Egypte in het werk van Weyerman

Het uitbroeden van kuikens in Caïro (5)

woensdag 1 juni 2022 – Weyerman is zeer creatief in zijn beeldspraak. In Piet fopt Jan en Jan fopt Piet vergelijkt hij de vele wonderverhalen en heiligen met het grote aantal kuikens dat in Egypte wordt uitgebroed. Ik vroeg mij af wat dit betekende en hoe Weyerman hieraan kwam.

In deze artikelenreeks ben ik op zoek naar auteurs die over dit fenomeen hebben geschreven. Uit de voorafgaande afleveringen zijn al enkele namen naar voren gekomen. Vorige keer kwamen verschillende zeventiende-eeuwse ter sprake, maar specifieke bronnen van Weyerman zaten daar niet bij. Ook in dit vervolg over de zeventiende eeuw komt daar verandering in!

Simon de Vries – De boekverkoper Simon de Vries (1628-1708), die meer dan zestig werken schreef en vertaalde, vertelt is een van de zeventiende-eeuwse auteurs die over de kuikens in Egypte schrijft. Hij bezocht Egypte niet zelf, maar hield zich vanachter zijn schrijftafel bezig met de ‘Kieckens’. Die noemt hij in zijn Oude en nieuwe tijds wondertoneel:

In ’t Koninghrijk Egypten werden de jonge Kieckens niet van haer moeder de Klock-hen, maer in een Oven, bysonderlijck hier toe gebouwd, uytgebroeyd. In de gedaghte Ovens werden op eenmael wel 3. of 4000. Eyeren geleyd, uyt welcke, door de gedurige gemaetighde warmte de Kieckens voortkoomen.[1]

Ook in zijn Curieuse aenmerckingen vermeldt Simon de Vries het uitbroeden van de Egyptische kuikens:

Indien dien Heer, met d’Egyptenaren, sodaenige Eyeren in een heeten Oven geleghd, en daer meê tot den Broey tijdigh ghemaeckt had, of, gelyck eenige Zee-vogelen doen, deselve een plaets op ’t heete Sand had gegeven, en aen de meedewerckingh der Son vertrouwd, so mogt ick hoopen, dat’er Kuyckens uyt souden voortkoomen.[2]

Johann Hübner – Net als Simon de Vries noemt Johann Hübner (1668-1731) het aantal van ‘3. of 4000. Eyeren’. Deze Duitse geograaf en geleerde schreef diverse schoolboeken en publicaties op het gebied van genealogie, geschiedenis en geografie. In zijn Vollständige Geographie uit 1730, in een hoofdstuk over Egypte, beschrijft hij uitgebreid het uitbroeden van kuikens. In de Nederlandse vertaling, die in 1733 onder de titel Volmaakte geography verscheen, lezen we het volgende:

Onder de rare Pluimgediertens horen ook wel de Egyptische Hoenders, die in Bakovens uitgebroeit worden. In zulk een Oven worden 3. of 4000. Eyeren tegelyk geschoven, en als de Oven weer geopent word, komen ’er even zo veel jonge Kuikentjes uitgelopen, en alzo brengt de Boer voor een Korf vol Eyeren een Korf vol jonge Hoenders weêr naar Huis, als hy daarmeê te Markt gegaan is. De Zaak is zeker, en in de grote Stad Cairo kan men diergelyk Experiment alle dag nemen. Maar men heeft opgemerkt, dat de Kuikens, die door de Ovens uitgebroeit zyn, zo goed niet smaken, als die de Hoenders zelf hebben uitgebroeit.[3]

Waar beide schrijvers hun informatie vandaan haalden, is mij niet bekend. Zij zijn niet in Egypte geweest en hebben geen van tweeën de broedovens met eigen ogen gezien. De middeleeuwer Arnold von Harff, over wie ik al eerder schreef, was wel in Egypte en hij noemt het aantal van drie- en vierduizend eieren in zijn reisbericht. Zijn reisverhaal is weliswaar in diverse handschriften overgeleverd, maar werd pas in 1860 voor het eerst in boekvorm uitgegeven. 

Cornelis de Bruyn – Iemand die in dit overzicht van reizigers naar Egypte niet mag ontbreken, is Cornelis de Bruyn(1652-1727). Hij bevindt zich in 1681 in Egypte, beklimt de piramide van Cheops op het Gizeh-plateau en maakt als eerste een tekening van de binnenkant van deze piramide. De Bruyn heeft horen spreken over de merkwaardige manier waarop in Caïro kuikens worden uitgebroed en wil de ovens graag met eigen ogen zien.

Het lijkt erop dat ‘het-uitbroeden-van-kuikens-in-een-oven’ intussen een toeristische attractie is geworden. Helaas is De Bruyn niet op het juiste tijdstip in Caïro, zoals hij zelf schrijft, dus er valt voor hem niets te bekijken. Wat hij heeft gehoord over de ovens komt echter overeen met wat de Franse reiziger Jean de Thévenot (1633-1667) hierover schrijft, zodat hij besluit diens verhaal in zijn publicatie op te nemen.[4]

Jean de Thévenot – De tekst van Cornelis de Bruyn volgt bijna letterlijk, met hier en daar een ander woord of in een andere spelling, de Nederlandse vertaling van Thévenots publicatie uit 1681.[5] Thévenot bezoekt een locatie waar twaalf ovens staan, zes aan iedere zijde, waarvan telkens twee boven op elkaar. De ovens zijn van aarde gemaakt en bevinden zich vrijwel volledig onder de grond. De eieren worden hierin uitgebroed bij een temperatuur die overeenkomt met de natuurlijke warmte van hoenders. 

Er werken uitsluitend Kopten, schrijft Thévenot. Vanaf half februari beginnen zij te stoken en dat vier maanden lang. Als brandstof wordt koeien- en kamelenmest gebruikt, die voorin de oven wordt verhit. Iedere dag wordt de mest ververst. De uitgebroede kuikens worden per maat verkocht en de opbrengst wordt verdeeld onder de Kopten en de meester der ovens. 

In die vier maanden leggen de hoenders meer dan 300.000 eieren in de ovens, al worden die lang niet allemaal goed uitgebroed. Sommigen vinden dat deze eieren niet zo goed smaken als de eieren die door de hoenders zelf zijn uitgebroed, maar volgens Thévenot is dat inbeelding. Hij heeft in ieder geval nooit een verschil geproefd.

Thévenot gelooft dat deze manier van uitbroeden overal werkt en niet alleen in Egypte. Een bewijs hiervoor is dat de groothertog van Florence Kopten heeft laten overkomen om daar op kunstmatige wijze eieren te laten uitbroeden in ovens. En dat is gelukt (!). Ook in Polen zouden broedovens zijn gebruikt. Volgens Thévenot werkt deze manier overal, mits men de ovens maar onder de aarde plaatst, opdat er geen lucht bij kan komen. Het belangrijkste is om voor precies de juiste warmte te zorgen, want door te veel of te weinig warmte mislukt het hele proces. 

Thévenot is kennelijk niet goed geïnformeerd over het experiment in Italië, want daar werd juist vastgesteld dat het niet mogelijk was om op deze manier kuikens met succes uit te broeden. Over een Pools experiment heb ik nergens anders iets gelezen.

Eduward Melton – Cornelis de Bruyn neemt ook tekst over de broedovens van een zekere Melton over, omdat deze een andere mening over het broedseizoen heeft dan Jean de Thévenot. Deze Melton (werkjaren 1681-1708) is overigens, aldus de STCN, het pseudoniem van de hierboven reeds genoemde vertaler van Thevenots Gedenkwaardige en zeer naauwkeurige reizen: Gotfried van Broekhuizen.

Melton bekijkt de ovens op ‘den 21 van deeze maand’ en beschrijft ze zeer uitvoerig. De ovens zijn op dezelfde manier gebouwd als de Engelse broodovens, maar zijn minder hoog en kleiner. In het huis waar hij ze ziet, staan 24 ovens, 12 aan de rechterkant en 12 aan de linkerkant, tegenover elkaar, zes stuks in twee etages. Het geheel doet denken aan een ‘Slaap-plaats van een Klooster’ en ‘Cellen van Munniken’, maar de gang tussen de beide rijen ovens is zo nauw dat de hitte en damp de schrijver bijna verstikken. 

Alle eieren worden eerst acht dagen in de onderste ovens gelegd. In de bovenste ovens wordt van stro een ‘langsaam’ vuur gemaakt, dat acht dagen gaande wordt gehouden. Daarna worden alle kieren en gaten dichtgestopt: zo blijven de eieren nog zes dagen in de onderste ovens liggen. Vervolgens worden de eieren tegen het zonlicht gehouden (het schouwen van de eieren) om de goede van de slechte eieren van elkaar te kunnen scheiden. De goede eieren worden dan in de bovenste ovens gelegd. In de onderste ovens wordt nu gedurende twee dagen een klein vuur van stro gestookt. Zo blijven de eieren liggen totdat er in totaal 21 dagen zijn verstreken. Sommige kuikens breken dan al door de eierschaal. Op de 22e dag zijn alle kuikens uit. Dit gebeurt gedurende vier maanden per jaar, van december tot april, omdat het de rest van het jaar te heet is in Egypte.[6]

Johann Michael Wansleben – De tekst in Meltons Zeldzaame en gedenkwaardige zee- en land-reizen (1681) is een letterlijke vertaling van de beschrijving van de ovens in The present state of Egypt van Johann Michael Wansleben (1635-1679), dat drie jaar eerder, in 1678, was verschenen.[7] 

Net als Wansleben begint Melton zijn beschrijving van de ovens met de datum ‘den 21 van deze maand’. Hij vergelijkt de ovens met een ‘Slaap-plaats van een klooster’ en ‘Cellen van Munniken’, terwijl Wansleben het heeft over ‘Sleeping cells of Monks’. Bij Wansleben loopt het broedseizoen ook van december tot april, omdat het daarna te heet is in Egypte.

Tot slot – Deze tweede aflevering over de zeventiende eeuw levert uitgebreide beschrijvingen van de broedovens op. We zien dat schrijvers soms dankbaar gebruik maken van het werk van anderen. Cornelis de Bruyn vermeldt in zijn reisbeschrijving zijn bronnen Thévenot en Melton, maar niet iedereen doet dat. Ook Weyerman vermeldt niet waar hij over de kuikens heeft gelezen. Mogelijk heeft hij het werk van Simon de Vries als bron gebruikt. In Weyermans tijdschriften duikt diens naam regelmatig op, alhoewel niet altijd in positieve zin.[8]

Cornelis de Bruyn is eveneens een goede kanshebber. Weyerman noemt hem in verband met diens reizen naar uitheemse landen en steden in vier van zijn werken: Den Persiaansche zydeweever, De Doorzigtige Heremyt, Den Vrolyke Tuchtheer en De konstschilders. Misschien heeft Weyerman iets over de Egyptische broedovens gelezen in de publicatie Reizen van Cornelis de Bruyn, want in De Doorzigtige Heremyt noemt hij Cornelis de Bruyn die in de ‘groote grafnaald van Memphis’ kroop.[9]

De volgende aflevering brengt ons in de tijd waarin Weyerman zijn Piet fopt Jan en Jan fopt Piet schrijft: de achttiende eeuw. Die eeuw biedt opnieuw interessante informatie over het uitbroeden van kuikens, niet alleen in Egypte, maar ook in Europa. – Janny Roos

Afbeeldingen
(1) Portret van Cornelis de Bruyn, in: Reizen van Cornelis de Bruyn (Delft 1698). 
(2) Portret van Jean de Thévenot, in: Jean de Thevenot, Relation d’un voyage fait au Levant (Parijs 1665).
(3) Foto: Het schouwen van eieren in het zonlicht, in: E. Corti en E. Vogelaar, ‘The oldest hatcheries are still in use’, op de website Aviculture Europe (2012).


[1] Simon de Vries, Oude en nieuwe tijds wondertoneel (Utrecht 1671), p. 142.

[2] Simon de Vries, Curieuse aenmerckingen der bysonderste Oost en West-Indische verwonderens-waerdige dingen, dl. 1 (Utrecht 1682), p. 412.

[3] Johann Hübner, Volmaakte geography, dl. 2 (Amsterdam 1733), p. 582-583; idem, Vollständige Geographie, dl. 2 (Hamburg 1730), p. 582.

[4] Cornelis de Bruyn, Reizen van Cornelis de Bruyn (Delft 1698), p. 221-223.

[5] Jean de Thevenot, Gedenkwaardige en zeer naauwkeurige reizen van den heere de Thevenot (Amsterdam 1681), vert. Gotfried van Broekhuizen, p. 245-246; Jean de Thevenot, Relation d’un voyage fait au Levant (Parijs 1665), p. 273-275.

[6] Eduward Melton, Zeldzaame en gedenkwaardige zee- en land-reizen (Amsterdam 1681), p. 44.

[7] F. Vansleb (= Wansleben), The present State of Egypt, or, A new relation of a late voyage into that kingdom: performed in the years 1672 and 1673 (Londen 1678), p. 82-83.

[8] Weyerman noemt Simon de Vries in Den Amsterdamschen Hermes, Den Ontleeder der GebreekenDen Echo des Weerelds, De historie des pausdomsDe konstschilders, Den Kluyzenaar in een Vrolyk Humeur, Eenige scherpe aanmerkingen over De historie des pausdoms en Het Oog in ’t Zeil.

[9] Jacob Campo Weyerman, De Doorzigtige Heremyt, nr. 3 (11-10-1728), p. 20.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.