Egypte in het werk van Weyerman 

Het uitbroeden van kuikens in Caïro (1)

maandag 9 mei 2022 – In augustus 2021 schreef ik voor deze website een artikel in vier afleveringen over het Egyptische beeld van de Zingende Memnon in het oude Thebe. Weyerman noemt dit beeld op enkele plaatsen in zijn werk. 

Egyptische elementen komen regelmatig voor in zijn oeuvre. Hij gebruikt ze als vergelijkingsmateriaal om met bepaalde zaken de draak te steken. Dat doet hij ook in Piet fopt Jan en Jan fopt Piet, een satirisch verslag van een gesprek tussen een protestant, een jansenist en een jezuïet. Op enig moment laat de jezuïet zich in het gesprek negatief uit over leugenachtige wonderen, die allemaal voortkomen uit bijgeloof, evenals het grote aantal kuikens dat in Caïro wordt uitgebroed:

Maar ik hang zo maklyk myn zegel niet aan de Jansenistische beuzelwonderen, uyt het bygeloof gebroeit, gelyk als de kuykens te Groot Kaïro worden gekipt, langs de warmte van een Oven.[1]

De jansenist gebruikt eenzelfde vergelijking wanneer hij het grote aantal mannelijke en vrouwelijke heiligen vergelijkt met het aantal kuikens dat in Caïro en omstreken wordt uitgebroed. Dat zijn er heel veel.

Waarom wort ’er een plaats van eere ontzegt aan den Abt Paris op het byster groot Schouwtonneel der mirakelen, waar op noch meer Santen en Santinnen staan te pryken, als ’er Kuykens worden vervat binnen den omtrek van uw bovengenoemt Kaïro?[2]

Originele beeldspraak – Uit beide passages blijkt duidelijk hoe Weyerman denkt over wonderen en het grote aantal heiligen. Hij gebruikt hiervoor een originele beeldspraak. Bij hem geen clichés als ‘de sterren des hemels’ of ‘het zand aan de oever der zee’. In een eerdere passage had hij al een ironische vergelijking gemaakt tussen de mogelijke toename van jansenistische abten en die van renetappels in Normandië. Hier is de jezuïet weer aan het woord:

De borgers van Alabanda een kleyne Stad in kleyn Asia, om de gonst der Romeynen over te haalen ten hunnen voordeele, deeden een Tempel toewyen aan de Stad Romen, en verhieven haar tot een Godes, eerende die Stad met jaarlyksche speelen en offerhanden. Indien eenige kleyne Fransche Stad die zelve toegeevendheit had voor de Stad van Parys, en indien die heylige Stad dan wiert ten huuwelyk gegeeven aan den Abt Paris, wie weet of het geslacht der heylige Jansenistische Abten dan niet zou vermeenigvuldigen gelyk de Fransche Renetappelen in Normandyen.[3]

De originele vergelijkingen met kuikens in Piet fopt Jan roepen enkele vragen op. Wat bedoelt Weyerman precies met die ‘kuykens te groot-Kaïro’? En hoe moeten we het uitbroeden van eieren door de warmte van een oven uitleggen? Ook nu geldt weer: waar haalde Weyerman deze informatie vandaan? 

Tijdens mijn zoektocht naar mogelijke bronnen van Weyerman bleek al snel, dat achter die twee zinnen in Piet fopt Jan een wereld van verhalen over het uitbroeden van kuikens in Egypte schuilgaat, vanaf de vierde eeuw voor Christus tot onze moderne tijd. Zelfs in een schoolboek voor het middelbaar onderwijs uit 1864 komt het uitbroeden van kuikens in Egypte aan de orde, maar in onze tijd is er vrijwel niemand die hiervan heeft gehoord.[4]

In enkele afleveringen hoop ik daarin verandering te brengen, want het verschijnsel is té bijzonder om daar niets vanaf te weten. In deze eerste aflevering laat ik zien hoe men in de oudheid dacht over het uitbroeden van kuikens in de oudheid.

Diodorus van Sicilië – Voor de vroegste vermeldingen over het uitbroeden van kuikens moeten we terug naar de oudheid. De historicus Diodorus van Sicilië (ca. 90-30 vChr) schrijft in zijn Bibliotheca historica uitvoerig en vol lof over de Egyptische maatschappij en de merkwaardige maar soms ook nuttige gebruiken van de Egyptenaren. Hij vertelt onder andere over een verbazingwekkende manier waarop enorme aantallen eieren uitgebroed worden, waar geen moedervogel aan te pas komt.[5]

Aristoteles – Hoe dat precies in zijn werk gaat, vermeldt Diodorus niet, maar in een voetnoot staat dat de eieren volgens Aristoteles (384-322 vChr) spontaan uitgebroed worden door ze te begraven in mesthopen. Dit vinden we inderdaad terug in diens Historia animalium, in een hoofdstuk over vogels en het uitbroeden van eieren. Aristoteles vertelt ook over een dronkaard in Syracuse, die eieren in de grond placht te stoppen, onder zijn biezen mat. Daarna ging hij door met zijn drinkgelag, totdat hij de eieren had uitgebroed.[6]

Plinius de Oudere – Een andere schrijver uit de oudheid die zich over het uitbroeden heeft uitgelaten, is Plinius de Oudere (23/24 nChr-79 nChr). Hij schrijft uitvoerig over eieren in zijn Naturalis historia.[7] We lezen wat de beste broedtijd is, over de duur daarvan en over het testen van eieren in water (een leeg ei blijft drijven). Ook waarschuwt hij voor het schudden van de eieren bij het testen. Hierdoor kunnen de organen in het ei door elkaar raken, waardoor er niets uit het ei zal komen. Verder: de schreeuw van een valk doet de eieren bederven, evenals onweer. 

Als remedie voor dit laatste adviseert Plinius een ijzeren spijker onder het stro waarop de eieren worden gelegd, of anders wat aarde afkomstig van een ploegschaar. Maar, voegt Plinius aan dit relaas toe, er zijn ook eieren die spontaan door de natuur worden uitgebroed – zonder de moedervogel dus – zoals in de mesthopen van Egypte. 

Plinius noemt net als Aristoteles de drinkebroer uit Syracuse, die eieren tijdens zijn drinkgelag uitbroedde.[8] Een mens kan dus een ei uitbroeden, zo concludeert Plinius en illustreert dit met een anekdote over de Romeinse keizerin Julia Augusta (= Livia Drusilla, de vrouw van keizer Augustus).

Toen zij zwanger was van Tiberius Caesar, wilde zij graag een zoon hebben. Zij maakte gebruik van een voorspellende methode die erg populair was bij jonge vrouwen: ze droeg in haar boezem een ei, dat zij zorgvuldig warm hield. Haar voedster nam deze taak soms van haar over, want de warmte moest constant blijven. Plinius legt niet uit hoe de methode werkte. Werd het een zoon als het ei met succes uitgebroed was? Hij zegt wel dat de moderne uitvinding van het uitbroeden van eieren misschien zijn oorsprong in dit gebruik vond. Die uitvinding hield in dat de eieren bedekt werden met kaf en op een warme plaats werden gelegd, die op temperatuur werd gehouden door een matig vuur. Een speciaal hiervoor ingehuurde man draaide regelmatig de eieren om.[9]

Keizer Hadrianus – Het fenomeen van het kunstmatig uitbroeden van eieren is ten tijde van de Romeinse overheersing van Egypte tot in de allerhoogste regionen bekend. Zelfs keizer Hadrianus (76-138 nChr; keizer vanaf 117 nChr) zou een brief hebben geschreven aan consul Servianus, zijn zwager, waarin dit ter sprake komt. Hij beklaagt zich over de Egyptenaren, die volgens hem lichtzinnig zijn op het gebied van religie. Zij noemen zich weliswaar christenen, maar zij vereren Serapis. 

Ook vindt de keizer de Egyptenaren opstandig en bedrieglijk. Hij is echter vol lof over de welvarende, rijke en productieve stad Caïro, waar niemand aan het luieren is. Iedereen oefent een beroep uit. Sommigen zijn glasblazers, anderen papiermakers en allemaal zijn ze in ieder geval linnenwevers. Hun enige god is geld, maar dat is waar christenen, joden en in feite alle volkeren dol op zijn. 

Hadrianus is zeer teleurgesteld in de Egyptenaren. Hoewel hij hun vele gunsten had verleend en hun oude rechten in ere hersteld, keerden zij zich tegen zijn zoon Verus en spraken zij slecht over Antinous zodra hij de stad Caïro had verlaten. Hij is hierover zo verbolgen dat hij ze toewenst dat zij van hun eigen kippen moeten leven, die uitgebroed worden op een manier, waarvoor hij zich te zeer schaamt om die te beschrijven. Hij doelt hier ongetwijfeld op het uitbroeden van eieren in mesthopen, zoals Aristoteles beschrijft.[10]

De bewuste brief van Hadrianus staat in de Historiae Augustae scriptores, een verzameling van dertig boeken over de levens van zeventig keizers en twee keizerinnen, van keizer Hadrianus tot en met Numerianus (117-284 nChr). De boeken zouden door zes auteurs geschreven zijn, onder wie Flavius Vopiscus, degene die over Hadrianus schreef. Waarschijnlijk is het werk echter het product van slechts één auteur, uit het einde van de vierde eeuw. De auteur(s) van de Historiae Augustae gebruikte(n) Griekse bronnen, maar de boeken bevatten mogelijk ook verzonnen informatie en verzonnen brondocumenten.[11]

Slot – Het zijn niet de minsten die in de oudheid hebben geschreven over het uitbroeden van kuikens in Caïro: Aristoteles, Diodorus van Sicilië, Plinius de Oudere en keizer Hadrianus. Opmerkelijk is dat Plinius in de anekdote over keizerin Julia Augusta een mogelijke verklaring ziet voor de moderne uitvinding van het uitbroeden van eieren, en niet zozeer in het uitbroeden van eieren in de mest (hoewel hij daarvan wel melding maakt). 

Uit de vroege middeleeuwen heb ik geen bronnen over het kunstmatig uitbroeden van eieren gevonden. De eerste verhalen hierover kwam ik tegen vanaf de dertiende eeuw, waarover meer in de volgende aflevering. – Janny Roos


[1] [J.C. Weyerman], Piet fopt Jan en Jan fopt Piet, ofte Boertige en ernstige zamenspraak, tusschen een protestant, jansenist en jesuit, waar in de nieuwerwetsche mirakelen van den abt Paris, en ’t boek van den hr. De Montgeron, tot verdediging derzelve, onderzocht en beredeneert worden (Op het kerkhof van Sint Medard, onder de zark van den abt Paris 1737), p. 137. Ex. KB, KW Pflt 17073.

[2] [Weyerman], Piet fopt Jan en Jan fopt Piet, p. 137.

[3] [Weyerman], Piet fopt Jan en Jan fopt Piet, p. 136.

[4] Johannes van der Hoeven, Leerboek der dierkunde, ten dienste van het Middelbaar Onderwijs, dl. 1 (Leiden 1864), p. 109.

[5] Diodorus Siculus, The library of history, dl. 1 (Cambridge MA, 1933). Vert. C.H. Oldfather, p. 69-98 (Loeb Classical Library).

[6] Aristotle, The history of animals, dl. VI, 2 (Oxford 1910). Vert. D’Arcy Wentworth Thompson. 

[7] Plinius de Oudere, Complete works. Natural history, hfst. 75 (54) (Hastings 2015). Vert. John Bostock en Henry Thomas Riley.

[8] De Griekse schrijver Antigonus van Carystus (o290 v. Chr.) maakt in zijn Historiarum mirabilium, cap. 104, eveneens een opmerking over eieren die in Egypte in de mest worden uitgebroed. Aristoteles’ opmerkingen over in de mest uitgebroede eieren in Egypte en de dronkaard in Syracuse zijn tevens terug te vinden in W. Derham, Physico-theology: or, a Demonstration of the being and attributes of God, from his works of creation (Londen 1713), p. 390.

[9] Plinius de Oudere, Complete works. Natural history, hfst. 76 (55) (Hastings 2015). Vert. John Bostock en Henry Thomas Riley.

[10] The scriptores historiae Augustae, dl. 3 (Cambridge MA/Londen 1998). Ed. G.P. Goold, vert. David Magie, p. 399-401 (Loeb Classical Library).

[11] Zie Wikipedia, lemma Historia Augusta. https://nl.wikipedia.org/wiki/Historia_Augusta

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.