Egypte in het werk van Weyerman

Het uitbroeden van kuikens in Caïro (2)

vrijdag 13 mei 2022 – In de vorige aflevering lazen we dat Weyerman in zijn boek Piet fopt Jan en Jan fopt Piet het uitbroeden van kuikens in Caïro noemt. Hij blijkt niet de eerste die hierover schrijft want in de oudheid wordt al melding gemaakt van het uitbroeden van kuikens in Caïro. Deze keer concentreer ik me op de middeleeuwse bronnen waarin hetzelfde thema opnieuw opduikt.

Abd al-Latif – In de Levant en Egypte vinden allerlei ingrijpende gebeurtenissen plaats. Zo valt het Romeinse Rijk na de dood van Theodosius I, in 395 na Chr., in twee delen uiteen. Egypte wordt dan onderdeel van het Byzantijnse Rijk. Rond 640 veroveren islamitische Arabieren het land. 

Pas aan het begin van de dertiende eeuw komen we opnieuw informatie tegen over het uitbroeden van kuikens en wel in een Arabisch manuscript van de arts, filosoof, historicus en reiziger Abd al-Latif (1162-1231) uit Bagdad. Hij trekt in 1191 naar Egypte, en woont en werkt een aantal jaren in Caïro. Hij is zeer geïnteresseerd in de oude monumenten van Egypte, de geografie, het klimaat en de jaarlijkse overstroming van de Nijl. In 1199 is die overstroming zeer beperkt en als gevolg daarvan breekt in 1200 een grote hongersnood uit. 

Abd al-Latif is hiervan getuige en geeft een aangrijpende beschrijving van de gebeurtenissen van die tijd. Ook de Egyptische flora en fauna komen in zijn manuscript aan de orde. Het hoofdstuk over dieren begint met een nauwkeurige beschrijving van het kunstmatig uitbroeden van kuikens. Hij beschrijft stap voor stap alle stadia hiervan, die maar liefst zes pagina’s in beslag nemen. 

Het broedproces speelt zich af in een groot gebouw met tien tot twintig kamers, die elk 2000 eieren kunnen bevatten. Abd al-Latif vertelt hoe het gebouw en de kamers eruitzien, wat de afmetingen zijn van deuren, ramen, plafonds en van welke materialen alles is gemaakt. De kamers worden verwarmd door twee kachels, die gestookt worden met gedroogde koeienmest, een onmisbare brandstof in dit procedé. 

De vloeren van de kamers worden gelijkmatig bedekt met gehakt stro, waaroverheen repen stof of matten van papyrus liggen. Daarop worden de eieren naast elkaar gelegd. Openingen in deuren en ramen worden dichtgestopt, want het is essentieel dat de warme dampen uit de kachels niet uit de kamers ontsnappen. De temperatuur moet voortdurend in de gaten gehouden worden en gedurende negentien dagen worden de eieren tweemaal per dag en eenmaal per nacht gecontroleerd. Ze worden ook gedraaid, zoals de hen dit doet. Vanaf dag 20 tikken sommige kuikens al met hun snavel tegen de eierschaal en aan het eind van dag 22 zijn ze allemaal uit het ei.

Dit is misschien wel de eerste, zeer uitvoerige beschrijving van het uitbroeden van kuikens met behulp van mest als brandstof.

De Engelse oriëntalist Edward Pococke ontdekte het Arabische manuscript in de Levant in 1665 en nam dit mee naar Engeland. Kort daarna publiceerde hij de Arabische tekst. Zijn zoon vertaalde het werk in het Latijn, maar pas in 1800 verscheen de volledige Latijnse tekst, verzorgd door Joseph White. De Franse vertaling door Silvestre de Sacy verscheen in 1810 onder de titel Relation de l’Égypte.[1]

Frederik II von Hohenstaufen – Vanuit Europa worden er tussen 1096 en 1272 negen kruistochten georganiseerd om het Heilige Land te bevrijden van de moslims, opdat christenen Jeruzalem veilig kunnen bezoeken. Zo trok ook Frederik II von Hohenstaufen (1194-1250), keizer van het Heilige Roomse Rijk, in 1228 op kruistocht (de zesde) naar het Heilige Land. Op vreedzame wijze veroverde hij Jeruzalem en sloot in 1229 met sultan Al-Kamil van Egypte de Vrede van Jaffa, die tien jaar zou duren. Frederik II sprak vele talen, waaronder Arabisch, en correspondeerde met zowel Al-Kamil als de Egyptische edelman Fakr ad-Din.[2]

Aan het eind van zijn leven schreef Frederik II een boek over de valkenjacht, De arte venandi cum avibus, dat later als standaardwerk beschouwd zou worden. In een hoofdstuk over het leggen en uitbroeden van vogeleieren vertelt hij dat de struisvogel zijn eigen eieren niet zelf uitbroedt maar ze neerlegt in het zand, waar de extreme hitte van de zon voldoende is om de kuikens uit de eieren te laten kruipen. Een vergelijkbaar fenomeen had hij zelf in Egypte gezien. Op een boerenerf werden eieren van hoenders warm gehouden en de kuikens werden zonder de moedervogel uitgebroed. De vorst zorgde ervoor dat dit in Apulië, in het zuiden van Italië, herhaald werd door experts, die hij uit Egypte liet komen.[3] Helaas schrijft hij niet wat de uitkomst van dit experiment is geweest.

Jan van Mandeville – In de late middeleeuwen trekken individuele pelgrims vanuit Europa naar het Heilige Land. Soms reizen zij door naar Egypte om plaatsen te bezoeken waar Christus is geweest. In hun reisbeschrijvingen vinden we eveneens verhalen over het uitbroeden van kuikens in Egypte. Sommige pelgrims hebben dit met eigen ogen gezien, andere nemen informatie uit eerdere reisbeschrijvingen over. 

Een van die pelgrims is Jan van Mandeville, de verteller en misschien ook de schrijver van een boek met fictieve reisverhalen in het Middelfrans: Les voyages de Jehan de Mandeville, dat vermoedelijk in 1356 geschreven is.[4] In de ‘Prologe’ van zijn boek schrijft Jan van Mandeville dat hij in het jaar 1322 vanuit Engeland is vertrokken naar het Heilige Land. Onderweg bezoekt hij veel landen, waaronder Egypte. In enkele hoofdstukken schrijft hij over het land en de hoofdstad Caïro. Hij vertelt enkele opmerkelijke zaken, onder andere hoe vrouwen kippen-, ganzen- en eendeneieren naar een gemeenschappelijke plaats brengen, waar de eieren in ovens door de hitte van paardenmest in circa drie weken tot een maand worden uitgebroed. Daarna halen de vrouwen de kuikens op en brengen ze naar hun eigen huis:

In die Stadt (= Caïro) is een gemeen Huys, dat al vol kleyne Ovens staet, ende daer brengen de Wijven van der Stad Eyeren van Hennen, van gansen ende van Enden, en leggen die Eyeren in die ovens, en diegene die dit hoeden, broedense met de hitte van paerden meste, sonder eenige Vogelen daer toe te doen. En ten eynde van drie weken of een maend soo komen die wijven weder ende halen haer kieckens ende dragense t’huys, en voeden alsoo het lant vol van sulcke vogelen, dat doen sy al alle dat Jaer door.5

Weyerman was bekend met Jan van Mandeville, want we vinden diens naam in twee van zijn tijdschriften, alhoewel niet in verband met het uitbroeden van kuikens. In Den Ontleeder der Gebreeken gebruikt Weyerman de naam in de antonomasie ‘Hij was meêr bereist als een Mandevyl[5] en in De Rotterdamsche Hermes noemt hij hem in een passage over ijzige koude op Nova Zembla.[6] Gezien het verschijningsjaar 1707 van de Nederlandse vertaling van Mandevilles reisverhaal kan Weyerman de informatie over het uitbroeden van kuikens heel goed aan dit boek hebben ontleend.[7]

Arnold von Harff – Een laat-middeleeuwse bron voor het uitbroeden van kuikens in Caïro is het reisverslag van de Duitse ridder Arnold von Harff (1471-1505). Hij gaat in 1496 vanuit Keulen op een tweejarige pelgrimstocht naar onder andere Rome, Santiago de Compostella en het Heilige Land en hij reist ook naar Egypte. Daar ziet hij hoe eieren in ovens worden uitgebroed en dat de koks in Caïro grote hoeveelheden gekookte en gebraden kip klaarmaken. Hij vertelt hierover een grappig maar enigszins onduidelijk verhaal. 

Er is één haan in Caïro en dat is de sultan, zo verzekert Arnold von Harff. Die heeft vierentwintig hennen onder zich, die ieder jaarlijks twaalf keer eieren uitbroeden. Dit levert bij elkaar steeds drie- tot vierduizend kuikens op en daarom moet er wel veel kip gegeten worden in Caïro. De eieren worden in ovens neergelegd, die rondom met mest worden dichtgestopt. Daaronder wordt een laag vuur aangestoken, zodat de hete mest en de hete lucht ervoor zorgen dat uit de eieren kuikens komen. 

Als de kuikens uitgebroed zijn, worden ze in een kleine ruimte samengedreven en verkocht. Een koopman schept ze met beide handen in een maatbeker alsof hij tarwe afmeet. Daaruit steekt hier en daar een kop, een of twee pootjes, of een vleugel. De ene koper krijgt hierdoor 20 en een ander 24 kuikens in zijn maat. Arnold von Harff heeft dit soort ovens vaak in landen als ‘Hispanyen Garnaten’ en in ‘Barbarijen’ gezien, zegt hij. Met Garnaten wordt Granada bedoeld, een koninkrijk in Spanje. Barbarije was van de zestiende tot in de negentiende eeuw de aanduiding voor een deel van de kustgebieden van Noord-Afrika.[8]

In de volgende aflevering zullen we zien welke nieuwe informatie de zestiende eeuw oplevert. – Janny Roos


[1] Abd Al-Latif, Relation de l’Égypte. Vert. Silvestre de Sacy (Parijs 1810), p. 135-140.

[2] Zie hierover Wikipedia, lemma Keizer Frederik II

[3] The art of falconry, being the De arte venandi cum avibus of Frederick II of Hohenstaufen. Vert. Casey A. Wood en F. Marjorie Fyfe (Londen 1943), p. 53.

[4] Het eerste deel van Les voyages de Jehan de Mandeville is voornamelijk gebaseerd op het Latijnse reisverhaal van de Duitse dominicaan Willem van Boldensele († 1339). Deze ondernam rond 1332-1333 zijn tocht naar het Heilige Land en bracht daarover in 1337 verslag uit. Zie Wikipedia, lemma Jan van Mandeville.

[5] [Jacob Campo Weyerman], Den Ontleeder der Gebreeken, dl. 1 (Amsterdam 1724), p. 61 en 155.

[6] [Jacob Campo Weyerman], De Rotterdamsche Hermes (Rotterdam 1721), p. 204-205.

[7] De wonderlyke reyse van Jan van Mandevyl (Utrecht 1707), p. 16.

[8] Die Pilgerfahrt des Ritters Arnold von Harff von Cöln durch Italien, Syrien, Aegypten, Arabien, Aethiopien, Nubien, Palästina […] in den Jahren 1496 bis 1499. Ed. E. von Groote (Keulen 1860), p. 92.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.