou remarques, dl. 2 (Amsterdam 1738), p. 247.

[16] Informatie over de zusters Loyson vond ik in: Roger Domenjoud, ‘En marge de Regnard. Doguine et Tontine’, in: La Revue Savoisienne 71 (1930), p. 98-101; Markus Grassl, Bibliographisches Verzeichnis der Musikerinnen in Frankreich 1643-1715 (2011, 3e ed. aug. 2016), p. 93-94. Online op de website Musikgeschichte (geraadpleegd 7-9-2021)).

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.