Bijdragen van Weyerman in een vrijwel vergeten periodiek? (2)

dinsdag 15 november 2022 – In De Patriot of Hollandsche Zedenmeester (1742-1743) herkende André Hanou in 2010 enkele teksten van Weyerman over kunstkopers. Ze blijken te corresponderen met passages uit deel 1 van het Brusselse handschrift (zie hierover mijn blogtekst van gisteren). Hoe zit dat precies?

De teksten in De Patriot stemmen in grote lijnen overeen met de teksten in het eerste deel van het Brusselse handschrift. Maar er zijn ook verschillen. Zo komen de cursiveringen geheel overeen, maar is de spelling anders, en ook zijn de teksten niet woordelijk hetzelfde. Dat kan liggen aan de redacteur van De Patriot, maar ook aan degene die hem de teksten bezorgde. 

Een voorbeeld. De tekst over de ‘Heeren Konsthandelaers’ in nr. 51 van De Patriot begint aldus:

Daar was, en is noch, een Oud Hollands Spreekwoord, het welk zegt; daar ons Heer een Koopman geeft, daar geeft de Duyvel een Makelaar. Een Zinspreuk (durven wy zeggen) zeer toepasselyk op de KONST SCHILEDRS, [sic] &c. en dat bewys zullen wy alle eerlyke Konst Liefhebbers aantoonen, dezelve halende uyt de zichtbare mishandelingen dier edele Konstoeffenaaren.

In het Brussels handschrift staat:

Daar was, en is noch, een Oud Nederduijts spreekwoordt, het welk zegt; daar ons Heer een Koopman geeft, daar geeft de Duijvel een Makelaar. 
Alhoewel wij den zoo hoognodigen onnodigen schat van Tuijnmans spreekwoorden, niet hebben over nagezien, Echter durven wy zeggen dat die zinspreuk seer toepasselijk is op de Konstschilders, en op de Konstschilderessen, en dat bewijs zullen wij halen uijt de zichtbare mishandelingen der Konstamptenaren.

In dit voorbeeld staat de tekst in deel 1 van het Brusselse handschrift – met de verwijzing naar het boek van Tuinman en de bloemrijker woordkeuze – dichter bij Weyerman. De tekst in De Patriot maakt de indruk een beetje plat gestreken te zijn. Toch is dat niet overal zo. In het Brusselse handschrift valt te lezen dat een Kladschilder neerkijkt op kunstenaars ‘wier Laersen hij niet bevoegt is uijt te trekken’. In De Patriot is gekozen voor de toepasselijker uitdrukking ‘wier palet hy niet bevoegt is schoon te maken’.

De opsomming van locaties waar je kunstkopers tegen kunt komen blijft in het handschrift beperkt tot ‘in een wijnhuijs, koffiehuijs, of in de Witte Molen, tot Amsterdam’, terwijl de verteller in De Patriot breedsprakiger is: ‘in een gezelschap, Wynhuys, Koffyhuys, of in de Witte MolenSt. LukasSchutters Hofden Doelen, &c., (te AmsterdamRotterdamMiddelburg’s Hage, &c.’.

In De Patriot zijn bovendien voetnoten toegevoegd die niet in het Brusselse handschrift zijn opgenomen. Daarbij gaat het om verwijzingen naar de handboeken van Samuel van Hoogstraten en Gerard de Lairesse, en om een persoonlijke belevenis van degene die de tekst op papier gezet heeft. Die belevenis is ook te lezen in de Echo des Weerelds: als een voorval dat Weyerman zelf meegemaakt had.[1]

Werd Weyermans kopij door een andere kunstenaar bewerkt? Of bracht hij er zelf meerdere versies van in omloop? Wie het weet mag het zeggen.

Een andere vraag is, of misschien de hele De Patriot een werk van Weyerman was. Tegen het einde van de schets van zijn doelstellingen in het eerste nummer schrijft de auteur van De Patriot:  

Met een woord moeten wy noch zeggen, dat wy zoo veel ons doenlyk is, zullen trachten onbekent te blyven, en dat, om zulks des te beter uyttewerken, wy in dezen ons bedient hebben van twee Vertroude Persoonen die alles ter nodiger uitvoering zullen doen brengen; doch wy beloven aan onze Lezers, ons in ’t geheel niet te zullen verbergen; maar op het eindigen van ons werk, indien het raadzaam mogte geoordeelt worden, ons bekent te maken.

Spreekt hier Weyerman, die op dat moment een levenslange gevangenisstraf uitzat in de Gevangenpoort, en die zich daarom van tussenpersonen bedient? Helaas heeft de auteur van De Patriot zich nooit bekend gemaakt.

André Hanou had het over ‘het ietwat muffe spectatoriale blad De Patriot’. Ik moet hem daar grotendeels gelijk in geven. Zou Weyerman de auteur van het geheel zijn, dan zien hem aan het werk als iemand die doodsbenauwd is dat hem bij zijn eerste prikkelende opmerking pen en papier afgenomen zouden worden. 

Er zijn nogal wat sterke argumenten tegen het auteurschap van Weyerman. Ik geef er maar twee. In de honderden pagina’s met rechtzinnige betogen komt het Weyermans lievelingswoord ‘zeedekunde’ niet éénmaal voor. Verder schrijft de auteur van De Patriot in drie afleveringen dat hij niet eerder vertaalde teksten van Johann Hübner gebruikt, omdat hij die zo geschikt vond voor zijn publiek. Weyerman was zelden zo openhartig over het gebruik van bronnen en ook is nog nooit op een Hübner-vertaling betrapt. Bovendien voelde hij zich juist niet zo op zijn gemak bij Duitse teksten. Weyerman was dus vrijwel zeker niet de auteur van De Patriot. Zijn er desondanks nog bijdragen van Weyerman in De Patriot te vinden?

Het grootste deel van De Patriot is, zoals al gezegd, ‘ietwat muf’. Maar naarmate het periodiek vordert, neemt de redacteur vaker (zogenaamd) ingezonden brieven op. Daarmee wordt de toon van het periodiek losser.

Nr. 26 bespreekt een paar personen die geprobeerd hebben om te vliegen. Een van hen is ‘Den Slangen en Padden Schilder Vroomans’. Het verhaal is een gecomprimeerde versie van een relaas dat Weyerman voordien al twee keer gepubliceerd had en dat iedereen dus kon kennen.[2]

De kans dat Weyerman zit achter een brief van ‘een Correspondent uit Soest in Westfaalen’ in nr. 32, is aanzienlijk groter. De redacteur vertelt kort het verhaal over ‘de God van Soest’, dat Weyerman ook bekend was.[3] De brief is ondertekend door ene Klaus Weerhaan, die uitlegt hoe hij in tijden van oorlog en schaarste toch aan zijn dagelijkse hoeveelheid sterke drank weet te komen, en hoe hij met de vrouwen uit de regio omgaat. ‘De Schryver, een Officier naar het schynt’, en de redacteur van De Patriot kennen elkaar niet. Waarom dan toch die brief? Ook op die vraag heb ik geen antwoord. Maar ik kan wel vertellen dat die brief een vertaling is van ‘A Description of a Country-Life In a Letter to Mr. P—– in London, June 2, 1692’. Deze brief komt vanaf 1720 voor in uitgaven van werken van Thomas Brown, een van Weyermans favoriete auteurs. Zou Weyerman die vertaling gemaakt hebben? Dat lijkt mij – maar ik heb Weyerman-oogkleppen op – best aannemelijk. 

Niettemin vind ik het te ver gaan om te veronderstellen dat er een direct contact tussen Weyerman en de redacteur van De Patriot bestond. Het lijkt me eerder voor de hand te liggen dat de auteur van De Patriot, of een van zijn veronderstelde correspondenten, langs een omweg de beschikking gekregen had over een stapeltje manuscripten van Weyerman.

Hoe het precies zat, zal wel altijd een raadsel blijven. Maar feit blijft, dat André Hanou ons erop heeft gewezen dat ongeveer een derde van het eerste deel van het Brusselse handschrift al in druk verschenen is toen Weyerman nog leefde. – Jac Fuchs  


[1] Echo des Weerelds, deel 1, nr. 24 (1 april 1726), p. 185-186. Dank aan Jan Bruggeman voor deze verwijzing.

[2] De Doorzigtige Heremyt, nr. 22 (21 februari 1729), p. 171 en De levens-beschryvingen der Nederlandsche konst-schilders en konst-schilderessen, deel 3 (Den Haag 1729), p. 261.

[3] De levens-beschryvingen der Nederlandsche konst-schilders en konstschilderessen, deel 2 (Den Haag 1729), p. 142. Jan Bruggeman heeft hierover in 2004, tijdens de grondvergadering te Kleef, een – overigens niet-gepubliceerde – lezing gehouden.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.